'Hail Caesar': - erg grappig, een beetje gek en tamelijk briljant

Filmvenster

Een goede filmkomedie is vermakelijk, maar de beste films hebben een dubbele bodem en laten ook iets van de  tijdgeest zien. Dit geldt zeker voor Hail Caesar, de nieuwe film van Joel en Ethan Coen (inmiddels op dvd verkrijgbaar). Laat het maar aan de gebroeders Coen over om alle mogelijke sub-genres en een flink deel van de moderne Amerikaanse cultuurgeschiedenis in één film te behandelen — en het nog leuk te houden ook (ondanks of mede dankzij een belangrijke bijrol voor religie en sociologie).

 

Hun nieuwste film Hail Caesar is — na het meer ingetogen Inside LLewelyn Davis uit 2013 — weer een typische 'Coen': erg grappig, een beetje gek en tamelijk briljant. Hail Caesar is in essentie een pastiche van Hollywoods gouden tijdperk: de jaren vijftig.  De liefde voor cinema, en dan vooral voor echte genrefilms in iedere mogelijke variëteit, spat van het doek af. Het verhaal speelt zich af in de gloriedagen van Hollywood: het studiosysteem was op zijn hoogtepunt, het publiek ging nog wekelijks naar de bioscoop en de wereld was nog overzichtelijk en veilig. Communisten: fout; kapitalisme: goed.

Het plot van de film cirkelt rond de fictieve filmstudio Capitol Pictures (pun intended), waar een groot aantal films in allerlei genres wordt geproduceerd. De Coens larderen het centrale verhaal met scènes uit onder meer een typische cowboyfilm, een licht homo-erotische soldatenmusical en een highbrow salondrama. Net als in hun andere genrefilms dragen ze zorg voor ieder klein detail, waarmee ze niet alleen hun liefde voor cinema maar ook hun enorme vakmanschap 

Ondanks alle vermakelijke subplots is de rode draad van het verhaal helder. Hoofdpersoon is 'fixer' Eddie Mannix (gebaseerd op een werkelijk bestaand persoon), die moet zorgen dat alle producties van de studio binnen de gestelde financiële — en morele — kaders blijven. Belangrijk onderdeel van zijn werk is het oplossen van problemen rondom de uitgebreide stal van acteurs: van het zoeken van een geschikte huwelijkskandidaat voor een ongepland zwangere steractrice tot het uit de wereld helpen van allerlei menselijke conflicten op de set. Mannix is buitengewoon toegewijd aan zijn werk, maar staat nu voor een groot dilemma. Hij heeft een lucratief aanbod gekregen van Lockheed (!) en moet besluiten of hij kiest voor zijn ‘roeping’ of voor de makkelijke weg. Hij is een diepgelovige katholiek, die dit soort beslissingen niet lichtvaardig neemt. Hij gaat zelfs zo vaak te biecht dat zijn pastoor verzucht: "Eddie, dit is echt te veel. Niemand is zó slecht."

Op het oog is Hail Caesar ‘gewoon’ een grappige komedie, maar de Coens grossieren in intelligente filmische en culturele referenties. In O Brother Where Art Thou (2000) bijvoorbeeld doken de broers niet alleen in de Griekse mythologie maar verstopten ze ook verwijzingen naar klassieke films (Cool Hand Lukes) en poplegendes  (Tommy Johnson, die zijn ziel aan de duivel zou hebben verkocht); in A Serious Man wordt het Bijbelse verhaal van Job in een modern jasje gestoken en gelardeerd met verschillende verwijzingen naar de joodse subcultuur in Minnesota; en in Burn after reading verwijzen ze niet al te subtiel naar hun eerdere cultfilm The Big Lebowski, terwijl ze tegelijkertijd de Amerikaanse binnenlandse veiligheidsdiensten belachelijk maken.

Deze dubbele bodems en filmische grappen zorgen ervoor dat hun films gewild materiaal zijn voor filmanalisten, theologen en filosofen. Postmodern en recalcitrant als ze zijn ontkennen ze echter alle diepere lagen, maar ze schieten met hun vele referenties zo midden in de roos dat een diepere interpretatie niet kan uitblijven (Ethan en Joel hebben niet voor niets aan Princeton respectievelijk de filmacademie van New York University gestudeerd.)

