Is JHWH een gewelddadige Strijder?

Een vergelijking tussen Arie Versluis’ dissertatie Geen verbond, geen genade en John Howard Yoders geweldloze benadering

Deuteronomium 7 (vanaf nu: Deut 7) is een van de meest schokkende teksten uit de Bijbel, zeker in een tijd waarin we het liefst zoveel mogelijk afstand nemen van religieus geïnspireerd geweld. Arie Versluis heeft onderzoek gedaan naar dit omstreden hoofdstuk uit de Bijbel, wat geresulteerd heeft in het recentelijk uitgekomen Geen verbond, geen genade.

Je kunt reageren door afstand te nemen van dit soort gewelddadige teksten of afstand te nemen van een God die oproept tot het uitroeien van andere volken. Maar wat als je je toegewijd hebt aan de God van de Bijbel en je juist door die Bijbel geroepen voelt een geweldloos leven te leiden? Hoe ga je dan om met dit soort teksten?

John Howard Yoder heeft zich daar als (mennonitisch) theoloog en christenpacifist uitvoerig mee beziggehouden. Denkers als Stanley Hauerwas en geweldloze activisten als Shane Claiborne zijn door zijn theologie geïnspireerd [1]. In dit artikel zal ik Yoders benadering confronteren met Versluis’ studie. Hoe bevragen ze elkaar kritisch en waar vullen ze elkaar aan? Kan Yoders geweldloosheid standhouden, of maakt hij zich er gemakkelijk van af? En levert Versluis’ studie daaraan een bijdrage?

Versluis: Geen verbond, geen genade
In zijn dissertatie doet Versluis onderzoek naar twee vragen. Wat zegt het bevel uit Deut 7 over ons beeld van God? En roept deze tekst in deze tijd ook nog op tot geweld? Voor hij tot een Bijbels-theologische bespreking van deze vragen kan komen is er grondige exegese en behandeling van de voor-vragen nodig. Vragen als: werd het bevel letterlijk gegeven en bedoeld, of kan het ook op een andere manier opgevat worden? Wat was de context van het bevel, historisch en tekstueel, etc.? Na een uitgebreide situering en exegese van Deut 7 komt Versluis tot het standpunt dat het gebod in Deut 7 om de zeven Kanaänitische volken uit te roeien, de werkelijke uitroeiing van deze volken bedoelt [2]. Hij beschrijft de vroege receptie van het uitroeiingsbevel, onder andere in het Nieuwe Testament, en recente interpretatiemodellen [3].

Versluis onderscheidt daarin drie modellen: 1. ontkenning, 2. rechtvaardiging, en 3. Correctie [4]. De ontkenning kan gebeuren op grond van historische argumenten (de volken zijn nooit echt uitgeroeid) of van theologische argumenten (God kan nooit het uitroeien van volken gewild hebben). Het tweede model is het rechtvaardigen van dit bevel, om verschillende redenen. Zo stellen sommige theologen dat Gods opdrachten per definitie rechtvaardig zijn. Anderen rechtvaardigen het bevel met een beroep op de zonde van de Kanaänitische volken. Ten slotte wordt het bevel ook gerechtvaardigd door te verwijzen naar Gods aanpassing aan het (morele) niveau van de Israëlieten. Het derde model is dat van correctie. Binnen het Oude en Nieuwe Testament wordt dit bevel theologisch en ethisch gecorrigeerd. Naast dat hij zijn waardering uitspreekt, wijst Versluis op de zwakke punten in deze vormen van argumenteren.

