Halverwege de Afsluitdijk

Gouden moment

Meestal kom ik er pas in de stilte van de vroege nacht en ruim na de deadline aan toe om te schrijven. Ik doe dat meestal met weinig tegenzin en heb zelden last van een gebrek aan opvattingen die ik kwijt wil. Toch heb ik voor deze bijdrage langer dan anders naar een bijna smetteloos wit scherm zitten te staren.

Veel van mijn jeugd passeerde de revue, zonder dat één moment zich kwalificeerde voor goud. Zo heeft mijn moeder me leren bidden en heeft mijn vader elke maaltijd thuis en iedere zondag in de kerk de Schriften voor me geopend. En onze huisliturgie heeft me het ritme van de psalmen bijgebracht. Op zondagochtend psalm 122 en ´s avonds psalm 92, op verjaardagen de psalm van je leeftijd, op Oudjaarsavond psalm 91 en voordat we op vakantie gingen en een eind gingen rijden psalm 121. Het is het ritme dat ik in een nieuwere vertaling bij mijn eigen kinderen probeer te laten resoneren.

Wat me evenzeer is bijgebleven is de manier waarop mijn ouders de bevindelijk-gereformeerde franje konden relativeren en over kerkmuren heen keken. Mijn vader trotseerde de binnenkerkelijke afkeur door wel naar die interkerkelijke predikantenconferentie te gaan. Ik herinner me de manier waarop ze binnenskamers konden glimlachen om kerkelijke gewichtigheid, al te vroom jargon. Tegelijk ging deze kritische distantie tot de eigen subcultuur hand in hand met grote loyaliteit en trouw aan de bevindelijk-gereformeerde traditie waarin ze waren opgegroeid. Het is de ruimte waarin ik zelf heb leren ademen en geloven. Ik ben mijn ouders er dankbaar voor.

Ik ben mijn ouders zelfs dankbaar voor het plichtsbesef dat ze me leerden. Zodat je ook gewoon stoelen gaat zetten als die vaardigheid niet direct als eerste uit je gaventest kwam. Zodat je niet wegloopt als het lastig wordt, niet denkt dat een ander het wel zal doen als de bloemen met een groet van ons allen bij een zieke bezorgd moeten worden. Ik ben ze dankbaar voor hun aanmoediging om het niet te lang over jezelf te hebben maar vooral die ander eens een vraag te stellen en een praatje te maken met die jongen die al een tijdje alleen staat.

Toen mijn jeugd zo langs trok, was er opeens dat ene moment. In 1977, het jaar dat mijn ouders zich geroepen wisten om een kerk te planten in Leeuwarden. Het is het moment dat ik me als achtjarige, samen met ouders, zussen en broers, in een blauwe Opel ergens halverwege de Afsluitdijk bevond. En hoe verder we op die eindeloze dijk vorderden, hoe verder mijn ouders een goede baan, mooi huis en genoeglijk leven in hun geboortedorp achter zich lieten en hoe dichter we bij een onbekende toekomst in de Friese hoofdstad kwamen. Als ik me dat moment weer voor de geest haal, zie ik opnieuw mijn ouders’ totale overgave aan hun roeping, aan God zelf. Ik zag op dat moment dat ze al hun kaarten op God zetten en bereid waren veel op te geven om Hem te volgen.

Veertien jaar na dat gouden moment hield mijn vader in Leeuwarden een preek waarvan hij toen nog niet wist dat het zijn laatste zou worden. Twee woorden van Jezus stonden centraal: ´Volg Mij’. Het waren de twee woorden waarna Matteüs was opgestaan en met Jezus was meegegaan, woorden waardoor mijn vader de Afsluitdijk over was gestoken en die toen die zondag in 1991 tot mij werden gericht. Een maand later zou ik belijdenis doen, negen jaar later zou ik met mijn vrouw en onze kinderen naar Egypte worden uitgezonden en drieëntwintig jaar later zou ik een gouden moment herontdekken en dit stukje schrijven.

Gert-Jan Segers is Tweede Kamerlid voor de ChristenUnie.