 

Smullen geblazen
In Hail Caesar buiten Joel en Ethan Coen hun film- en cultuurkennis echter nog meer dan gemiddeld uit. Een van de steracteurs van de Capitol Pictures-stal, Baird Whitlock (gespeeld door vaste Coen-acteur George Clooney, die weer een nieuwe blaaskaak aan zijn toch al imposante oeuvre toevoegt), wordt ontvoerd door een stel communistische scenarioschrijvers. De ontvoerders worden aangestuurd door een andere acteur (een uitstekend gecaste Channing Tatum), maar het politieke brein achter de operatie is een zogenaamde professor Marcuse. Deze wordt verbeeld als het prototype van een verstrooide professor: een klein mannetje met een elitair voorkomen en zwaar Duits accent. Nu wil het geval dat Herbert Marcuse, een Duits-Amerikaanse socioloog, beroemd is geworden als een van de belangrijkste leden van de Frankfurter Schule. Met zijn collega's Theodor Adorno en Max Horkheimer was hij een van de grootste linkse intellectuelen aan het begin van de twintigste eeuw. De Frankfurter Schule was een filosofische stroming die een sterke marxistische inslag verbond met een scherpe kritiek op de populaire massacultuur, die ze zagen als een soort opium voor het volk om de arbeiders af te leiden van hun armzalige bestaan. De verwijzing zal weinig mensen opvallen, maar voor een cultuurwetenschapper is het smullen geblazen. 

Hetzelfde geldt voor theologen. In meerdere Coen Brothers-films vormt religie een belangrijk subplot, en zo ook in Hail Caesar. Baird Whitlock is een Romeinse centurion die ondanks zichzelf onder de indruk raakt van het charisma van Christus. Met deze plotlijn refereren de Coens aan de conventies van de beroemde Bijbelse dramafilms uit die periode: niet Jezus maar een bijfiguur staat centraal; Jezus (altijd met bruin lang haar) wordt nooit frontaal gefilmd en het landschap is minutieus nagebouwd in de studio.

Door deze raamvertelling persifleren ze bovendien de ingewikkelde en lucratieve relatie tussen Hollywood en religie. Al vanaf het begin van de filmgeschiedenis zijn de studio’s rijk geworden van de grote epische bijbelfilms en dat dit genre de afgelopen jaren opnieuw aan populariteit heeft gewonnen maakt Hail Caesar extra grappig. Op een geestige manier tekenen de Coens hoe men altijd heel zorgvuldig heeft geprobeerd om de lange tenen van religieuze organisaties te vermijden. Voor de zekerheid is een viertal religieuze leiders uitgenodigd om hun licht op het scenario te laten schijnen en te bepalen of het door de theologische beugel kan — inclusief een rabbi. In scènes als deze bewijzen de Coens hun briljante geest en hun grote algemene ontwikkeling. Niet alleen tonen ze precies de anekdotes die bekend zijn uit de filmgeschiedenis, maar hun referenties gaan ook veel dieper dan gemiddeld. Een voorbeeld in Hail Caesar is het voornoemde gesprek met de geestelijken, dat ontaardt in een hilarische discussie over de twee naturen van Christus. Uiteraard onnavolgbaar, maar het is duidelijk dat Coens de geloofsbelijdenis van Chalcedon beter hebben begrepen dan ze willen doen voorkomen. Tegelijk verwerken ze in hun persiflage ook een kritiek op de hypocrisie van het studiosysteem en het intellectuele klimaat in de jaren vijftig (het tijdperk van het McCarthyisme) — en daarmee natuurlijk ook op het Amerika van vandaag. Veel filmcritici zagen in Hail Caesar niet veel meer dan een tamelijk flauw samenraapsel van filmgenres: mooi om naar te kijken maar much ado about nothing. Voor kenners van theologie, filosofie en cultuur is de film veel meer dan dat: een prachtig uitgevoerde Droste-reclame waarin je elke keer iets nieuws kunt zien.

Kortom, een instant-klassieker voor de goede verstaander (en dankbaar voer voor filmtheologen).

 

Rinke van Hell is onderzoeker en opleidingsdocent Praktische Theologie aan de Christelijke Hogeschool Ede en freelance recensent bij het Nederlands Dagblad. Zij promoveert op de relatie tussen film en theologie.