Vervolgens komt hij met een eigen Bijbels-theologische plaatsbepaling [5]. Het bevel om de volken uit te roeien staat niet op zichzelf, maar is direct verbonden met de mogelijkheden om God te kunnen dienen:

‘Het belang van het uitroeiingsbevel wordt bevestigd door de plaats van Deut 7 binnen het geheel van Deuteronomium. Deut 12-26 bevat voorschriften voor het leven in Kanaän: Deut 5-11 geeft het kader van deze wetten aan. In de huidige vorm van het boek Deuteronomium heeft Deut 7 een plaats in dit kaderstellend gedeelte. Dit maakt duidelijk dat het gebod om de Kanaänitische volken uit te roeien niet slechts een van de geboden is, maar onderdeel uitmaakt van de voorwaarden voor het volbrengen van alle geboden. De plaats van Deut 7 in de canonieke tekst van Deuteronomium suggereert dat het uitroeiingsbevel van groot belang wordt geacht en nauw verbonden is met het dienen van JHWH.’ [6]

De volken worden gedood vanwege hun slechte praktijken en omdat ze, als ze blijven voortbestaan, de Israëlieten zullen verleiden tot deze levensstijl [7]. In de beschrijving van de volken en het kwaad dat ze bedrijven verworden ze tot een symbool van het kwaad. Zelfs in een eschatologische tekst als Zacharia 14 worden de volken genoemd: ‘op die dag zal er geen Kanaäniet meer zijn in het huis van JHWH’. Omdat de volken het kwaad symboliseren, krijgt de uitroeiing trekken van de strijd tegen het ultieme kwaad, en wordt ze een verwijzing naar het eindgericht. Dit sluit aan bij de eschatologische verwachting in het Oude Testament zelf en bij de vloek over Kanaän in Genesis [8].

Het gebod om de volken uit te roeien is nauw verbonden met het karakter van JHWH [9]. Gods liefde voor Israël kan blijkbaar ten koste gaan van andere volken [10]. Het samengaan van JHWHs liefde en zijn toorn, zijn barmhartigheid en zijn gerechtigheid, is diep verworteld in het Oude Testament [11]. Hoe zit dat in het Nieuwe Testament? Hier zien we een aantal zaken veranderen: er breekt een nieuwe fase aan in Gods ‘heilshandelen’. Gods ‘uitverkiezen’ verbreedt zich van Israël naar de volken en er worden geen volken meer geoordeeld, maar individuen. Er wordt in het Nieuwe Testament nadrukkelijker vermeld dat oordeel en uitvoering van het oordeel bij God liggen. Gods oordeel wordt in het Nieuwe Testament grotendeels verlegd naar de toekomst. Verder kan er niet over het oordeel van God gepraat worden dan in het licht van Jezus’ dood aan het kruis. Concluderend zegt Versluis dat de opdracht tot uitroeiing klinkt in een specifieke situatie De opdracht tot uitroeiing klinkt in een specifieke situatie,  het maakt deel uit van Gods unieke handelen met Israël in de geschiedenis [12].

Terug naar zijn twee kernvragen: Wat zegt dit over God? Hoewel God liefde is, kan het geweld niet helemaal uit hem weggehaald worden, zoals blijkt uit deze tekst, maar ook uit eschatologische teksten uit bijvoorbeeld Openbaring. Kunnen we ons op Deut 7 beroepen als we over willen gaan tot gewelddadig gedrag? Het uitroeiingsbevel beperkt zich tot een concrete tijd (de verovering van Kanaän) en tot bepaalde volken. Hierom en vanwege de veranderde rol van de volken in het Nieuwe Testament, kan er niet op Deut 7 teruggegrepen worden om geweld te rechtvaardigen. Kortom, omdat God zich in zijn Zoon Jezus Christus volledig heeft uitgesproken (Hebreeën 1:1-2) is in het licht van Gods openbaring in het Nieuwe Testament een herhaling van het uitroeiingsbevel in het heden uitgesloten en is een beroep hierop om enige vorm van geweld te rechtvaardigen, volstrekt af te wijzen [13].

Yoder: van de oorlogen van Jozua naar pacifisme
Yoder schrijft in verschillende contexten over wat hij ‘de oorlogen van JHWH’ noemt. De insteken die hij kiest zijn daarbij verschillend, de lijnen die hij trekt zijn grotendeels hetzelfde.

