'Iemand heeft het voor ons opgenomen in deze barre werkelijkheid'

Interview met 'herfst-scriba’ Arjan Plaisier

Abstract

Toen Plaisier uiteindelijk toch scriba werd, wist hij goed wat hij wilde. Hij wilde als scriba de theoloog zijn, minder de bestuurder. Scriba is een functie in het moderamen van de synode. De voorzitter van het moderamen is echt een moderator. De synode geeft leiding aan de kerk en heeft de beschikking over een dienstenorganisatie, het dagelijks bedrijf van de PKN met een paar honderd werknemers in dienst, en de opvolger van wat daarvoor de raden waren. Er waren heel veel verschillende raden, maar die aanpak was op een gegeven moment uitgewerkt. Als scriba zit ik ook in het bestuur van de dienstenorganisatie, samen met de directeur, Haaije Feenstra, en een aantal pro-deo-bestuurders. Mensen die hun sporen in de samenleving hebben verdiend. Scriba zijn is gewoon elke week vergaderen, stukken lezen. Dat heb ik zo goed mogelijk proberen te doen. Al kan ik nog steeds slecht een begroting lezen, dat laat ik met een gerust hart over aan mensen die dat beter kunnen. Het is mijn taak om steeds de vragen te stellen: Doen we als kerk waar we voor zijn? Waar gaat het om? Wat is de inhoud van ons kerk-zijn? Maar je kunt niet de hele dag preken. Ik heb me juist als theoloog ook bezig gehouden met een hernieuwde bezinning op de organisatie van de kerk. Als scriba heb je dus een scharnierfunctie. Je sparringpartners zoek je zelf, in de dienstenorganisatie, in het land. Maar je hebt toch een eigen rol, een eigen ambt, een eigen gezicht. Ik wilde niet een GGD’er zijn, de vertolker van de grootste gemene deler. Luisteren, samenvatten, en dan vanuit basis-intuïties richting geven. Een stuk levenservaring en vorming is dan noodzakelijk. Zonder voorgeschiedenis is het niet te doen.’

(...)

‘We zitten in veel opzichten in een weg omlaag. Het gevestigd protestantisme in de Lage Landen is behoorlijk aan het afsterven. Dat gaat niet vanzelf over in heldere luchten. In het protestantisme is sprake van een innerlijk vacuüm. Huizinga opent zijn In de schaduwen van morgen (1938) met de opmerking dat de geest is geweken, maar dat de vormen nog werken. Dat herken ik. Zijn die vormen dan fout geweest? Nee. Ik ga geen hoera roepen als ze breken.  Ik ben niet van:  laat maar afsterven. Ook niet van: laten we inzetten op de pioniersplekken en helemaal opnieuw beginnen. Die pioniersplekken gaan het ook echt niet allemaal halen.  Met het besef van herfst lopen we allemaal rond. Een gevoel van sprakeloosheid. Dat merk je ook in de praktijk van het kerkelijke leven: We bidden niet met elkaar. We praten niet over God. Jezus, pas op, zo meteen ben je een Pinsterklant. We zijn tolerant, maar zitten ook vol taboes. Maar een kerk vol taboes heeft geen toekomst.’ {2} 

Heb jij die taboes doorbroken?

‘Niet bewust. Ik ben niet begonnen met een programma. Had geen idee. Ik had wel een basisbesef, basis-intuïties. Ik wilde dominee van de hele kerk zijn. Moest dat met mijn eigen stem, mijn eigen

taal doen, dicht bij mijn eigen hart. Ik kon niet in de schoenen van de nota-taal stappen. Mijn vuurdoop kreeg ik met de nogal beladen kwestie-Hendrikse. Daarmee kwam in één keer het spreken over God  op de synode-tafel. Dat vormde de aanleiding voor een nota die ik heb geschreven, De hartslag van het leven. [2] Centrale punt erin is een pleidooi voor het weer ontdekken van de taal van het geloof. Daar is uiteindelijk ook de nota Kerk 2025  uit voortgekomen [3]. Na een dag praten in de synode werd Kerk 2025: waar een Woord is, is een weg unaniem aanvaard. Dat was een bijzonder moment. We zijn dus wel samen kerk. Makkelijk was het niet. De dagen waarin de nota besproken werd waren heel intens. Daar moesten  wij doorheen. Op de synode ontstond daarna een soort klaarheid. Je komt dan tot eensluidendheid, de mist trekt op. Al houdt iedereen wel eigen gedachten. We ervoeren dat  Gods Geest werkt.  Dat ervoer ik ook persoonlijk, toen ik van  de synode-tafel naar de katheder liep en dacht: Wat ga ik zeggen? Het werd me toen gegeven. Daar ervoer ik God.

(...)

Als we maar niet blijven somberen dat we onze machtspositie kwijt zijn. So what. Dan hebben we maar niks meer te vertellen. Maar we hebben wel wat te vertellen. Neem je plek maar in. We hoeven niet louter bescheiden te zijn alsof we de laatsten zijn die straks het licht uitdoen. We zijn getuigen. Natuurlijk moet je over beleid nadenken.  Maar in de kerk is het incarnatie: God met ons. Daar mag je je aan toevertrouwen. De kerk is een stuk wereld waar God beslag op heeft gelegd. Wat je daar leert heeft ook relevantie voor de samenleving. Loop niet weg.  Mijn besef van de hoogte, breedte en diepte van het Koninkrijk is tijdens mijn scribaat alleen maar vergroot. De oecumenische contacten hebben me veel gebracht. Bijvoorbeeld met de Pinksterkerken. Maar ook met de catholica en de Oosterse kerken. Wij treffen het trouwens niet dat we in onze Nederlandse context niet te maken hebben met een heel veerkrachtige katholieke traditie. {5}

Daarbij dienen wij ons niet alleen te richten op de middenklasse of elite. De overgang van een burgerlijke kerk naar een meer missionaire kerk vind ik belangrijk. De kloof tussen arm en rijk wordt niet minder. Ik droom van een kerk waar de intellectueel, de groenteboer en de schoonmaker samen gemeente zijn. Laat er hart zijn voor volksbuurten.



Dit artikel komt een jaar na publicatie beschikbaar. Neem een abonnement als je het hele artikel nu al wil lezen.