Vitaal gereformeerd in de spiegel van Geert Mak

De eeuw van mijn vader van Geert Mak is - laat ik maar direct mijn kaarten op tafel leggen - een schitterend boek. In één weekend las ik het uit. Samen met zijn eerdere boek Hoe God verdween uit Jorwerd vormt De eeuw van mijn vader een tweeluik waarin de maatschappelijke en culturele geschiedenis van Nederland in de twintigste eeuw op een onderhoudende manier is beschreven . Mak vertelt die geschiedenis aan de hand van lotgevallen van gewone mensen. Die van de inwoners van Jorwerd en in dit boek die van zijn familie. Dat maakt het verhaal levendig en herkenbaar. De individuele lotgevallen worden echter verbonden met bredere ontwikkelingen waardoor de boeken diepte krijgen en niet blijven steken in de anekdote. In het Jorwerd-boek stond de stille verdwijning van de traditionele plattelandscultuur centraal, in De eeuw van mijn vader reikt Mak verder en schetst hij de veranderingen over de hele breedte van het leven van de Nederlandse samenleving .

Geert kwam in december 1946 ter wereld ‘als een onbehoorlijk gezond kind uit een afgetobde moeder, een nieuwkomer in een gezin dat al een intens leven achter de rug had’ (p. 373). Geert scheelde meer dan negen jaar met broer Hans die boven hem zat. Zijn vier oudste broers en zusters werden tussen 1925 en 1930 geboren. Zijn ouders hadden de oorlog gescheiden doorgemaakt. Vader Mak werkte onder de arbeiders aan de Birma-spoorlijn, moeder Mak zat met drie van haar kinderen in een Jappenkamp. Twee kinderen waren achtergebleven in Nederland toen het gezin Mak in februari 1940 na een verlof weer naar Indië vertrok. Vader Mak was sinds april 1928 gereformeerd predikant in Medan, op Noord-Sumatra. Hij werd geboren in 1899, zijn vrouw in 1901. Geert behoorde tot de bijna 1 miljoen kinderen die tussen 1946 en 1949 in Nederland ter wereld kwamen. Afkomst en levensgang maken hem tot de ideale chroniqueur van het gereformeerde leven. De vroomheid van Pietje Baltus en het jaren ‘60-marxisme verenigd in een levensverhaal.

Voor de serie Vitaal Gereformeerd is de Eeuw van mijn vader van belang omdat de processen die Mak beschrijft thans de gereformeerde gezindte in volle hevigheid bezighouden. Van Mak kan men dan leren hoe het anderen verging. Anderen is natuurlijk relatief. Het Nederlandse protestantisme mag zich in twee eeuwen over vele groepen en kerken gespreid hebben, het heeft een gemeenschappelijke achtergrond en in toenemende mate ook dezelfde problemen. Als Mak de gebeurtenissen van de jaren ’60 beschrijft en de gevolgen daarvan voor de gereformeerde kerken, constateert hij dat de kleinere kerken - de christelijke gereformeerden en de vrijgemaakten - stevig overeind bleven. ‘Rond de nieuw opgerichte Evangelische Omroep ontstond zelfs een soort twintigste-eeuwse reveilbeweging’ (p. 460). In deze kringen is echter dertig jaar later van het vroegere - wat ingehouden - triomfalisme weinig meer te merken. Er is ook geen reden meer toe.

Voor degenen die (nog) denken dat de verwerking van de moderne tijd wel ontlopen kan worden, is het misschien ontdekkend te vernemen dat de gereformeerden in de jaren ’50 iets dergelijks dachten. Mak schrijft dat in de jaren ’50 - ondanks de uiterlijke vroomheid en gezagsgetrouwheid - achter de schermen de stille afvalligheid reeds gaande was (p. 422). De gereformeerden beschouwden de ‘losheid’ van de jeugd aanvankelijk als vooral een probleem van de Roden - ‘met hun godloosheid’ - en de Roomsen - ‘die dansten en ook anderszins slap van zeden waren’ [3]. Maar de protestanten moesten niet te vroeg juichten. ‘In de Hervormde Kerk zag in de jaren vijftig al twee derde van de officiële leden zelden of nooit meer een kerk van binnen.’ De gereformeerden deden de eerste concessies om het tij te keren. ‘De feestelijke jaarvergadering van voor de oorlog werd vervangen door een echt feest, zij het met een inleiding door een christelijke spreker van naam. Dansen was nog altijd taboe, maar volksdansen werd wel oogluikend toegestaan, net als “ritmische” gymnastiek’ (p. 422). Volgens Mak zagen de leidslieden de problemen niet. ‘Het gevolg was dat er vooral bij de jeugd een zwijgend non-respect ontstond voor degenen die de leiding hadden’ (p. 423).

Stil

Het is verbazingwekkend dat het rond het boek van Mak zo stil is gebleven. Van enig debat is mij niets bekend. Waarom Mak niet uitgenodigd voor de Belmont-conferentie? Dr.ir. J. van der Graaf besprak in het RD De eeuw van mijn vader sympathiek, maar onthield zich van een ‘toepassing’ op de eigen kring [4]. Prof.dr. J. Douma liet in het ND weten zich niet te herkennen in Maks beschrijving van de gereformeerde wereld [5]. Hij zou wel mild zijn voor zijn vader maar niet voor de overige gereformeerden van vroeger. Douma meent dat dit komt omdat Mak niet meer uit overtuiging - zoals hijzelf - gereformeerd is.

Toch doet men Mak geen recht door hem op deze manier op een hoop te vegen met verbitterde gereformeerde kerkverlaters als Maarten ’t Hart, Jan Wolkers en zovele anderen. Mak ziet zichzelf niet als een ongelovige. ‘Ik ben een religieus mens, ik spreek voor mezelf over Gods wil, niet over het lot’, zei hij in 1998 in een interview met het RD, naar aanleiding van zijn boekenweek-essay Het ontsnapte land [6]. Weliswaar schuwt hij soms stevige uitspraken niet - ‘gereformeerden hadden van binnen iets hards, iets principieel onbuigzaams, een kern van ongenadig gelijk, vreselijk als het ging om hartstocht, schoonheid, ontroering’ - maar hij voegt er dan direct aan toe dat ‘je er wel bij kon onderduiken’ (p. 269). En het leven in de zuilen mag dan ‘in onze ogen vaak neerdrukkend zijn geweest, voor velen in die tijd was het een veilige wereld, vol geluk en vertrouwen’ (p. 103).