In het nawoord van het hoofdstuk ‘God will fight for us’ in de tweede herziene druk van The Politics of Jesus stelt hij dat sinds Marcion het beeld van de God van de oude Israëlieten als een gewelddadige oorlogsgod nogal beschamend is voor christenen. Maar, ‘het bovenstaande hoofdstuk gaat niet op dit beschamende punt in, omdat de focus niet onze moderne lezing van het erfgoed van de heilige oorlog is, maar hoe dat erfgoed functioneerde in de eerste eeuw, als achtergrond van Jezus’ gedachten en van zijn tijdgenoten over de mogelijkheid van Gods ingrijpen in de geschiedenis.’ [14]

Kortom, Yoder steekt in bij hoe de verhalen over de oorlogen van JHWH verwerkt worden binnen de traditie van het volk Israël. Dit punt maakt Yoder aan het begin van elk artikel over de heilige oorlog dat hij schrijft. Naast de te directe ethische vraag (wat zeggen de oorlogen van JHWH over onze ethische keuzes nu) is ook ‘slechts’ de historische vraag stellen volgens Yoder te beperkt: ‘De waardering van de gemeenschap van bepaalde teksten als ‘canoniek’ en haar selectie van bepaalde thema’s boven andere, als richtlijn voor latere gelovigen, moet ook onderzocht worden, misschien nog meer dan de tekst zelf.’ [15] Hoe de teksten over de heilige oorlog geïnterpreteerd zijn door de gelovige gemeenschap daarna, is voor ons een insteek waar we rekening mee moeten houden [16].

In ‘God will fight for us’ (1972) beschrijft Yoder hoe de verhalen over de heilige oorlogen van JHWH door de gelovige Jood gelezen werden als zijn eigen verhalen. Een van de lijnen van het oudtestamentische verhaal is dat JHWH gezien wordt als de God die zijn volk redt, zonder dat het zelf hoeft te handelen. Dat zie je bij de exodus en bij de verovering van het land Kanaän. God opent de Rode Zee en laat vervolgens de soldaten van de farao verdrinken, God haalt de muren van Jericho naar beneden, terwijl het volk alleen hoefde rond te marcheren en te juichen. De Israëlieten hoefden niets te doen, behalve geloven en gehoorzamen. Geloven betekent daarbij heel concreet: op God vertrouwen voor hun overleven als volk [17]. Yoder trekt daarbij lijnen door heel het verhaal van het Oude Testament van de koningen tot Ezra.

In The Original Revolution (1971) gaat Yoder uitgebreider in op het fenomeen ‘heilige oorlog’. Net als Versluis gaat hij in op een aantal ‘ontsnappingen’, die hij vervolgens afwijst [18]. Hij wil daarna focussen op hoe het fenomeen heilige oorlog toen gezien en ervaren werd. Of: ‘Wat voor een sociaal fenomeen was heilige oorlog in het oude Israël? We moeten ons afvragen, (…), niet hoe het verschilt van nieuwtestamentisch discipelschap, maar hoe het functioneerde in haar eigen culturele context.’ [19] En iets later geeft hij aan dat de vraag of je wel mag doden een verkeerde insteek is om mee te beginnen, als je de verhalen tenminste recht wilt doen [20].

Yoder noemt een aantal kenmerken van de heilige oorlog [21]. Wat opvalt is dat de vraag of het doden goed of slecht is, in de verhalen zelf niet aan de orde komt. De heilige oorlog van het oude Israël is een religieuze of rituele gebeurtenis. Het woord herem duidt daar ook op: voordat een stad werd ingenomen werd die gewijd aan JHWH. Iedereen werd gedood, niet als wraakoefening, maar als een offer aan God. De heilige oorlog is niet het resultaat van een strategische planning, maar een ad hoc charismatisch gebeuren De heilige oorlog is een charismatisch gebeuren. Als Israël wint is dat niet het gevolg van de moed van Israëls soldaten, maar van het handelen van God. Kortom, de houding waartoe de heilige oorlogen oproepen is die van geloof. Dat geloof of emunah is niet het verstandelijk be-amen van bepaalde ideeën over God, over de staat of wat dan ook. Ook is het geen innerlijke houding. Geloof is overgave: alles durven inzetten op het feit dat God gaat ingrijpen [22].  Als de Israëliërs een koning willen hebben als alle andere koningen en een paraat leger als alle andere volken, eindigen de heilige oorlogen, dat wil zeggen Gods bijzondere ingrijpen in tijden van oorlog [23]. De hamvraag wordt dan niet meer of God gaat ingrijpen, maar hoe sterk Israëls troepen zijn.

