Ruimte voor de ziel

Waarom ik naar de kerk blijf gaan [1]

Abstract

In mijn herinnering draaide het in de kerk om de bekering. Je moest wedergeboren worden. Dat ging zomaar niet, maar was toch ook niet onmogelijk. Zingen was best, maar niet te veel. Het ging om de preek. Hoewel, juist bij het zingen van een psalm, op hele noten, kon je ervaren dat mensen geraakt werden. Dat gebeurde vaak genoeg om al jong te ervaren dat geloof toch vooral een zaak van het hart was. Een tijdje terug las ik Het bevindelijke nest van Wim Verboom. Hij groeide op in de ‘hervormde evangelisatie’ in het Friese Kollum en de sfeer die hij tekent was voor mij helemaal herkenbaar. Hechte gemeenschappen, waar verhalen werden doorverteld, cirkelend om de verhouding tot God, wereldmijdend, aan voetbal en film deden de Verbooms niet. En wij ook niet. De wereld waarin ik opgroeide, en die Verboom beschrijft, is bezig te vervagen. De modernisering komt door processen van digitalisering, globalisering en individualisering in een nieuwe fase. De netwerksamenleving meldt zich, het individu eist zijn rechten op, en het leven moet wat te beleven geven. Deze trends gaan ook de christenheid in Nederland niet voorbij. Kan het zijn dat juist in de notie van wedergeboorte een betekenisvol moment schuilt, niet alleen met het oog op de vernieuwing van de eigen traditie maar ook in gesprek met de omringende cultuur? Een existentiële dimensie die juist in onze cultuur van maakbaarheid door gevoelige kunstenaars en denkers wordt gearticuleerd. ‘Zijn oude ziel afleggen, dat rafelige versleten ding, er een nieuwe voor in de plaats krijgen. Wie wilde dat niet? Wie zou zoiets afwijzen?’ schrijft Tommy Wieringa. 

(...)

Ik werd geboren in het midden van de jaren ’60 en groeide op in de jaren ’70. Terugkijkend kunnen we stellen dat dat een cruciale periode in de westerse geschiedenis is geweest. Belangrijk aspect is de enorme welvaartsverhoging, voorbereid in een lang proces van modernisering. De doorbraak daarvan naar alle lagen van de bevolking vond plaats in een tijdbeslag van vijftien jaar. Geert Mak spreekt van het ‘omzetten van een wissel’ , in zijn kroniek van Nederland in de 20e eeuw, De eeuw van mijn vader. In deze periode werd de burger als consument geboren. ‘In de jaren vijftig werden de mensen nog geacht zich volledig aan te passen aan de maatschappij. In de jaren ’60 werd dat op zijn kop gezet: de jongeren eisten dat de maatschappij zich aan hen aanpaste, en gedeeltelijk gebeurde dat ook. En al werd veel daarvan in de jaren zeventig en tachtig weer teruggedraaid, het wurgende conformisme dat vroeger talloze levens neerdrukte – vooral bij vrouwen – kwam niet meer terug.’ Volgens Mak is dat conformisme overigens niet verdwenen. De innerlijke normen van godsdienst, geweten en traditie werden zo langzaam aan vervangen door de normen van de groep, de samenleving, de televisie, de heersende mode. De jongere generaties maakten meer eigen keuzes, maar tegelijk waren ze in andere opzichten conformistischer en minder eigenzinnig dan hun ouders en grootouders.’ 

(...)

Ruim veertig jaar na de culturele revolutie van de sixties, ontstaat er voor het eerst een zekere afstand om wat scherper terug te kijken. Kenmerk van de snelle veranderingen van destijds was ook de grote kerkverlating, een proces dat overigens nog steeds door gaat. Hans Boutellier vraagt zich in zijn recente studie Het Seculiere experiment af ‘hoe we van God los gingen samenleven’ (tevens de ondertitel). ‘Als er niemand meer in God gelooft, dan wordt het een zooitje, jongen’, zei zijn vader en Boutellier, zelf nu een zestiger, gaat na of de voorspelling van zijn vader is uitgekomen. [11] {1}

Boutellier heeft veel empirisch onderzoek gedaan naar de netwerksamenleving, vooral op het terrein van veiligheid en criminaliteit. En met zijn vaders opmerking in het achterhoofd, vraagt hij zich af hoe komt dat onze samenleving nog steeds orde kent. Dat doet hij door achtereenvolgens na te gaan wat er gebeurd is op het gebied van criminaliteit, veiligheid, seksualiteit, immigratie en wat de rol van de sociale wetenschappen is voor de samenleving. Aan het eind maakt hij de balans op. ‘Ik constateer op basis van de veldstudies dat de wereld totaal, maar dan ook totaal veranderd is. Dat is materieel het geval als we kijken naar de ontwikkelingen in criminaliteit en veiligheid, de verhouding tussen de seksen in liefde, lust en seksueel geweld, en de samenstelling van de bevolking. Maar ook structureel heeft de samenleving een volledig ander aanzien gekregen door de technologische ontwikkeling en wat daaruit is voortgevloeid. De netwerksamenleving biedt andere condities voor de economie, voor de mobiliteit, voor de relaties, voor de veiligheid, voor de wetenschap. Voor alles.’  Volgens Boutellier was het seculiere experiment niet mogelijk geweest zonder de ontwikkeling van de sociale wetenschappen. ‘Zij namen de plaats in van een hogere instantie, in wier naam besluiten werden gerechtvaardigd.’

(...)

Waar in de moderne cultuur is er een plek waar zo mijn persoonlijke levensverhaal wordt verbonden met een groter verhaal? Waar is tegelijk een gemeenschap waar het niet alleen om mijn verhaal draait maar waar ik ook deel in andermans verhalen? Waar ik mag oefenen in gemeenschap zonder dat ik de ander heb uitgekozen? Waar ik me mag laten raken door het onverwachte en ongehoorde, dat er ongeveinsde goedheid te vinden is in deze wereld? Waar ik niet alleen met hijgerige actualiteit word geconfronteerd, maar toegang heb tot die enorme ruimte die christelijke traditie heet? Waar ik gewoon een poosje mag zitten op zondag en mijn mond houden? De vorig jaar overleden Denker des Vaderlands, René Gude, vond dat 'religie niet afgeschaft mocht worden’. Want ‘dan mis je de erediensten, de vieringen van het goede, de jubel’. Deze zin zou zo weg gelopen kunnen zijn uit de pen van de lyrische theoloog Arnold Albert Van Ruler. Voor hem is de lofprijzing de kern van de eredienst en ‘het toppunt van de humaniteit’.  Ook Stefan Paas stelt in zijn Vreemdelingen en Priesters dat ‘het hart van de gemeente wordt gevonden in de doxologie, de lofprijzing’. Ik blijf naar de kerk gaan, om wekelijks tot ruimte te komen. Om op adem te komen. En om mijn partijtje mee te zingen.

 



Dit artikel komt een jaar na publicatie beschikbaar. Neem een abonnement als je het hele artikel nu al wil lezen.