Nee, Mak moet men niet te snel van rancune verdenken. Er is bij hem eerder sprake van weemoed - Mak gebruikt het woord zelf - over een wereld die onherroepelijk verdwenen (of aan het verdwijnen) is. Deze weemoed is te proeven in zowel de epiloog van het Jorwerd-boek als in die van De eeuw van mijn vader. In het Jorwerd-boek vertelt hij hoe hij Hardegarijp - zijn vader was na de oorlog ziekenhuispredikant in Leeuwarden geworden - ontvluchtte om in Amsterdam te gaan studeren. Later komt hij weer terug en ontdekt zijn Friese achtergrond (zijn grootouders van moeders zijde kwamen uit Friesland) en de waarde van traditie en overlevering. Al is de wereld die hij uit de verhalen van zijn familie kan reconstrueren, al vrijwel verdwenen. ‘Ook de dorpen waren meegegroeid in de tijd en de vooruitgang’ [7]. In zijn beschrijving van de veranderingen op het platteland hoedt hij zich voor nostalgie, maar hij heeft zijn twijfels over wat er voor het traditionele leven in de plaats kwam. ‘In 1995 was bijna de gehele gemeente bekabeld, er was keuze uit twintig tv-stations en in de meeste dorpen lagen zelfs de NRC en de Volkskrant niet later in de brievenbus dan aan de Amsterdamse Apollolaan. Iedereen werd, ook in de verste boerderijen, geconfronteerd met een storm van geluiden en impulsen, met mensen en gebeurtenissen die ver van hun bed lagen, met handelingen die waren losgemaakt van hun oorzaken en consequenties, met ervaringen die we maar half konden doorleven, omdat ze niet werkelijk gezien of gevoeld werden’ [8].

Democratisering

Volgens Mak werd de levensloop van zijn ouders doortrokken van drie grote maatschappelijke veranderingsprocessen: ‘De democratisering van de samenleving in welvaart, kennis en ontplooiingsmogelijkheden; het verdwijnen van de standenmaatschappij en daarbij behorende hokjes en vakjes - ook ten aanzien van de rolverschillen tussen mannen en vrouwen; het langzaam oplossen van waarden als discipline en ascese en van burgerlijke preutsheid - een proces dat onder andere werd gekenmerkt door talloze schermutselingen over vleeskleurige kousen, de pil en minirokken’ (p. 447).

Vader Mak stamt uit een zeilmakersfamilie uit Schiedam. De eeuw van mijn vader begint met een onovertroffen beschrijving van het dagelijks leven in en rond de zeilmakerij in 1900 in Schiedam. In de zeilmakerij is nog sprake van het traditionele ambacht. ‘De zonen, Koos en Arie, waren nooit op een vakschool geweest, ze hadden alles van mijn grootvader geleerd, en mijn grootvader had het weer van mijn overgrootvader. Zo had de vakkennis zich in de familie opgestapeld, van generatie op generatie’ (p. 17).

Vader Mak is de eerste die mag studeren en toegang krijgt tot cultuur. Van huis uit had hij dat niet meegekregen. ‘Geen goed boek, laat staan muziek. Ik moest hongerig naar bredere ontwikkeling alles zelf oppikken. Hoeveel heb ik in dezen wel niet aan je moeder te danken gehad, en aan de eerlijke, sociale, beschaafde omgeving van Vlaardingen’ (p. 68). Uit Vlaardingen kwam zijn meisje (van vriendin sprak men in die tijden nog niet), Geertje van der Molen, dochter van een onderwijzer. De Van der Molens waren al een stapje verder op de weg der emancipatie.

Grootvader Mak is zijn hele leven hervormd gebleven. Maar via grootmoeder Mak worden de kinderen gereformeerd. In een paar pennenstreken laat Mak zien hoe de hervormde kerk in de negentiende eeuw - voorafgaand aan de verzuiling - aan de bovenkant de vrijzinnigen - vanwege het ook door de orthodoxie nog nooit bevredigend opgeloste conflict met de moderne wetenschap - kwijtraakt en aan de onderkant de kleine luyden (waaronder veel bevindelijken) als gevolg van theologische en sociaal-maatschappelijke kwesties. De moeder van grootmoeder Mak zou op haar sterfbed - net na 1886 - gezegd hebben: ‘Kind, volg die gereformeerde dominee, ga naar zijn catechisatie, voed je kinderen op in de ware leer opdat ze gered worden’ (p. 36). Grootmoeder Mak beloofde het en ‘een hele tak van die brave, apolitieke, hervormde Makken werd opeens gereformeerd, en daarmee deelgenoot aan een van de meest strijdbare emancipatiebewegingen van deze eeuw’.

Die emancipatie ging rap. Toen Maks vader in 1918 theologie aan de VU ging studeren hadden de kleine luyden al op alle fronten gewonnen. ‘Ze speelden een belangrijke rol in de politiek en in de samenleving, ze zaten in de regering en op andere centrale posten’ (p. 84). En toen ze in 1934 ‘het honderdste jaarfeest van hun afscheiding vierden en het vijftigste van de doleantie (hier moet van een kleine historische verdichting sprake zijn, de Doleantie is immers van 1886, HO), hing de garderobe vol bontjassen en op de receptie wemelde het van de ministers, kamerleden, burgemeesters en andere hoogheden van eigen teelt’ ( p. 148).

Emancipatie

De emancipatie van de vrouw - door hem beschouwd als onderdeel van de afbraak van een hiërarchisch geordende samenleving - noemt Mak ‘de grootste en meest blijvende omwenteling’ van de twintigste eeuw (p. 493). Zijn moeder was in 1918 de beste vrouwelijke HBS-eindexamenleerling van Nederland - met 6 tienen - en ging natuurkunde studeren in Delft. Toch brak ze zonder problemen haar studie af toen ze zich verloofde met vader Mak. ‘Ze nam een baantje in het laboratorium van de Vlaardingse zuivelfabriek, spaarde voor haar uitzet en na haar huwelijk zou ze nooit meer aan het arbeidsproces deelnemen’ (p. 102).

