Wat kenmerkt de familieband?

Over het belang van het peilen van 'het natuurlijke' in de ethiek

Abstract

Voor wie christelijk is opgevoed, of gewoon wat pessimistischer in het leven staat, is een bevestigend antwoord echter al wat minder vanzelfsprekend. Is er niet zoiets als een breuk in de schepping, waardoor niet zomaar meer duidelijk is wat ‘leven’ is, en dus wat het leven dient? Is leven in de natuur niet primair ‘survival of the fittest’, zonder oog voor de zwakke? Kortom, het goede – rechtvaardigheid, zorg voor iedereen, zonder aanzien des persoons – is niet zomaar iets wat wel opkomt uit de natuur van de dingen zelf. Om te weten hoe mensen moeten handelen, is een ander ijkpunt nodig. In de theologie valt dan al gauw de term ‘openbaring’. Gelovigen stellen dat ze een woord van gene zijde nodig hebben, dat hen op een ander spoor zet dan dat van zorg om zelfbehoud. Met dat woord is het vervolgens ook mogelijk om te ontdekken wat er aan goeds te vinden is in de wereld ‘zoals die is’. In de christelijke ethiek heet het dan: we beginnen bij de openbaring, niet bij de natuur.
(...)
Wat in dit soort benaderingen veel minder aandacht krijgt, is de vraag waarom familie- en gezinsverbanden eigenlijk diverser worden en vooral, waarom dat veel mensen zorgen baart. Zijn we in de loop van de tijd onze band met ‘de natuur’ kwijtgeraakt? Als dat zo is, lijkt het belangrijk om te doorgronden hoe dat komt, en of een verwijzing naar natuurlijkheid daarin echt verhelderend werkt. Gaat het in de toename van diversiteit aan familievormen niet veeleer om emancipatie van een naoorlogs model van het gezin, met bijbehorende gezagsverhoudingen en rolpatronen? Het spelen van de ‘natuurlijkheidskaart’ lijkt niet uit te dagen tot een dieper onderzoek naar de wortels van de grotere diversiteit aan familievormen. Ook draagt die benadering niet bij tot nadere analyse van de onrust zelf over die veranderingen op familiegebied. Men komt niet toe aan de vraag waarom juist de familie het strijdperk is waarbinnen progressieve en conservatieve visies op mens en samenleving hun krachten meten.
(...)
Hegel verkent, met Antigone in het achterhoofd, hoe we in de familie op een heel andere manier mens zijn dan in de publieke sfeer. Hier wordt het individu als persoon erkend, maar niet om algemene redenen, bijvoorbeeld omdat iemand burger is. Erkenning is hier iets principieel wederzijds: de zus erkent de broer, maar wordt daarin ook meteen zelf als zus erkend. Personen zijn hier niet inwisselbaar. Waar in de publieke sfeer de mens (lees bij Hegel: de man) tot burger wordt, wat een onpersoonlijke of algemene identiteit is, zijn mensen in de familiesfeer juist unieke individuen in hun relaties tot elkaar. Voor zover verschil tussen mensen in de publieke sfeer aan de orde is, leidt het primair tot onderscheid, afstand en je onafhankelijk wanen van elkaar. Het eigene van de familiesfeer is dat de uniciteit van individuen daar juist de basis is voor eenheid, verbondenheid, een gedeelde identiteit, een ‘wij’. Wie we zijn in de familie zijn we juist door de bijzondere relaties waarin we tot elkaar staan.
Deze relaties zijn niet zelf gekozen, of gevolg van een doelbewust nagestreefde eigen identiteit. We bevinden ons in familieverbanden zonder dat we daar grip op hebben; ze zijn primair een feit. We worden erin geboren, of met de geboorte van een kind komen we opeens in een relatie te staan. Omdat ik zijn moeder ben, is mijn zoon, zoon en mijn dochter, dochter. Doordat hij broer is, is zij zus. Ook het huwelijk – ook al is dat gebaseerd op een keuze – moet volgens Hegel op deze manier worden verstaan, in de zin dat de identiteit van de een die van de ander vormt. De verschillende posities definiëren elkaar. Ze bestaan voordat we er bewust zelf invulling aan kunnen geven. Dit netwerk van relaties impliceert een eigen moraal, zoals hier de plicht om te begraven.
(...)
De term die ik vind passen bij deze vorm van met elkaar verbonden zijn en daarnaar handelen is: afhankelijkheid. Wat mij betreft wordt daarin het moment van ‘niet zonder elkaar kunnen’ goed uitgedrukt. Zoals hierboven is duidelijk geworden, doelt deze afhankelijkheid op het meest fundamentele niveau van niet zonder de ander kunnen. Dit basale niveau gaat vooraf aan de vraag of de verbondenheid vervolgens in de praktijk goed of slecht vorm krijgt. Zonder twijfel zijn er problematische vormen van afhankelijkheid, bijvoorbeeld wanneer mensen, ook in familieverband, niet zelfstandig worden, of gevangen zitten in een onontwarbare kluwen van claims, onzekerheid en gebrek aan erkenning. Met dat fundamentele niveau hebben we echter een ander ‘niet zonder elkaar kunnen’ ontdekt dat je feitelijker zou kunnen noemen, iets van het niveau van hoe we ‘zijn’, een gegevenheid. Hoe problematisch of juist goed familierelaties ook kunnen zijn, ze hebben allemaal te maken met een gedeelde identiteit die in de eerste plaats een feit is. Ook als je niets meer met je familie te maken wilt hebben, is die identiteit, dat ‘wij’, iets waartoe je je moet verhouden, en waar je in die zin toch ook deel aan hebt. Die gegeven afhankelijkheid is wat mij betreft dus een belangrijke uitkomst van het peilen van het eigene van familieverbanden.
(...)
Ik ben niet geboeid door familie omdat ik me zoveel zorgen maak over wat er allemaal fout gaat in die verbanden, maar omdat ik wil proberen te begrijpen waartoe we als mensen op aarde zijn. En om daar antwoorden op te krijgen, moet ik ook dit aspect van het mens-zijn doorvorsen. Daarin kom ik op het spoor hoe diep onze verbondenheid met elkaar is, die ik, juist als theoloog, aanduid met de term afhankelijkheid. Ik kom dus een bepaald mensbeeld op het spoor. En dat is volgens mij niet toevallig. Want in dat beeld van de mens resoneert een gelovig perspectief, een blik op de wereld en de mens die wordt bepaald door de relatie met God. In dat perspectief zijn de mensen niet zichzelf genoeg, doorgronden ze niet zomaar goed en kwaad, hebben ze niet de macht om de dingen naar hun hand te zetten.


Dit artikel komt een jaar na publicatie beschikbaar. Neem een abonnement als je het hele artikel nu al wil lezen.