Hoe wordt dit uitgewerkt door de profeten? Zij zeggen niet: Israël heeft de Amalekieten gedood en daarom moeten we alle vijanden van God ter dood brengen. Nee, ze benadrukken telkens: JHWH heeft in het verleden ook ingegrepen, kunnen we voor de toekomst hem ook niet vertrouwen? De impact van deze profetische uitspraken was gericht tégen het ontwikkelen van een militaire stand, militaire bondgenootschappen en een maatschappij die gebouwd is op de beschikbaarheid van militaire macht [24].

In ‘From the Wars of Joshua to Jewish Pacifism’(1983) [25] beschrijft Yoder het narratieve kader dat dit oplevert voor de gelovige Israëliet in de tijd van Jezus: hij wordt niet opgeroepen om sterk en moedig te strijden (wat Yoder de ‘Zelotische optie’ noemt), maar om op God te vertrouwen. Zij die ‘de vertroosting van Israël verwachtten’ (Lucas 2:25) zouden in deze verhalen een model hebben kunnen zien van hoe God ook nu weer zou kunnen handelen [26].

Als de hoop van Israël gebaseerd is op de verhalen van de heilige oorlogen, waarbij God zelf handelt en het volk stil moet zijn, dan heeft dat ook grote gevolgen voor hoe we de woorden van Jezus zien over het koninkrijk van God. Voor de luisteraar waren ze niet ‘onrealistisch’ of ‘onmogelijk’. Het sloot aan bij het verhaal van hoe God gehandeld had voor zijn volk. Dat is de grond waarop de woorden van Jezus vielen toen hij ze uitsprak. En als we door Jezus gaan horen bij de God van Israël, kunnen wij ons deze geschiedenis ook eigen maken en gaan zien als een deel van onze geschiedenis, in die zin dat we het evangelie leren zien als een organisch vervolg op de oorspronkelijke vroeg-Israëlische ervaring en visie, in plaats van een verwerping ervan. Als we dat leren, dan is het niet onmogelijk om te leven volgens de woorden van de bergrede, of volgens de regels van het Jubeljaar. Als God handelt hoef je jezelf niet te handhaven Als God handelt hoef je jezelf niet te handhaven. Je hebt namelijk geleerd dat je zelf de geschiedenis niet hoeft te ‘maken’, maar dat je op God kunt vertrouwen.

Of zoals Yoder stelt in ‘To your tents, O Israel’ (1989): Wat betekent dat voor ons in de twintigste eeuw? Is dat ‘vertrouwen’ te vertalen naar het heden? Het is goed – en het is een systematisch-theologische opdracht – om de vraag te stellen wat het erfgoed van ‘de oorlog van JHWH’ betekent voor een gelovige gemeenschap duizenden jaren later. De insteek daarbij is dat ‘geloof’ daarin vooral een pas op de plaats maken is, en JHWH zijn reddende werk laten doen [27].

Een vergelijking
Als we Versluis en Yoder lezen en vergelijken, valt ten eerste een aantal overeenkomsten op.

  • Beiden nemen de tekst zoals die voor ons ligt.

  • Beiden lezen die tekst in de context van de canon.

  • Beiden wijzen een aantal dilemma’s en ‘ontsnappingen’ af en erkennen dat de verhalen deel uit maken van de eigen historie.