In deze geest voedt ze ook haar kinderen op, maar ‘haar dochters en schoondochters lieten echter zien dat het ook anders kon, dat werk en gezin wel degelijk te combineren waren’ (p. 456). En langzamerhand geeft moeder Mak toe ‘dat ze graag had willen doorstuderen, zelf een baan had willen hebben, iets doen met dat hoofd vol slimheid. “Als ik nu een jong meisje was geweest, ja, dan waren de dingen zeker anders gegaan”, zei ze regelmatig’ (p. 456).

Dat er met het traditionele gezinsleven ook iets verdwenen is, ontgaat Mak trouwens niet. ‘In een willekeurige schoolklas heeft de meerderheid van de kinderen op zijn twaalfde al een echtscheiding doorstaan; in de jaren vijftig waren dat nog buitenbeentjes. Die ene gezinstafel met die ene lamp, die tijden zijn allang voorbij, maar nu is zelfs het tv-kijken in gezinsverband bezig te verdwijnen. Uit een onderzoek van de Volkskrant blijkt dat anno 1999 de meerderheid van de vijftienjarigen beschikt over een eigen televisie op de eigen kamer. Over de meeste zaken wordt tegenwoordig binnen de gezinnen onderhandeld, opgelegd wordt er aan opgroeiende kinderen weinig meer’ (p. 494) [9].

Consumentisme

In de jaren vijftig ziet Mak dat de ‘negentiende eeuw voorgoed uit ons leven verdween’ (p. 430). De popmuziek breekt door. In 1956 wordt ineens Elvis Presley een bekendheid. Naar aanleiding van de film Rock around the clock schrijft de Groene Amsterdammer (!) dat ‘Rock-’n-roll even primitief is als een stier in paringstijd’ en dat ‘door de voortdurende herhaling, het gehik en geschreeuw elk schaamtegevoel verloren ging’ (p. 430). Volgens Mak had ‘geen van deze deftige muziekrecensenten en levensbeschouwers in de gaten dat ze getuige waren van de geboorte van een van de belangrijkste muzikale stromingen van deze tijd’ [10].

Tussen 1956 en 1973 gaat er volgens Mak een wissel om. ‘De jaren zestig waren onmiskenbaar een periode van groot historisch belang, waarin de rollen van gezinnen, gezagsdragers, geloof, geld en goed sterk veranderden.’ Door de ongekende welvaartsstijging breekt het tijdperk van het consumentisme aan. ’De ongekende massale en langdurige welvaart heeft oude levenspatronen op zijn kop gezet. Vergeleken met de kapotgewerkte mannen en hoestende kinderen in het Zwart Nazareth (Schiedam) van 1899 leven de Nederlanders nu als koningen. De nadruk is zelfs grotendeels verschoven van het produceren naar het consumeren’ (p. 490) [11].

Parallel aan het consumentisme verandert de manier waarop mensen met elkaar omgaan. ‘Het haastige verbrokkelde bestaan waar mijn grootvader Van der Molen in de jaren vijftig al moeite mee had, werd steeds normaler. Veel mensen begonnen in meerdere werelden te leven, in werelden van werk, familie, vrienden - dubbele en drievoudige levens (..) De innerlijke normen van godsdienst, geweten en traditie werden zo langzaam aan vervangen door de normen van de groep, de samenleving, de televisie, de heersende mode. Later had men het over de “individualisering” van de samenleving, maar het was de vraag hoe diep die ging. De jongere generaties maakten meer eigen keuzes, maar tegelijk waren ze in andere opzichten conformistischer en minder eigenzinnig dan hun ouders en grootouders’ (p. 465).

Civic religion

Het christendom stempelt Europa niet meer. Toch is de godsdienstigheid volgens Mak niet verminderd. ‘Twee derde van de Nederlanders beschouwt zich op dit moment nog als gelovig, en dat geloof betekent ook iets voor hen. Wel is dit geloof meestal individueel en persoonlijk gericht, heel anders dan het gemeenschappelijk geloven van mijn vaders afscheidingskerkje in Den Briel en het bulderend samen zingen in de Friese dorpsgemeenten. Een kerk heeft men niet meer nodig: de meesten scharrelen hun eigen potje godsdienst wel bij elkaar’ (p. 491).

Aan het eind van de twintigste eeuw zorgt het christendom niet meer voor de eenheid van de natie. Dat de staat nog eens zal oproepen tot massaal gebed voor een goede afloop van een zwangerschap zoals in 1908 bij Wilhelmina, lijkt uitgesloten (p. 31). Maar wat houdt Nederland dan nog bij elkaar? ‘Ik denk dat die band vooral te maken heeft met wat sommigen aanduiden met “civic religion”: een grotendeels onuitgesproken mengelmoes van opvattingen, waarden, idealen en gezamenlijke herinneringen (..) In Nederland is deze “civic religion” ondanks alle ontkerkelijking nog steeds doortrokken van calvinisme (..) Het is de vraag hoe lang dat nog zal duren. Er is in snel tempo een nieuw Nederland in opkomst, een Nederland waar andere culturen steeds meer een stempel zetten op de “civic religion”, nog los van de toenemende globalisering van muziek, media, modes en andere trends’ (p. 497).

En hoe verging het de kleinkinderen van dominee Mak? ‘De kleinkinderen van mijn ouders ontwikkelden zich in zeer verschillende richtingen. Eentje is ingenieur geworden, een ander verkoopt op de markt honing en geitenkaas. Een werd econometrist, een ander pianist, weer een ander spiritueel masseur. De ene kleinzoon werd moslim en korandocent in Indonesië, de ander werd huisarts in Nieuw Zeeland. Er was een kleindochter die promoveerde op mannelijke vrouwen in de negentiende eeuw. Een kleindochter werd directeur van een importfirma van new wave- en hardrock cd’s. Een ander werd koster van een kerk in Amsterdam. Een achterkleinkind werd deels Algerijns, deels Maleis, deels Hollands opgevoed’ (p. 498). De bevindelijke overgrootmoeder Mak, die haar kinderen wenste op te voeden in de rechte wegen en daarom met de Doleantie meeging, zou als ze van dit vervolg geweten had, zich hebben gevoeld als Augustinus die in 430 op zijn sterfbed te Hippo de Vandalen voor de poorten wist.

