Film als 'het-kan-ook-anders-machine

Op 28 december 2015 was het precies 120 jaar geleden dat in PArijs de eerste commerciële filvertoning werd georganiseerd door Auguste en Louis Lumière. sindsdien groeide de cinema van een modern technisch speeltje tot een industrie waarin miljarden dollars omgaan - maar voor velen is de betovering van de filmkunst nog even groot als voor die allereerste filmbezoekers in een café in Parijs.

Hoewel film in christelijke kring vanaf het begin met een zekere argwaan is bekeken, is filmkijken voor veel hedendaagse christenen geen taboe meer. Waarin schuilt de magie van film en waarin schuilt zijn waarde? Is film slechts ‘leeg’ entertainment of helpt het ons verder in het begrijpen van de wereld, God en onszelf? Deze vraag heeft theologen, psychologen en filosofen beziggehouden vanaf het begin van de filmgeschiedenis. In deze rubriek wil ik films vanuit een positieve insteek benaderen. Steeds meer studies in het opkomende wetenschapsveld van film en theologie benadrukken de belangrijke psychologische, theologische en maatschappelijke functies van het medium. Films houden een spiegel van onszelf voor en vormen een venster op de werkelijkheid. Voorbeelden zijn documentaires als The Look of Silence (Joshua Oppenheimer, 2014) waarin de gewelddadige geschiedenis van Indonesië op helende wijze wordt onderzocht, of magistrale fictiefilms als The Son of Saul (Lászió Nemes, 2015) waarin de kijker onontkoombaar in het hoofd van een lid van een Sondernkommando uit Auschwitz wordt gezogen.

Een film hoeft niet loodzwaar te zijn om een functie te hebben: ook typische Hollywoodfilms of populaire komedies als Intouchables (Olivier Nache & Eric Toledano, 2011) over de onwaarschijnlijke maar ontroerende vriendschap tussen een rijke Parijzenaar met een dwarsleasie en zijn Afrikaanse hulp uit de banlieues hebben wat te zeggen.

Vaak worden amusement en escapisme als verdacht of op zijn minst ‘leeg’ gezien, maar uit onderzoek blijken ze wel degelijk een functie te hebben. Escapisme is een manier om de wereld ook eens van een andere kant te bekijken en het positieve van het leven te benadrukken. Tolkien wees in zijn beroemde essay On Fairy Stories ('Over Sprookjesverhalen') al op de waarde van escapisme. In de mens ligt een onbedwingbare drang om terug te keren naar een wereld waarin het allemaal 'goed' was. Christelijk gezegd: het verlangen naar het leven voor de zondeval. We zijn allemaal op zoek naar een terugkeer naar het paradijs.

Tolkien wijst hier op de 'troost van het Happy End', de Eucathastrophe, zoals hij het noemt. De ultieme twist in het verhaal, waar een dreigende ramp opeens –  en onverdiend –  goed eindigt. Voor Tolkien wijst onze hunkering naar dit happy end vooruit naar de vreugde die we ooit zullen meemaken in het eschaton. Tolkien doelde in On Fairy Stories voornamelijk op het genre fantasy, maar de waarde van het happy end geldt evenzeer voor Hollywoodfilms, die voor een groot gedeelte hetzelfde eeuwenoude stramien volgen als mythes en sprookjes [1]. Filmkijken als amusement is dus niet zomaar een leeg tijdverdrijf. Het vervult een belangrijke psychologische functie waarmee we het leven weer even aankunnen.

Tegelijkertijd kan film veel meer dan dat. Films kunnen ons ook verder helpen in ons geloofsleven of ons ethisch oordelingsvermogen scherpen. De Engelse theoloog Clive Marsh heeft in diverse boeken en artikelen laten zien hoe filmkijkers veel meer uit films halen dan alleen ontspanning. Films functioneren ook als een ‘what if-scenario’, zegt Marsh: een manier om te oefenen met situaties die zich ook in je eigen leven kunnen voordoen. Om weer even het voorbeeld van Intouchables aan te halen: net als de verlamde Philippe leert ook de kijker van de ogenschijnlijk kansloze Driss dat het leven altijd nieuwe mogelijkheden biedt. De populariteit van de film ligt precies in deze positieve boodschap.

