Tussen werken en uitrusten

Lessen van Josef Pieper over rust

Abstract

In reactie op de vermoeiende prestatiemaatschappij kan het thema rust de laatste jaren op veel maatschappelijke belangstelling rekenen. Een constante stroom aan populaire psychologische en oosters-spirituele literatuur overspoelt boekhandels en bibliotheken. Ook vanuit de (populaire) filosofie wordt er volop over geschreven, door auteurs als Stine Jensen, Joke Hermsen en Marli Huijer – de drie vrouwelijke ‘musketiers’ van de moderne rust. De laatste, Marli Huijer, tot voor kort Denker des Vaderlands, heeft in haar boek Ritme (2011) een betekenisvol pleidooi gehouden voor het belang van rust. Ze pleit daarin voor erkenning van het gegeven dat mensen rust nodig hebben en dat rusten ook waardevol is. Voorstellen om rust in te bouwen in het dagelijks leven en het ontwikkelen van een ritme zijn inmiddels all over the place. (...)

  Deze actuele maatschappelijke bezinning is onmiskenbaar waardevol, het helpt reflectie op wat gezond leven is en het is een teken dat wijst op het verlangen om het juk van de prestatiemaatschappij te breken. Tegelijkertijd houd ik ook ongemak bij deze literatuur over rust. Dat ongemak zit daarin dat de voorstelling die van rust gegeven wordt wel erg beperkt is. Rust is in de huidige maatschappelijke bezinning, ondanks de positieve bedoelingen, negatief ingevuld en instrumenteel van karakter. Rusten is vooral nietsdoen. Het is, zoals de Belgische filosoof Ignaas Devisch (in navolging van Pascal) zegt: ‘in staat zijn rustig in een kamer te blijven’. Rusten is het stoppen met werken, het onderbreken van de alledaagse activiteit. Ook voor iemand als Marli Huijer ligt hierin het belang van rusten: het is bedoeld om weer op te laden – ze spreekt van het belang van ‘accu-dagen’. Het is van belang te ontspannen om zo weer energie op te doen voor het werken. Rusten betekent zo vooral uitrusten en is enkel betekenisvol als functie om het leven met een overvolle agenda vol te houden.
Deze benadering van rust geeft mij ongemak omdat ik me afvraag hoe krachtig deze rust is om de macht van de prestatiemaatschappij te breken. Doordat rusten gaat om uitrusten als functie voor werk wordt het onvoldoende als intrinsiek waardevol beschouwd. Is rusten ook zinvol zonder dat ik moet uitrusten en zonder dat het helpt om beter te presteren? Volgens mij hebben we een rustbegrip nodig dat deze vraag positief beantwoordt. Anders gezegd, we hebben een krachtiger rustbegrip nodig om de ‘wetten’ van de prestatiemaatschappij te ontkrachten, namelijk ‘rust roest’ en ‘stilstand is achteruitgang’.
Naar zo’n krachtiger voorstelling van rust ben ik dan ook op zoek in dit artikel. Een krachtiger rustbegrip is ook mogelijk en schuilt in het ‘afstoffen’ van de klassiek christelijke ‘rustpraktijken’ zoals het vieren van de zondag en het contemplatieve leven. Dit stempelde vanouds het leven van de rust, maar is begrijpelijkerwijs door secularisatie achter de moderne horizon verdwenen. Het is de rooms-katholieke filosoof Josef Pieper die de moderne mens herinnerde aan deze klassieke betekenis van rust. Aan de hand van zijn werk hoop ik onze ‘sociale verbeelding’ (om een term van Charles Taylor te lenen) van rust opnieuw te verdiepen.(...)

Pieper contrasteert zijn visie op rust nadrukkelijk van rusten als uitrusten. Rust is een houding die totaal contrasteert met die van arbeid. Rust en arbeid staan voor geheel andere manieren van zijn, vormen tegengestelde levenshoudingen. Arbeid is de levenshouding van de maakbaarheid: geleid door nuttigheidsdenken is de mens continu zijn leven en omgeving aan het inrichten, zonder het vermogen de dingen gewoon te laten zijn. De houding van arbeid typeert hij aan de hand van drie kenmerken: continue bedrijvigheid, moeite en sociale functie. Tegenover deze instrumentele levenshouding staat het leven van de rust, die Pieper ook langs drie kenmerken uitwerkt.
In contrast met de continue bedrijvigheid van arbeid is rust ten eerste een houding van ontvankelijkheid, ‘van de niet-activiteit, de innerlijke kalmte, de ontspanning, het gebeuren-laten en zwijgen.’ Het gaat hier om het vermogen van het loslaten en openstellen, in plaats van vastgrijpen. Rusten is zo een spirituele houding, een activiteit van de ziel, die niet vanzelfsprekend samenvalt met vrije tijd of vakantie. Dit rusten is ook wel te begrijpen als het vermogen tot contemplatie of beschouwen. Het Duitse woord dat Pieper hiervoor gebruikt, Muße, is afkomstig van het Latijnse schola, dat staat voor ongebondenheid aan economische en politieke activiteiten, het is ‘vrij zijn voor de waarheid zoals die zich in de beschouwelijkheid kenbaar maakt.’ Contempleren is vervolgens het ‘zien’ van datgene wat de mens liefheeft. Dit zien of waarnemen is niet rationalistisch, maar eerder vanuit intuïtie en gaat om verwonderd raken. (...)

Een vraag die zich kan opdringen is hoe we als individuen maar ook als cultuur deze rust (opnieuw) verkrijgen. Pieper geeft daarvoor geen concrete handreikingen, dat is niet de opzet van zijn filosofische analyse geweest. De afwezigheid van adviezen en strategieën behoort echter ook tot de essentie van zijn verhaal. Cruciaal aan dit contemplatieve en festieve rusten is dat het geen tool is om tot betere prestaties te komen. Dat komt naar voren in het contrast dat Pieper maakt tussen de pauze of het uitrusten enerzijds en contemplatie en viering anderzijds. Rust vormt een levenshouding die tegenovergesteld is aan die van de maakbaarheid.
Daaruit volgt ook dat deze rust niet technisch benaderd kan worden; de rust zelf is niet maakbaar. Zowel de contemplatieve gerustheid als de festiviteit is een gift. Dit is een cruciale notie in zijn werk. Rust wordt geschonken en ontvangen. Daarmee bedoelt hij dat de innerlijke kalmte en het genieten van de vruchten van een feest niet af te dwingen zijn. Rust is uiteindelijk iets dat buiten het bereik van de mens zelf ligt. 

Dit artikel komt een jaar na publicatie beschikbaar. Neem een abonnement als je het hele artikel nu al wil lezen.