Traditie

De filosoof Walter Benjamin (1892–1940) onderscheidt beleving van ervaring. Onder ervaring verstaat hij het ingebed zijn van meningen en normen, gevoelens en verlangens van het individu in traditie en collectiviteit, dat eigen is aan een wereld van agrarische en ambachtelijke arbeid [12]. De ‘reusachtige ontplooiing van de techniek’ breekt zijns inziens echter de bindingen van traditie en collectiviteit. Wat Benjamin hiermee voor ogen had kwam ik een paar keer tegen bij Mak. Gek genoeg thematiseert hij het nauwelijks, terwijl het mijns inziens een bijzonder aangelegen zaak is. Naast de drie processen die hij zelf onderscheidt, zou ik het een vierde willen noemen: de teloorgang van te zijn opgenomen in een zinvol verband, het verdwijnen van een wereld die vertrouwd is.

Na zijn dood sprak moeder Mak veel over haar man. Volgens Geert maakt niet alleen het gemis, maar ook de tijd haar eenzaam. ‘Het leek alsof de geschiedenis zich niet meer geleidelijk ontwikkelde, maar de laatste jaren met onnavolgbare sprongen ontwikkelde’ (p. 479). En dan komt er weer zo’n samengebalde typering - Mak lijkt er patent op te hebben - waar een meter sociologie niet tegen op kan. ‘Als mijn overgrootvader Mak de werkplaats van mijn oom Koos was binnengestapt, dan had hij daar binnen een kwartier zijn draai weer gevonden. Mijn grootvader Van der Molen had al meer moeite om de wereld van zijn (klein)kinderen bij te benen. Het zakenleven van mijn oom Hattem, de literatuur van Anna en Cas, het was hem totaal vreemd. En voor de generatie van mijn ouders, nog opgegroeid in Victoriaanse tijden, was de kloof nog veel moeilijker te overbruggen. Al waren ze nog zo flexibel en bij de tijd, wat voor relatie lag er nog tussen hun wereld en mijn Rolling Stones, om maar te zwijgen van de rest’ (p. 479). Of andersom, als in 1980 zijn studievrienden Jan Buskes en Evert Smelik overlijden, merkt Mak op dat behalve zijn moeder niemand in de omgeving van zijn vader ‘nog iets wist van Woord en Geest, van De Heraut en H.H. Kuyper’ (p. 475) [13].

Het is deze vergruizing van een gemeenschappelijke wereld van ervaring als gevolg van een proces dat veel groter is dan wijzelf, een proces dat we ook niet sturen, dat aangeduid wordt met de versluierende term ‘individualisering’. Henk Hofland, in de vorige eeuw in Nederland tot ‘journalist van de eeuw’ gekozen, is van mening dat er echter beter gesproken kan worden van ‘collectivisering’. De vrije markt heeft het gewonnen van het maatschappelijk middenveld. De trends winnen het van traditie [14]. ‘In de loop van niet eens honderd jaar hebben we steeds radicaler afgerekend met de historische continuïteit. Iedere samenleving heeft een aantal instituties waarin haar wezen verankerd ligt. Dat zijn de nationale soevereiniteit, de staat, de kerken en de universiteiten, de rechterlijke macht, het parlement, de politieke partijen, de vakbeweging, huwelijk en gezin, nutsbedrijven, tenslotte de ongetelde verenigingen, van omroep tot voetbal en verzamelaars van alles en nog wat, waarin de burgers zich gehuisvest hebben.’ Al deze instellingen, de een wat meer dan de ander, zijn volgens Hofland in verval. ‘Het proces werd al zichtbaar toen de “culturele revolutie” van de jaren zestig nog moest beginnen. Het is in versneld tempo verder gegaan na het einde van de Koude Oorlog. De vrije markt heeft de volgende acceleratie veroorzaakt. Bij het begin van de nieuwe eeuw laten we een verschroeide aarde achter ons, een uitgestrektheid bezaaid met de ruïnes van onze instituties, organisaties, publieke bedrijven tot achter de horizon’ [15]. Deze organisaties en instituties, van gezin en familie tot kerk en vakbond, hoezeer ook reeds in verval, hebben de crisis van de jaren dertig en de Tweede Wereldoorlog opgevangen. Maar hoe moet dat als onze Westerse wereld nog eens van dit soort rampen te verwerken krijgt, vraagt Hofland zich bekommerd af. Zorgt de vrije markt voor de morele basis, nodig voor het doorstaan van crises? Het is alsof Nietzsche weet had van het wegvagende karakter van techniek en markt, leidend tot de totale exploitatie van de aarde. In de herfst van 1887 schreef hij in een korte notitie onder de titel Oorzaken van het pessimisme: ‘dat de enkeling tegenover deze enorme machinerie de moed verliest en zich onderwerpt’ [16].

Herkenning

Het verhaal van Mak zal voor velen niet moeilijk te herkennen zijn. Wie heeft er ook niet zo’n grootmoeder? De door hem zo helder beschreven processen verklaren veel van de huidige spanningen in de gereformeerde gezindte. Het is de ongelijktijdigheid die het fase-verschil grotendeels verklaart. De VU is van 1880, de C.S.F.R. van 1951.

Het traditionele gereformeerde leven bestaat nog wel. Al is het vrijwel overal in de verdediging. Vroeger reed er uit de Alblasserwaard altijd een bus naar Apeldoorn als de ‘Schooldag’ gehouden werd. Al vroeg hadden de Christelijke Gereformeerde Kerken door dat je aan klantenbinding moest doen. Een dagje Apeldoorn was een dagje uit. En je hoorde nog wat goeds. Tegenwoordig rijdt die bus niet meer. De auto deed zijn intrede. Maar minstens zo belangrijk is de ontwikkeling dat ook die Alblasserwaarders alleen nog maar gaan als ze zin hebben en als de sprekers hen aanstaan. Voor de grote GZB-zendingsdag - waar ds. J.T. Doornenbal altijd zo lyrisch over schreef - geldt hetzelfde. Mondigheid en consumentisme stoppen nergens [17].