In mijn eigen promotieonderzoek onder orthodox-protestantse filmkijkers (medio 2016 te verdedigen aan de ETF Leuven en VU Amsterdam) werd Intouchables door respondenten vaak aangehaald als tegenhanger van het Spaanse Mar Adentro (Alejandro Amenábar, 2004), die tijdens het onderzoek werd vertoond. Hier speelt Javier Bardem de rol van Ramón Sampedro, die na een zwemongeluk een dwarsleasie oploopt en al decennialang strijd levert om euthanasie te mogen plegen. Beide films confronteerden de kijkers met een situatie die ze in hun eigen leven nooit hebben meegemaakt (en hopelijk nooit zullen meemaken), maar Mar Adentro kiest de negatieve insteek en Intouchables de positieve (wat voor veel respondenten toch makkelijker was om mee te maken). Slechts weinig respondenten waren het na de vertoning van Mar Adentro helemaal met Ramóns doodswens eens, maar wel gaf de film hen de ruimte om te reflecteren op de morele dilemma's en thema's die in Mar Adentro naar voren komen: is euthanasie ooit gelegitimeerd en wat is eigenlijk de waarde van Ramóns leven?

Een beroemd Amerikaans filmcriticus, Roger Ebert, noemde film een ‘empathy machine’: door middel van films identificeren we ons met mensen van allerlei allooi. We gaan hun kant van de zaak zien, zonder dat we onze eigen standpunten hoeven op te geven. In het geval van mijn onderzoek bleek hoe mensen voor de duur van Mar Adentro van harte meeleefden met Ramón om na afloop toch aan hun eigen visie op euthanasie vast te houden. Wel gaven sommige deelnemers aan dat de film hen op verschillende manieren nieuwe mogelijkheden in hun eigen leven liet zien. De esthetische aspecten van de film (de trage manier waarop het verhaal werd verfilmd, de muziek en het camerawerk, et cetera) boden hen de ruimte om zich te laten raken door het verhaal maar ook om hun eigen leven opnieuw te bekijken. Zo functioneert film als een metafoor in Ricoeuriaanse zin: net als literatuur vormt film een immens laboratorium waarin men allerlei gedachte-experimenten kan uitleven door identificatie met de hoofdpersonen, het inleven in het verhaal en het ondergaan van krachtige emoties.

Met deze laboratoriummetafoor is misschien wel de belangrijkste functie van film gegeven: film laat zien hoe de wereld óók zou kunnen zijn. Een goede film haalt de kijker uit zijn comfortzone en opent nieuwe mogelijkheden, laat zien hoe het anders kan. Soms ligt daarbij de nadruk op het positieve (zoals bij Intouchables),  maar soms wordt de kijker ook geconfronteerd met zaken die hem schokken of die rechtstreeks indruisen tegen zijn geloofsstandpunten. In 1895 lag het schokkende effect van de cinema in de noviteit van het medium zelf: beelden die bewogen en de kijker meetrokken in een ongekend universum. Anno 2016 ligt het confronterende in de inhoud: de ongekende mogelijkheden die films bieden om je te verwonderen over het leven, de ander en God. ‘Kom en droom met mij’, zegt filmmaker George Méliès in Scorceses prachtige film Hugo uit 2011, waarna hij de kijker binnenleidt in een wonderlijk universum vol sprookjesfiguren en reizen naar de maan. We laten ons nog altijd graag betoveren –  met vaak een heilzaam effect op ons dagelijks (soms wat saaie, soms moeilijke) leven. 

 

Rinke van Hell is onderzoeker en opleidingsdocent Praktische Theologie aan de Christelijke Hogeschool Ede en freelance recensent bij het Nederlands Dagblad. Zij promoveert op de relatie tussen film en theologie aan de Evangelische Theologische Faculteit en de Vrije Universiteit. 

  1. Zie hiervoor het uitstekende artikel van Reinier Sonneveld in Bart Cusveller (red.), Het betoverde land achter het filmdoek, Amsterdam: Buijten en Schipperheijn, 2009.