Gods familie: wedergeboren, niet gemaakt

Eigentijdse opvolgers nodig van de vroegere communiteiten

Abstract

Met name D’66 heeft de ambitie om het familierecht te veranderen. Daarmee weerspiegelt deze partij de heersende progressief-liberale ethiek. Deze wil de publieke moraal beperkt en levensbeschouwelijk neutraal houden, zodat ieder individu maximale ruimte houdt voor de eigen voorkeuren en privémoraal. De publieke moraal moet de privémoraal zoveel mogelijk faciliteren. Deze gangbare benadering heeft het publieke ethische debat veranderd. Dit dient niet meer een gezamenlijke zoektocht naar wat waar en goed is, maar beoogt een uitkomst die zoveel mogelijk individuen zo maximaal mogelijk hun voorkeuren laat volgen. Daarbij krijgen wetenschap en techniek een faciliterende rol toebedeeld. Hun taak is dergelijke voorkeuren mogelijk te maken en daartoe eventueel de grenzen van wat nu mogelijk is, te doorbreken. Daarbij gelden slechts twee morele randvoorwaarden. De voorkeuren van het ene individu mogen een ander individu niet schaden. En wanneer individuele voorkeuren elkaar in de weg zitten, respecteert ieder de maatschappelijke spelregels voor het omgaan met verschillen en wordt een utilistisch evenwicht gezocht. Toegepast op herdefiniëringen van de ‘familie’ wordt dan de beslissende morele vraag of meerouderschap al dan niet schade toebrengt aan de betrokken kinderen. Empirisch onderzoek moet daarover uitsluitsel geven. Aangezien van schade geen sprake lijkt, moet de wetgeving mensen faciliteren wanneer zij andere dan natuurlijke ‘families’ willen vormen.

(...)

Een christelijk antwoord vergt meer
Orthodoxe christenen treden deze ontwikkelingen vanzelfsprekend kritisch tegemoet. Zij botsen frontaal op de Bijbel. Wat daar zonde of gevolg van zonde heet, geldt hier als normaal. Dat bijvoorbeeld scheiden en hertrouwen in dit leven soms aanvaard moeten worden, neemt niet weg dat het daarbij gaat om kwaad en gebrokenheid die naar Jezus’ eigen woord achterblijven bij Gods bedoeling (Mattheüs 19). Daarmee strookt niet dat wij de betrokken kinderen vervolgens officieel meer dan twee ‘ouders’ toebedelen en dat juridisch ijken. Je promoveert kwaad en gebrokenheid zodoende tot mogelijke variaties binnen samenlevingspatronen, en wat abnormaal zou moeten blijven, wordt tot normaal verklaard.

(...)

In de ambities van D’66 en anderen herken ik een flauwe en vertekende afspiegeling van de eschatologische dimensie binnen een christelijke kijk op de familie. Eerder dan veel christenen zelf heeft de postchristelijke laatmoderniteit deze hervonden en bepaalde implicaties van het evangelie onbewust blootgelegd. Maar het bederf van het beste is het slechtste. Dat onze cultuur tegelijk afscheid neemt van God en Christus radicaliseert het postchristelijke tot antichristelijk. Wie zich vrij voelt om de geschiedenis te dwingen en de geschapen kaders naar eigen believen te doorkruisen, vertoont trekken van de ‘mens der wetteloosheid’ en van het Beest. Die is op weg naar zelfdestructie en oordeel.{3}

Christenen moeten dat profetisch blootleggen en zich niet verschansen in een verdediging van de natuurlijke familie. Zij zouden juist zelf alsnog beter moeten doen wat de cultuur vertekend laat zien: niet alleen de natuurlijke familie verbinden aan Gods eschatologische huisgezin, maar ook aanvullende patronen van christelijk gemeenschapsleven creëren die daarop vooruitgrijpen. Daarbij denk ik aan vormen van tweezijdige of meerzijdige vriendschap waarin onze moderne individualiteit zowel gehonoreerd wordt als betrokken in een omvattend geheel. Ook zullen natuurlijke christelijke gezinnen en families zich moeten openen en anderen voluit in zich opnemen. Daarnaast zijn eigentijdse opvolgers nodig van de vroegere communiteiten en kloostergemeenschappen. Dit laatste wordt des te duidelijker naarmate het in een tegelijk geïndividualiseerde en postchristelijke tijd steeds minder vanzelf spreekt dat een familie als geheel christelijk is.


Dit artikel komt een jaar na publicatie beschikbaar. Neem een abonnement als je het hele artikel nu al wil lezen.