De door Mak geschetste ontwikkelingen ontgaan de leidslieden niet. Verschillende reacties zijn te vernemen, al naar gelang de positie die men inneemt. Zo blijft iemand als dr. C.S.L. Janse stellen ‘dat het isolement geboden is’. Hij is bijvoorbeeld bevreesd voor de evangelicalisering. Hij heeft goed door dat de evangelische beweging op een aantal punten door de bocht gaat voor de moderne cultuur. ‘De geringe belangstelling die men heeft voor de leer en de nadruk op de persoonlijke geloofservaring passen goed bij het huidige postmodernistische levensklimaat’ [18]. Merkwaardig overigens dat Janse het niet zo heeft op persoonlijke geloofservaring. Dat is toch een issue bij bevindelijk-gereformeerden? Waarschijnlijk vermoedt Janse verschillen. Tegelijk kon de aandacht voor beleving in de bevindelijkheid in de grond wel eens minder ver afstaan van de moderne belevingscultuur dan Janse lief is.

‘Overigens ben ik van mening dat evangelicalen oppervlakkig en arminiaans zijn’, hoor je Janse met een variatie op Cato de Oudere zeggen [19]. Hij is terecht beducht voor het van kleur verschieten van zijn traditie en de daarbij behorende levensstijl. Alleen is het jammer dat men van zijn hand nauwelijks aanzetten aantreft hoe wel het waardevolle van de gereformeerde traditie overgedragen kan worden, zonder oubollig te zijn. Janse schijnt te menen dat de cultuur van de grootmoeders van Mak of van Kersten of wie dan ook, simpelweg geconserveerd kan worden. Maar die jonge accountants die nu ouderling worden in de Gereformeerde Gemeenten (in Nederland) zijn natuurlijk andere mensen dan hun grootvaders die op lange winteravonden tijd hadden om de oudvaders grondig tot zich te nemen. En daar werkelijk veel wijzer van werden. Zoals er echter geen ‘reprint-theologie’ bestaat, zo kan men ook niet een traditie één op één doorgeven. Dan wordt de zaak op sterk water gezet. En dat is wat waar te nemen valt [20].

Andries Knevel vertolkt een andere rol. Hij trekt de laatste tijd door gereformeerd Nederland - hij sprak op de laatstgehouden GB-contio en op de christelijke gereformeerde ambtsdragers conferentie - en zijn boodschap is helder. Het is vijf voor twaalf voor de kerken, de preek komt niet meer over, er moeten meer ik-verhalen komen en we moeten meer wortelen in de wereld van vandaag. Anders wordt de kloof slechts breder en breder. Op de vraag of de EO zelf niet in postmodern vaarwater terecht komt, reageert hij bezwerend. ‘De mensen moesten eens weten hoe vaak de EO-medewerkers onder het oog van de technische NOB-mensen collectief op de knieën gingen omdat zij zich zo onmachtig voelen en omdat het communiceren van het evangelie zo weerbarstig is’ [21]. Of dit antwoord werkelijk zo vrij is van postmoderne smetten, kan men betwijfelen. Men verneemt immers geen inhoudelijk weerwoord, maar een persoonlijk getuigenis. En daar kan men moeilijk tegenin gaan. Dat de Vader in de hemelen in het verborgene ziet (Matth. 6:6), laat ik dan nog maar buiten beschouwing [22].

Noordmans

Zowel de positie van Janse als die van Knevel lijkt me te kortademig. Als ik daarom aan wil geven wat mij van belang lijkt in het noodzakelijke gesprek over de vitaliteit van de gereformeerde traditie en levensstijl in onze cultuur, wil ik dat doen door twee kernwoorden die volgens dr. O. Noordmans gereformeerd-zijn het best en diepst typeren, voor het voetlicht te halen. Die twee kernwoorden zijn ernst en eenvoud.

Over ernst zegt Noordmans: ‘Niet zonder ontroering zal menigeen van ons zich die grondstemming uit het ouderlijk huis herinneren, waarin gevouwen handen, lezing der Schrift en psalmgezang geen liturgische handelingen waren, die in het profane leven werden ingeschoven om de huiver voor het geheimzinnige wakker te houden, maar zich aansloten bij het geheel’ [23]. Voor Noordmans begint het geestelijk leven in het gezin. Het geloof begint niet in de kerk, maar thuis en in het gewone leven. ‘De echte grote ernst, waarvan we weten, ligt voor ons toch meer gebonden aan een meer persoonlijke sfeer. Daar wij nader stonden bij God. Bij God de Heilige Geest. Waar wij de werking van die Geest in en aan het mensenhart van nabij haast konden bespieden en ervaren.’

De nadruk op de werking van de Heilige Geest die gereformeerd-zijn volgens Noordmans kenmerkt, zorgt naast ernst ook voor eenvoud. Die eenvoud is het schoonste wat hij kent. Het heidendom reageert op de schepping in de magie, het katholicisme in de mystiek op de verlossing en het gereformeerde ‘kent slechts de onmiddellijkheid van de Heilige Geest, waarin schepping en verlossing in diepste ernst en zeldzaam vereenvoudigde vorm worden toegeëigend’.

Achter deze ernst en eenvoud heeft volgens Noordmans grote kracht gescholen. ‘Hoe anders zouden ze het gewaagd hebben om zonder asceten te zijn drie uit humanistisch oogpunt gezien bijna vitale delen uit het leven weg te snijden: dans, kansspel en toneelspel?’ [24]. Noordmans ziet in het verwerpen hiervan wel een openbaring van ernst, maar niet van ascese. ‘Het is levensernst, geen afsterven van de wereld. Het is een geestelijke samentrekking van het leven, een zedelijke vereenvoudiging voor het aangezicht Gods. Het is een concentratie op het leven zelf, ernst tegenover spel.’ Deze ernst en soberheid staan volgens Noordmans in verband met de concentratie op het eeuwige leven. ‘Deze aandacht staat niet vijandig tegenover het aardse leven. Calvijn ontkent uitdrukkelijk tegenover Plato dat het leven doodsoverdenking zou moeten zijn. Oefening tot doding van het vlees wil hij het liever noemen, totdat de Geest Gods volkomen in ons regeert’ [25].