  • Dat geeft beiden een loyaliteit aan de tekst en aan de God van die teksten, een loyaliteit die de nodige vragen oproept omdat beiden geweld en genocide afwijzen. [28]

Ook zien we een aantal verschillen:

Canon
Ik gaf aan dat beide auteurs de oproep tot geweld bespreken binnen het grotere geheel van de canon. Hoe ze dit vervolgens uitwerken, verschilt sterk. Versluis werkt met peilpunten: waar komen de zeven volken nog meer voor in de canon? Vanuit een extern aangedragen [29] visie op de ontwikkelingsgang van het Oude naar het Nieuwe Testament trekt hij bepaalde lijnen. Die lijnen zijn een ontwikkeling van collectief naar individueel (een veranderende visie op de volken) en van materieel naar geestelijk. Dit laatste punt komt bij Versluis voort uit de visie dat er in het Nieuwe Testament nadrukkelijker uitgesproken wordt dat het oordeel en de uitvoering daarvan bij God liggen, en in het spoor daarvan komt hij tot een vergeestelijking van de strijd [30].

Naast dat die visie weinig doet met de laatste veertig jaar aan nieuwtestamentisch onderzoek (Sanders, Dunn, Wright [31]), zorgt deze benadering ervoor dat de tekst niet voluit kan spreken omdat het door de bekende theologische mal wordt gehaald. Je komt uit bij wat je van tevoren al wist. Het onderzoek van Versluis, hoewel het een zware exegetische body heeft, is in dat opzicht magertjes en weinig verrassend.

Yoder is van mening dat de canon erom vraagt ‘directional’ gelezen te worden: het verhaal van de Bijbel leidt ergens naartoe. Dat de gemeenschap bepaalde teksten als canoniek heeft gezien, en bepaalde thema’s boven geselecteerd heeft, geeft een richtlijn om in mee te gaan. In een reactie op een historisch onderzoek naar de oorlogen van JHWH van Michael Walzer, bekritiseert Yoder hem bijvoorbeeld op een aantal punten dat hij niet onderzoekt [32]. Hij noemt dan de complexiteit van een cultische praxis als de herem en de relatie heilige oorlog en koningschap (het eindigen van de oorlogen van JHWH als het koningschap opkomt).

Die kritiek zou je ook kunnen toepassen op het onderzoek van Versluis. De theologische lijnen die wel uit de thematiek zelf opkomen – vanuit de cultische praxis van de herem, vanuit het fenomeen heilige oorlog, hoe dit eindigt als Israël een koning krijgt als alle andere volken, hoe de profeten erop teruggrijpen, etc. – trekt Versluis niet. En dat terwijl Deut 7 bij uitstek een hoofdstuk is waarin deze thema’s expliciet aan de orde komen. Deut 7 laat zien dat hoewel God Israël opdracht geeft de volken te doden, het geen strijd van henzelf is. Nee, JHWH zal voor hen strijden. Door het hele hoofdstuk wordt benadrukt dat God de overwinning schenkt (vs 2), de vijanden zal uitleveren (vs 16), zal optreden (vs 19), hen op de vlucht zal jagen (vs 22). Kortom, het is God die handelt. De reden achter de opdracht om te doden is de herem, de ban van JHWH.   

De waarschuwing van Yoder dat de directe vraag naar het beeld van God, en de directe ethische vraag of je wel mag doden, belemmerend kunnen zijn voor het lezen van het Hebreeuwse verhaal over Gods handelen met het volk Israël, lijkt op Versluis’ onderzoek van toepassing. Dat leidt ertoe dat Versluis zijn tweede hoofdvraag (zit er nog een geweldspotentieel in dit bevel?) alleen kan beantwoorden met wat Yoder ‘moral minima’ noemt: het bevel om de volken uit te roeien mag nu niet leiden tot geweld.  Yoder schrijft in dit kader: Maar wij moeten ons niet bezighouden met minimale morele vereisten, we moeten ons daarentegen richten op doxologie [33]. Voor Yoder is een doxologische insteek een ruimhartige viering van een ethiek van de navolging in het leven van de gelovige gemeenschap. Als we erop vertrouwen dat God handelt, kunnen wij geweldloos zijn Als we erop vertrouwen dat God handelt, kunnen wij geweldloos zijn. Vandaar dat hij de uitkomst dat iets niet mag te minimaal vindt. Zijn vraag zou eerder zijn: waar roept een tekst toe op en hoe kunnen we hier ruimhartig vorm aan geven?

