Vraag der eeuwen en vraag van het moment

Op zoek naar de identiteit van kerk en Israël

Abstract

Het is goed ons te realiseren dat het allerminst een exclusief Nederlands debat is. Overal in de wereldkerk wordt een intensief debat gevoerd, zowel over een christelijke theologie van het jodendom als over de praktische houding richting de staat Israël. De flanken van het Nederlandse debat zijn beide ingebed in sterke transnationale netwerken, enerzijds van allerlei christen-zionistische en pro-Israëlische organisaties en anderzijds van tal van pro-Palestijnse hulp- en actiegroepen. Wat opvalt is dat beide flanken een eigen transnationale discourse community vormen, met een eigen taalkleed en theologie, eigen citatiegemeenschap van veelvuldig aangehaalde auteurs en documenten en specifieke accenten in het lezen en interpreteren van de Heilige Schrift. Wie het debat van enige afstand analyseert, moet constateren hoe weinig beide groepen elkaar te zeggen hebben en als ships passing in the night hun weg vervolgen.

Hoe valt er in dit lastige, emotionele debat dan toch enige klaarheid te brengen? Een mogelijk handvat ligt wellicht in één van de centrale frases die geregeld opduiken en waar toch iets van een gesprek over lijkt te ontstaan. Dat is, in een specifiek Nederlandse context maar met parallellen elders, de formulering uit het eerste artikel van de kerkorde van de Protestantse Kerk in Nederland. Daarin valt in de context van de definitie van de identiteit van de kerk de veelgeciteerde en -bekritiseerde frase dat zij geroepen is ‘gestalte te geven aan haar onopgeefbare verbondenheid met het volk Israël’. De volgende zin voegt in ieder geval een deel van de invulling daaraan toe door op te merken dat de kerk zoekt naar ‘het gesprek met Israël inzake het verstaan van de Heilige Schrift, in het bijzonder betreffende de komst van het Koninkrijk van God’. (...)

In de Hebreeuwse Bijbel wordt van meet af aan een gelaagde interpretatie van Israël gegeven. Het wordt daar in de context van twee fascinerende bijbelhoofdstukken – Genesis 32 en 35 – als een nieuwe naam gegeven aan de patriarch Jakob. Het is een persoonsnaam waarin tegelijk iets van de identiteit van de drager ligt verscholen: strijder van/voor/met God. Voor de bijbelschrijver is de connectie tussen ‘Israël’ en God – die vervolgens zelfs ‘de God van Israël’ wordt genoemd – cruciaal. Van persoonsnaam ontwikkelt Israël zich vervolgens tot clanaanduiding: ‘de kinderen Israëls’, de biologische nakomelingen van Jakob die samen het volk Israël gaan uitmaken. De identiteit van de enkeling wordt ook vanuit dat perspectief gedefinieerd: hij of zij is een zoon of dochter van Israël. Dat betekent dat daarmee direct de bijzondere relatie met God doorklinkt. (...)

Vlees versus geest

De vroege kerk noemde zichzelf verus Israel, het ‘ware Israël’. Dat was van meet af aan een Kampfbegriff dat duidelijk moest maken dat de joden níet het ware Israël vormden. Zij mochten wel pretenderen Israël te zijn, maar waren het niet. Daarvoor werd teruggegrepen op een paulinische onderscheiding tussen een ‘Israël naar het vlees’ en een ‘Israël naar de geest’. Waar dat bij Paulus begrippen zijn die in een intern joods debat fungeren, worden ze in de vroege kerk tussen kerk en Israël geplaatst. Joden zijn dan het biologische ‘Israël naar het vlees’, tegenover verus Israel, het ‘Israël naar de geest’.

Maar wie vormden dan dat ‘Israël naar de geest’? Tussen de kerkvaders tekenen zich twee posities af. De ene ziet dat als een ‘rest van Israël’, namelijk de joden die in Jezus gingen geloven, plus de snelgroeiende heidenkerk die daaraan wordt toegevoegd (Justinus, Origenes). De meerderheid is al gauw niet-joods, maar in deze definitie wordt een vorm van fysieke, etnische continuïteit met ‘bijbels Israël’ van belang gevonden. De tweede positie kiest daarentegen voor een exclusieve opstelling: ‘Israël’ heeft betrekking op de heidenchristenen en de joden staan nu radicaal tegenover het ‘ware Israël’ (Barnabas, Tertullianus). Van ‘Israël’ zijn de joden nu ‘niet-Israël’ geworden, een ironische wending die via een figuratieve lezing in de Bijbel steeds terug wordt gevonden: niet de eerstgeborene Ezau, maar Jakob werd verkoren, niet Manasse maar Efraïm krijgt de zegen. Zo wordt ook het joodse volk als ‘eerstgeborene’ verworpen en de kerk als nieuwkomer uitverkoren.

Het begrip ‘Israël’ kreeg in de vroegchristelijke exegese een strikt christologische betekenis. ‘Israël’ is al wie Jezus erkent als de messias. Uiteindelijk is de term ‘Israël’ zelfs op Jezus van toepassing: alleen hij is de werkelijke strijder voor God. In het kielzog van deze christologische duiding kon de spiritualisering en universalisering van ‘Israël’ plaatsvinden. Bij het ‘Israël naar de geest’ kon iedereen, van welke etnische achtergrond dan ook, horen, zolang hij maar zijn geloof in Jezus beleed. Het christelijke religiebegrip transformeerde hiermee van etno-religieus naar universeel. Religie werd losgemaakt van etniciteit: om bij het ‘volk van God’ te horen hoefde men niet jood te worden, maar kon men Romein, Griek of Pers blijven. Religie kon voortaan gecombineerd worden met uiteenlopende etnische en nationale loyaliteiten. (...)

Wat levert deze terugblik in het debat over de term ‘Israël’ ons nu precies op? Hier volgt een aantal conclusies en handreikingen.

Ten eerste, de term ‘Israël’ is niet zomaar vast te pinnen op een sluitende definitie. Er moet recht gedaan worden aan de historische ontwikkeling, de dynamiek en de eschatologische openheid van het begrip. Het gesprek over wie en wat Israël is, is belangrijker dan welke mogelijke conclusie dan ook.

Ten tweede, rond het begrip ‘Israël’ kristalliseert zich het hele joods-christelijke debat. De christologische interpretatie van de vroege kerk en de verbondsmatige etno-religieuze van het rabbijnse jodendom laten de krijtstrepen zien van 2000 jaar confrontatie.

Ten derde, zowel jodendom als christendom wil de continuïteit met het oude Israël van de Hebreeuwse Bijbel vasthouden. Zij trekken daaruit beide verschillende lijnen, die vanaf de vroegchristelijke/rabbijnse periode afzonderlijke sporen vormen. Pas na 1945 ontstaat er weer een wederzijds gesprek. Dat moet uiteraard de tussenliggende geschiedenis honoreren, maar kan alleen kans van slagen hebben in wat de protestantse kerkorde terecht noemt het gesprek over het ‘verstaan van de Heilige Schrift’.

Ten vierde laat dit overzicht zien hoezeer het van belang is dat er door christenen niet slechts óver, maar vooral ook mét ‘Israël’ gesproken wordt over identiteit en zelfverstaan. De christelijke definitie van de joden heeft eeuwenlang haaks gestaan op het zelfbeeld van joden. Het is winst dat er nu een respectvolle luisterhouding is gegroeid.


 

Dit artikel komt een jaar na publicatie beschikbaar. Neem een abonnement als je het hele artikel nu al wil lezen.