Rationalisme

Mak noemt zich geen ongelovige. Wel is hij modern en past hij niet meer in het strak georganiseerde gereformeerde wereldje van psalmen-galmend Den Briel (in 1924 de eerste gemeente van zijn vader). De jaren zestig betekenden voor hem en veel van zijn generatie-genoten het afscheid van deze wereld.

Hoe persoonlijk en concreet ook schrijft, over de binnenkant van de vroomheid kom je in zijn boek weinig tegen. Hoe zag de dagelijkse geloofspratkijk eruit? Wel lees je dat zijn grootvader - die niet met de Doleantie meeging - op zondagavond met zijn kinderen zong uit de hervormde gezangenbundel. Van zijn vader schrijft Geert dat het geloof zijn persoonlijkheid ‘als het ware bijeen hield’ (p. 108). Maar aan zijn eigen ‘afval’ in de jaren zestig - al trouwt hij omwille van zijn ouders nog net in de kerk - wijdt hij weinig woorden. In het proces van transformatie verdwijnt het oude geloof (misschien beter: de oude geloofspraktijk) geruisloos lijkt het wel. Benieuwd ben ik wat er bij Mak voor de oude gereformeerde wereld in de plaats is gekomen.

In een interview met Centraal Weekblad geeft Mak aan wat er in zijn ogen schortte aan de neo-calvinistische gereformeerde wereld [26]. ‘Het probleem van de gereformeerden is dat ze de emotionele kant van de christelijke boodschap in hun grote geloofsijver naar zijn mallemoer hebben geanalyseerd.’ De huidige theologische lectuur vindt hij bevrijdend en interessant maar ‘op een gegeven moment denk ik: je hebt het nou zo geanalyseerd, wat geloof je nog? Gereformeerden spitten het Godswoord uit zoals je een bloem uit elkaar peutert. Dan kun je haar niet meer opnieuw in elkaar zetten. Er moet een mysterie blijven. Je moet dat mysterie kunnen accepteren en soms niet meer willen weten. In wezen is de moderne theologie rationeel negentiende-eeuws. De gereformeerden zijn bij uitstek kinderen van de moderne negentiende eeuw.’

Ook de gereformeerde gezindte is terecht gekomen in het proces van transformatie dat Mak beschrijft. Maatschappelijk gezien kwam de negentiende eeuw in de jaren ’50 ten einde, kerkelijk duurt hij heel wat langer. Maar dat hij uit het zicht zal verdwijnen staat vast. Zo hebben veel vrijgemaakte jongeren al vrijwel niets meer met 1944, en weten veel christelijk gereformeerde jongeren echt niets meer van de Afscheiding. Ik denk ook niet dat het vasthouden aan dit soort historische symbolen en gebeurtenissen - hoe belangrijk op zich misschien ook - genoeg dragende kracht zal hebben voor de toekomst.

Diepte

Als men Mak goed leest, met in het achterhoofd de culturele ontwikkelingen, wacht de gereformeerde gezindte nog wel wat huiswerk. Het belangrijkste lijkt me te zijn hoe toegang te houden tot de bevindelijke dieptelagen, zonder het contact met de eigen tijd te verliezen. Het debacle van het neo-calvinisme wordt in hoge mate veroorzaakt - Mak geeft het in het Centraal Weekblad duidelijk aan - door zijn rationalisme. En het is dit rationalisme waarvoor de bevindelijkheid altijd terecht beducht is geweest (wetend dat het hart redenen heeft die het verstand niet kent). Alleen komt men er nu achter dat het niet alleen het tekort aan bevindelijkheid was, wat het neo-calvinisme de das heeft om gedaan. Ook het onvermogen om culturele ontwikkelingen adequaat te integreren in de geloofspraktijk, heeft geleid tot de marginalisering van het gereformeerde kerkelijke leven. En dit onvermogen speelt de bevindelijke stromingen op dit moment minstens zoveel parten. De grote opgave zal zijn om vanuit de dieptelagen van gereformeerd-zijn - vergelijk de zes punten van prof. A. van de Beek in zijn RRQR-lezing: grootheid van God, kleinheid van de mens, genade van Christus, heiliging, aanvechting en bevinding - tot een vernieuwing van het gereformeerde leven te komen. Hier en daar zal dat zeker aanpassing betekenen. Maar waarschijnlijk veel meer een eigentijdse cultuurkritische levenswijze. Gedragen vanuit de door Noordmans genoemde gereformeerde kernmomenten van ernst en eenvoud.

Uit dit fundamentele huiswerk vloeien een aantal andere kwesties voort. Zowel in theoretisch als praktisch opzicht. Met het eerste doel ik op het vraagstuk van de Schrift en de wetenschap. Mak noemt in zijn boek de VU-oudtestamenticus Van Gelderen - met de merkwaardige bijnaam Katoentje - die tijdens college eens zo in vervoering raakte door zijn wetenschappelijke analyse dat hij ‘in alle opzichten losraakte van de officiële kerkleer’. ‘Als hij dat doorkrijgt, eindigt hij zijn college dramatisch: “Mijne heren, ik geloof in de Heilige Schrift als het onfeilbare en betrouwbare Woord van God.” Einde college. Hij kon geloof en wetenschap niet langer met elkaar verenigen’ (p. 82). Dit vraagstuk is blijvend aan de orde, zeker wanneer we bedenken welke ontdekkingen de bio-medische wetenschap voor ons nog in petto hebben [27]. De zuigkracht van een materialistische levensopvatting zal er niet kleiner op worden.