Godsbeeld
Een van de hoofdvragen van Versluis is wat het bevel tot uitroeiing van de zeven Kanaänitische volken voor gevolgen heeft voor ons beeld van God. Een beeld van God stelt Yoder over het algemeen niet aan de orde. Ook de vraag niet of het voor een christenpacifist een probleem is dat God gewelddadig blijkt te zijn. Uitzondering daarop is het uitgebreide artikel ‘To your tents, O Israel’. Onder het kopje ‘The “humanization” of God’ [34] stelt hij deze vraag aan de orde, en hoe ze in de loop van de tijd is gesteld. Eerst was er sprake van een duidelijk dualisme tussen God en zijn volk. Gods wegen zijn niet onze wegen. Als wij geroepen zijn tot geweldloosheid, hoeft dat voor God niet te gelden. Maar er zit door de hele lijn van de Bijbel een proces dat Yoder ‘the progressive humanization of God’ (de voortgaande vermenselijking van God) noemt. Dat zit in een gebod als ‘Weest heilig, want Ik ben heilig’, maar ook in het antropomorfe (menselijke) spreken over God. Als Jezus over zichzelf zegt: wie mij gezien heeft, heeft de Vader gezien, lijkt dit dualisme helemaal weg te vallen. Of als Jezus zegt dat als God zijn vijanden liefheeft, wij daar ook toe geroepen zijn. De vraag dringt zich dan weer op: als de God waarin je gelooft gewelddadig is, gaat dit mensen dan niet inspireren tot eigen geweld?

En: wat doet dit geweld waartoe God oproept in het Oude Testament met ons godsbeeld? Yoder erkent die vraag en noemt kort wat oplossingen die volgens hem niet voldoen. Vervolgens parkeert hij de vraag echter en zegt: Voor dit moment is het niet nodig dat deze kwestie opgelost wordt om het Hebreeuwse verhaal (van de oorlogen van JHWH) goed te kunnen lezen [35]. De vraag naar ons beeld van God naar aanleiding van Deut 7 is dus een vraag die Yoder niet expliciet stelt of beantwoordt. Hij wil hem wel even genoemd hebben, omdat hij die vaak als een belemmering ziet functioneren om het verhaal van de oorlogen van JHWH goed te lezen. Die belemmeringen zien we bij Versluis, want Versluis leest de teksten niet zoals Yoder dit graag ziet.

Tegelijkertijd dwingt de vraag van Versluis zich ook op aan de theologie van Yoder. Het godsbeeld dat Yoder ons namelijk presenteert, ook al maakt hij dit niet expliciet, is dat van God als strijder. Dat levert een aantal vragen op voor een gemeenschap die geweldloos wil zijn.

Hoe kan het dat de geweldloze Zoon, die de diepste openbaring van de Vader is, een Vader heeft die gewelddadig is? Betekent het geweld dat aan de Vader wordt toegeschreven niet dat christenen toch geloven in ‘the myth of redemptive violence’ (een mythe die christenen in Jezus toch ontmaskerd hebben)? Als we Jezus’ geweldloosheid moreel hoogstaand vinden, wat moeten we dan vinden van een God die toch naar geweld grijpt? En is het genoeg dat Yoder focust op de geweldloosheid van Jezus’ leven op aarde? Of wordt de vraag naar het gewelddadige in God alleen maar meer prangend?

Yoder parkeert dit thema stelselmatig, en door hoe hij zijn eigen vragen stelt en andere vragen afwijst, sorteert hij duidelijk voor in hoe hij de stof behandelt [36]. Versluis’ verdienste is dat hij die prangende vraag wel aangaat en daardoor ook duidelijker laat zien wat Yoder nalaat [37] Versluis laat zien wat Yoder nalaat. Zeker gemeenschappen die (geïnspireerd door Jezus)  geweldloos willen leven, kunnen niet om de vraag naar het beeld van God heen. Of zoals Gingerich het verwoordt: ‘De theologie van een geweldloze Jezus, van wie christenen belijden dat hij de diepste openbaring is van een God die ook de JHWH is van de heilige oorlog, is een probleem voor de ‘believer’s church’ van nu.’ [38]  

