Een dichter in de geschiedenis

Nogmaals Jan Willem Schulte Nordholt (1920 - 1995)

Abstract

Met de voordracht van zijn vertaling van het diepzinnige en sterk op mythologische beelden gestoelde gedicht van Stevens toonde JWSN een kant van zichzelf die hij in de collegezaal nooit eerder zo sterk benadrukt had. Een kant, te dierbaar eigenlijk om zomaar aan de grote klok te hangen, een kant die kennis niet altijd verdraagt omdat hij vult waar menselijk handelen en geleerde wijsheid faalt: zijn dichterschap. De vertaling van het genoemde gedicht werd overigens niet lang voor zijn dood in 1995 gepubliceerd in De stille, droeve mensenmelodie, een van zijn mooiste bundels vol prachtige vertalingen van bekende en minder bekende Engelse en Amerikaanse gedichten die hij koesterde.
Hoewel  de dichter al vrij snel in de schaduw kwam te staan van de historicus en hij zich naarmate hij ouder werd ook steeds onzekerder voelde over de waarde van zijn poëzie, bleef Schulte Nordholt  in de aard en diep in zijn hart toch in de eerste plaats dichter. Iemand die dat altijd gezien heeft is Henk van der Ent, als dichter bekend onder de pseudoniemen Anton Ent en, de onnavolgbare, Marieke Jonkman). Hij schreef in 2002 in Roodkoper naar aanleiding van een levensschets van JWSN door Menno Steenhuis waarin het onafhankelijk dichterschap er wat bekaaid af kwam: ‘Wie over Jan Willem Schulte Nordholt schrijft, moet het dichterlijke centraal stellen, of als dat te veel gevraagd is, oog hebben voor de kracht van de taal, het woord en het verhaal. Hij moet accepteren dat er naast een rationele wijze van denken ook een mythische, metaforische vorm bestaat.’ (...)

Zit JWSN als historicus vast aan de biografie van mensen en volkeren, als dichter mag hij zichzelf zijn en kan hij zich verbinden aan de  autobiografie en daarmee het persoonlijke: ‘Poëzie is in zekere zin, en ook in mijn zin, wel autobiografie, maar dan niet omzien in verwondering (zoals de mooie titel van de memoires van Annie Romein luidt) maar opzien, om zich heen zien, net als die blinde in het Evangelie die de mensen als bomen zag wandelen.’
Zijn eerste gedichten schrijft JWSN tijdens de oorlog in de Scheveningse gevangenis, ook wel bekend als het Oranjehotel. Hij komt er terecht nadat hij in 1942 met twee van zijn broers in Zwolle is opgepakt wegens illegale activiteiten die betrekking hebben op de verspreiding van de verzetskrant Vrij Nederland. De gedichten worden onder het pseudoniem W.S. Noordhout geschreven en in 1943 uitgegeven in de Schildpadreeks onder redactie van Jaap Romijn. Gerrit Kamphuis schrijft het voorwoord van Het bloeiend steen. In die eerste gedichten, zo herinnert JWSN zich later, ‘ontsteeg ik aan de barre werkelijkheid om mij heen.’ (...)

Traditie
Wat als eerste opvalt wanneer je zijn verzamelde poëzie (in 1989 door Wim Hazeu uitgegeven bij De Prom) leest, is dat zij los staat van die van de Vijftigers. In tegenstelling tot de experimentele dichters van zijn tijd, zoals Lucebert, Kouwenaar en in vorm ook Van der Graft, sluit JWSN bewust aan bij een oudere generatie dichters van voor de oorlog. Leopold, Verweij, Nijhoff, Achterberg en vooral Marsman ziet hij als zijn voorbeelden. Ook grijpt hij graag terug op het werk van grote Engelse dichters als Donne, Keats en Wordsworth.
JWSN wil niet breken met het oude en wenst geen nieuwe vormen aan te nemen zonder verleden: ‘Ik geloof in de poëtische traditie van eeuwen her’,  schrijft hij in 1959 in Maatstaf, ‘omdat ik niet geloof dat wij in het einde der tijden leven of op de kentering, of liever dat slechts geloof in zoverre als de hele geschiedenis al kentering was en crisis.’
Betekenisvolle woorden. Waar voor de Vijftigers het leven na 1945 ophoudt en de taal gestorven is (denk aan Lucebert, die dicht ‘Wij zijn leeg – er laait geen taal, maar donker licht ervaart’), gaat het leven voor JWSN na de oorlog verder en is de taal nooit dood geweest. Integendeel:  ‘Ondanks alles wist ik dat er mogelijk nog iets van het leven te hopen was en te maken, en ik werd poëtisch verder gevormd door de zo traditionele verzetspoëzie en ik ken nog in mijn leven geen schonere ontroering dan de bevrijding van 1945.’

Dit artikel komt een jaar na publicatie beschikbaar. Neem een abonnement als je het hele artikel nu al wil lezen.