Tot dit vlak reken ik ook de vraag naar een gereformeerde hermeneutiek, onder andere toegespitst op de vraag wat nu de richtlijnen zijn die de Schrift geeft voor het leven en wat gewijzigde maatschappelijke verhoudingen daarbij voor implicaties hebben. De discussie over de plaats van de vrouw is op dit punt exemplarisch. De ontwikkeling over honderd jaar bekijkend, kan men niet anders dan constateren dat de maatschappelijke veranderingen in de man-vrouw verhouding, weliswaar vertraagd, maar na verloop van tijd ook in kerkelijke kring zijn geaccepteerd. Let wel geaccepteerd, bevorderd is er weinig en doordacht nog minder [28]. Zo beducht was men voor een feministisch emancipatie-streven. Waren er in de afbraak van (al te) hiërarchische verhoudingen dan echt geen bijbelse noties te ontwaren? Toch is er wel veel overgenomen. De theologische discussies blinken echter meestal uit in tijdloosheid. Alleen wat de bijbeltekst letterlijk zegt lijkt beslissend. Het betrekken van de culturele context - hoe klonk de tekst toen en daar - is al een teken van Schriftkritiek. Bezinning op de vraag hoe onze maatschappelijke context het lezen van de Schrift kleurt (en mag kleuren), lijkt me echter van groot belang. Als de Schrift het tenminste werkelijk voor het zeggen moet hebben.

Concentratie

Rijkdom is altijd iets geweest voor de elite. Niet zelden wist die elite zich geen raad met haar materiële welstand. Omgaan met rijkdom - de bijbel spreek er vaak over - is blijkbaar niet zo simpel. Nu wij - lijkt het wel - in een maatschappij van overvloed zijn aangeland, zal het vinden van de juiste verhoudingen een hele opgave zijn. Het verwerven van rijkdom kost veel inspanning. De toenemende druk die op het leven ligt - en waar iedereen over mee weet te praten - leidt tot veel spanningen, niet in het minst in het gezin. Het vraagstuk van werk en zorg is maatschappelijk nog verre van opgelost. Er is ondertussen een karrevracht aan publicaties over de druk die het samen te veel werken legt op het gezinsleven. En niet te vergeten het familieleven [29]. Opa en oma zijn is tegenwoordig niet altijd een pretje. Kortom, als Noordmans gelijk heeft met zijn stelling dat de in het gezin beoefende vroomheid, tot de kern behoort van het gereformeerde leven, dan biedt onze cultuur - naast een aantal terechte verworvenheden - ook een aantal niet geringe bedreigingen.

De vraag naar het gezin is ook de vraag naar de gemeenschap, naar de traditie. Wie die binding kwijtraakt staat moederziel alleen. Juist nu leefwerelden zo uiteen komen te liggen en zo snel kunnen veranderen, wordt de vraag nijpend wat de collectieve structuren zijn waarin we elkaar herkennen. De komende jaren zullen veel experimenteerdrift te zien geven. Onontkoombaar. Maar er zal tevens hard gewerkt moeten worden aan mogelijkheden tot herkenning. Dus liefst niet iedereen zijn eigen gezangenbundel. Dat zal veel vergen van stuurmanskunst en onderling contact. Twee eeuwen kerkgeschiedenis hebben ons opgezadeld met een hopeloos verkaveld kerkelijk leven. Het hoeft niet allemaal een te worden, maar een beetje meer werkelijk onderling contact, begrip en uitwisseling kan geen kwaad [30]. De EO-conferenties vervulden op dit punt een prima functie. Misschien is een soort Raad voor de kleine kerken zo gek nog niet. Over het COGG wordt altijd wat lacherig gedaan. Beter lijkt het om het te institutionaliseren [31]. Minstens zo belangrijk is het contact met de traditie met een grote T. Wie niet door de waan van de dag verdoofd wil worden, moet kunnen toeven in de ruimte van de traditie. Hier ligt een niet geringe taak - bijna zou ik zeggen ‘uitdaging’ - voor met name het middelbaar en hoger onderwijs.

Ook gereformeerden hebben terecht ontdekt dat van het aardse leven genoten mag worden. Maar in onze belevingscultuur zijn de gevaren daarvan niet gering. Juist nu we afscheid nemen van tal van regeltjes, lijkt bezinning op de reikwijdte van het gebod geboden. Ik ontleen deze gedachte aan prof.dr. H.W. de Knijff. ‘Er is in de dingen der schepping kennelijk zoiets als een ingebouwde grens en hun genot (gebruik) krijgt zijn kans pas echt, als het die grens respecteert. Door het gebod worden wij naar onze plek verwezen, waar leven mogelijk en goed is.’

De Knijff is een goed leerling van Noordmans. Hij meent dat ‘de christelijke gemeente van vandaag zich vooral moet richten op reserve, ascese, opoffering, teruggetrokkenheid, eigen gewoonten (eenvoud, echtheid), bezinning op de kern’. En hij vindt dat de gereformeerde traditie voor ‘zulk een geconcentreerde levenshouding veel in huis heeft’ [32]. Een minderwaardigheidscomplex is nergens voor nodig. Alerte koersbepaling daarentegen meer dan ooit.