Conclusie
John Howard Yoders benadering stelt een aantal vragen aan die van Versluis. Is zijn vraagstelling geen belemmering om het verhaal van de oorlogen van JHWH (en haar receptie binnen de geloofsgemeenschap) goed te lezen? Ziet Versluis de canon wel goed, met name het directionele karakter ervan? Ook stelt Yoders benadering vragen naar de juistheid van de Bijbels-theologische lijnen die Versluis trekt. En met name naar de lijnen die hij niet trekt. De uitkomst dat Deut 7 geen rechtvaardiging kan geven voor het gebruik van geweld nu, zou Yoder te minimaal vinden. Hij ziet in de oorlogen van JHWH reden tot een doxologisch leven, waarin we vieren dat God de geschiedenis leidt, en wij het heft niet in eigen handen hoeven te nemen. God zal handelen en wij zijn stil (Exodus 14:14).

Versluis’ directe vraag naar wat het gebod tot de uitroeiing van de volken zegt over ons beeld van God, blijkt ook een prangende vraag te zijn voor Yoders benadering. Yoder parkeert of ontwijkt die vraag consequent, waardoor deze als een zwaard van Damokles boven de geweldloze gemeenschap hangt. Wie is de God die wij aanbidden en navolgen? Versluis’ directe vraag maakt duidelijk dat, ook als we in de lijn van Yoder willen verder denken, we om deze vraag niet heen kunnen.

Gebruikte literatuur
Gingerich, R. C., ‘Theological Foundations for an Ethics of Nonviolence: Was Yoder's God a Warrior?’,
    in: Mennonite Quarterly Review, juli 2003, nr. 3.
Nugent, J.C., ‘Biblical Warfare Revisited: Extending the Insights of John Howard Yoder’, in: Bergen,
    J.M., Siegrist, A. G., Power and Practices. Engaging the Work of John Howard Yoder, Herald
    Press, 2009, p. 167-184.
Peels, H.G.L., 'Opdat wij geen lust tot het kwade zouden hebben...', in: Wapenveld, jaargang 57,
    nummer 1, februari 2007.
Stoltzfus, P.E., ‘Nonviolent Jesus, Violent God? A Critique of John Howard Yoder’s Approach to
Theological Construction’, in: Bergen, J.M., Siegrist, A. G., Power and Practices. Engaging the
Work of John Howard Yoder, Herald Press, 2009, p. 29-46.
Versluis, A., Geen verbond, geen genade. Analyse en evaluatie van het gebod om de Kanaänieten uit
    te roeien (Deuteronomium 7), Boekencentrum Academic, 2012.
Yoder, J.H., The War of the Lamb. The Ethics of Nonviolence and Peacemaking, Brazos, 2009.
Yoder, J.H., The Politics of Jesus, Eerdmans, 1994 (2).
Yoder, J.H., ‘Texts that serve or texts that summon? A Response to Michael Walzer, in:  Journal of
    Religious Ethics, 20 no. 2, Fall 1992, p. 229-234.
Yoder, J.H., ‘“To your tents, O Israel”: The legacy of Israel’s experience with holy war’, in:  Studies in
    Religion, 18 no. 3, 1989, p. 345-362.
Yoder, J.H., ‘Introduction’ to Lind, M.C. Yahweh is a Warrior. The Theology of Warfare in Ancient    Israel, Herald Press, 1980.
Yoder, J.H., The Original Revolution. Essays on Christian Pacifism, Herald Press, 1971

  1. Zie bijvoorbeeld Stanley Hauerwas, Een robuuste kerk, 2010, en Shane Claiborne, Hoe Jezus de wereld op zijn kop zet (en mijn leven ook), 2009.
  2. Versluis, p. 260.
  3. Versluis, p. 269vv.
  4. Versluis, p. 280vv.
  5. Versluis, p. 292vv.
  6. Versluis, p. 294.
  7. Versluis geeft een paar keer aan dat het opvallend is dat het bezit van het land nooit als motivering wordt genoemd om de volken uit te roeien. Dit doet hij waarschijnlijk om zionisten de wind uit de zeilen te nemen, mochten ze willen teruggrijpen op een tekst als Deut 7.
  8. Versluis, p. 301-304.
  9. Versluis, p. 304.
  10. Versluis, p. 305.
  11. Versluis, p. 308.
  12. Versluis, p. 310-313.
  13. Versluis, p. 316.
  14. Yoder, The Politics of Jesus, p. 86.
  15. Yoder, ‘To your tents, O Israel’, p. 347.
  16. Of sterker nog: The canonical collection demands that it be read as directional. ‘To your tents, O Israel’, p. 354.
  17. Yoder, The Politics of Jesus, p. 79.
  18. Yoder noemt ‘The New Dispensation’, ‘A Shift of Degree; Concession to Disobedience’, ‘The Pedagogical Concession’ en ‘The Division of Levels or Realms’. Yoder, The Original Revolution, p. 86-93.
  19. Yoder, The Original Revolution, p. 97.
  20. Yoder, The Original Revolution, p. 97.
  21. Yoder maakt uitgebreid gebruik van Millard C. Lind – Yahweh is a Warrior. The theology of Warfare in Ancient Israel, waar hij ook een introductie voor geschreven heeft.
  22. Yoder, ‘To your tents, O Israel’, p. 350.
  23. Yoder, The Original Revolution, p. 98, 99.
  24. Yoder, The Original Revolution, p. 99.
  25. Yoder, The War of the Lamb, p. 67vv.
  26. Yoder, The War of the Lamb, p. 70.
  27. Yoder, ‘To your tents, O Israel’, p. 355.
  28. Vgl. Yoder, ‘Texts that serve or texts that summon?’, p. 229.
  29. Hoewel Versluis dit niet expliciet maakt, werkt hij vanuit de gereformeerde notie van heilsgeschiedenis. Zie ook: Peels 'Opdat wij geen lust tot het kwade zouden hebben...' in Wapenveld, jaargang 57, nummer 1, februari 2007.
  30. Versluis, p. 315, 316.
  31. Recent Paulus-onderzoek (ook wel New Perspective on Paul genoemd) maakt duidelijk dat er van een vergeestelijking van het Oude naar het Nieuwe Testament geen sprake is. Ook doet de visie geen recht aan het veelvuldig voorkomen van de thematiek rond de volken in het hele Nieuwe Testament, zelfs tot in Openbaring 21 en 22. Peels erkent dit ook in ‘Opdat wij geen lust tot het kwade zouden hebben…’: ‘Overigens laat zich moeilijk ontkennen dat ook in Openbaring het fenomeen van de collectieve straffen een plaats krijgt: hele bevolkingsgroepen worden erdoor getroffen.’ Zie voor een kort overzicht van The New Perspective on Paul het Paulus themanummer van Soteria, jaargang 29, nummer 1, 2012.
  32. Yoder, ‘Texts that serve or texts that summon?’, p. 229-234.
  33. Yoder, ‘To your tents, O Israel’, p. 362.
  34. Yoder, ‘To your tents, O Israel’, p. 360.
  35. Yoder, ‘To your tents, O Israel,’ p. 361.
  36. Voor inzicht in Yoders manier van redeneren en de vragen die dit oproept, zie Gingerich, ‘Theological Foundations for an Ethics of Nonviolence’.
  37. Philip Stoltzfus bekritiseert Yoder daarin eveneens dat hij zijn theologische taak niet serieus neemt door niet constructief na te denken over wat voor een godsbeeld dit oplevert, in ‘Nonviolent Jesus, Violent God?’
  38. Gingerich, ‘Theological Foundations for an Ethics of Nonviolence’, p 2. John C. Nugent doet een poging in zijn artikel ‘Biblical Warfare Revisited’. Hij probeert daarmee marcionitische tendenzen te overstijgen en wel de Bijbels-theologische lijnen die Yoder trekt (‘The Jeremiac Turn’) te handhaven.