  1. Beide boeken lijken me verplichte kost voor o.a. theologische opleidingen. De geschiedenis van de kerk is niet los te maken van die van de cultuur. Pagina-aanduidingen in dit artikel verwijzen steeds naar De eeuw van mijn vader, Atlas, 1999.
  2. Misschien komt er nog wel een Eeuw van Europa. Voor NRC-Handelsblad reisde Mak heel 1999 door dit continent, West en Oost. Het leverde fraaie stukjes op de voorpagina op. In M - het maandblad van de NRC - van februari 2000 schreef hij een meesterlijk - maar weinig vrolijkstemmend - essay over zijn reis. Na de val van de Muur is de helft van Europa in een neerwaartse spiraal terecht gekomen. ‘Hier worden miljoenen mensen, hele generaties, afgeschreven. En vroeger of later zal daarop een reactie komen, op welke manier dan ook.’ De andere helft van Europa komt om in de luxe. Vooruitgang is een relatief begrip.
  3. Over de drang tot volksverheffing van de socialisten moet men niet gering denken. De AJC (Arbeiders Jeugd Centrale) deed niet onder voor de gereformeerde jongelings verenigingen. Voorzitter K. Vorrink leek wel een dominee toen hij in de jaren dertig declameerde: ‘Hoe leeg en arm is het leven der jonge arbeiders of arbeidsters, wier geestelijk voedsel bestaat uit filmmoorden, detective romans, voetbalopwinding en dergelijke’ p. 111. Volgens Martin Ros hebben arbeiders echter nooit verlangd naar culturele verheffing. Met de democratisering van de welvaart en het ‘fata morgana van de televisie zijn hun verlangens verwezenlijkt’, Wapenveld, aug 1995, p. 117.
  4. Reformatorisch Dagblad, 29 september 1999.
  5. Nederlands Dagblad, 8 oktober 1999.
  6. Reformatorisch Dagblad, 6 maart 1998.
  7. Hoe God verdween uit Jorwerd, uitgeverij Atlas, 1996, p. 272.
  8. Hoe God verdween uit Jorwerd, p. 282.
  9. Cultuursocioloog dr. Carl Rohde in de Volkskrant van 12 juni 1999: ‘Veel jongeren die we momenteel interviewen hebben een hekel aan babyboomouders die de echtscheidings cultuur in wer-king hebben gezet.’ Zij willen het beter gaan doen. Of dat lukt? ‘Ze hebben een a-romantische, veeleisende, strikt-individualistische prioriteiten lijst. Jezelf opofferen? Whezdeh? Fun! En juist deze groep wil een geslaagd huwelijk. Voor de komende jaren houd ik mijn hart vast.’
  10. Sinds kort is René Boomkens de eerste hoogleraar popmuziek in Nederland. In zijn oratie - verkort te vinden in Trouw, 26 februari 2000 - verdedigt hij de stelling dat de ‘popmuziek en de popcultuur een omslag in het beschavingsproces vertegenwoordigen, een culturele omwenteling in de verhouding tussen ouders en kinderen, tussen ouderen en jongeren in het algemeen, maar ook in de opvattingen over de verhouding tussen geest en lichaam, over seks en erotiek, over leeftijd, over individuele en collectieve identiteit, en zelfs over goed en kwaad’. Boomkens’ conclusie luidt dat de kern van de popmuziek is gelegen in het lustprincipe. ‘Plezier is de kracht en het grote schandaal van de popsong als volkslied van de globalisering.’
  11. In NRC-Handelsblad van 7 januari 2000 bespreekt Sjoerd de Jong vier boeken die het moderne Nederland beschrijven. ‘De Nederlander is geheel vernieuwd: we zijn een alternatief en hedonistisch volkje geworden.’ En: ‘Het Nederlandse zelfbeeld van soberheid is vervangen door een zelfbeeld van het-kan-niet-gek-genoeg.’ En: ‘De vrijetijdsbesteding “uit je dak gaan” is van escapistisch achterdeurtje voor de Torremolinos-jeugd razendsnel opgewaardeerd tot steunbalk in de mentale architectuur van modern-volwassenen.’
  12. Geciteerd in Gerard Visser, De druk van de beleving, filosofie en kunst in een domein van overgang en ondergang, uitgeverij SUN, 1999, p. 319.
  13. Woord en Geest, in 1925 opgericht, streefde naar vernieuwing van de gereformeerde kerken. In de redactie zat dr. J.G. Geelkerken, de man van Assen 1926. Na zijn afzetting en het ontstaan van de Gereformeerde kerken in Hersteld Verband wordt het in feite het orgaan van Hersteld Verband. De Heraut was het weekblad dat vanaf ongeveer 1870 - Kuyper was lange tijd hoofdredacteur - een belangrijke rol speelde in gereformeerde kring. H.H. Kuyper (1864–1945) tenslotte - zoon van Abraham Kuyper - was van 1900 tot 1936 hoogleraar kerkgeschiedenis aan de VU en een invloedrijk maar behoudzuchtig man in zijn kerken.
  14. Een willekeurig voorbeeld: het Impact-foldertje in dit nummer van Wapenveld. Met zinnen als: ‘Wat betekent je christen-zijn als je op sabbatical leave door de jungle van Laos trekt?’ Tsja.
  15. NRC-Handelsblad, 31 december 1999.
  16. Geciteerd in dr. G. Visser, ‘Nietzsches Übermensch - de noodzaak van een herbezinning op de vraag naar de mens’, Tijdschrift voor Filosofie, december 1992, p. 655.
  17. Toch is het concept van een massale ontmoetingsdag nog lang niet achterhaald. De EO koestert niet voor niets zijn Fruitmand-, Familie- en Jongerendag. Mijn werkgever - de Universiteit Utrecht - stopt de laatste jaren weer veel energie in de universiteitsdag. Voor de binding met de afgestudeerden.
  18. Reformatorisch Dagblad, 30 december 1999.
  19. Cato de Oudere (234–149 v.Chr.) was een Romeins senator die zijn redevoeringen placht af te sluiten met de zin: ‘Ceterum censeo Carthaginem esse delendam (Verder ben ik van mening dat Carthago vernietigd moet worden)’, De klassieke oudheid, Het Spectrum, 1994, p. 214. Carthago was in die tijd de geduchte tegenspeler van de Romeinen.
  20. De term ‘reprint-theologie’ is van W. van ’t Spijker, Wapenveld, december 1996, p. 196.
  21. Trouw, 6 januari 2000.
  22. Het viel me op dat ds. A. van der Veer in het interview met Wapenveld, oktober 1998, op een vergelijkbare vraag hetzelfde antwoord gaf als Knevel bij de GB: ‘Als er ooit een plek geweest is waar gebeden wordt “Heere wijs ons uw weg”, dan hier’.
  23. Noordmans, Verzamelde Werken deel 3, p. 391 e.v. Noordmans ontvouwde deze gedachten in zijn in 1928 voor de Ethische Vereeniging, afdeling Groningen, gehouden lezing Gereformeerd-ethisch.
  24. Noordmans, p. 393.
  25. Noordmans, p. 394.
  26. Ik trof fragmenten uit dit interview aan in de rubriek Uit de pers van ds. J. Maasland in De Waarheidsvriend van 13 januari jl. die ik weer van een kennis kreeg. De netwerksamenleving is wijd verbreid.
  27. Francis Fukuyama in NRC-Handelsblad, 6 augustus 1999: ‘Als we eenmaal begrijpen wat de biologische wortels van gedrag zijn, kunnen we gaan manipuleren. We doen dat al op grote schaal door toediening van geneesmiddelen die gedrag beïnvloeden. In de toekomst zullen we dat soort problemen waarschijnlijk veel directer kunnen aanpakken: via de biotechnologie. Dan zijn we bezig een nieuw soort mens te maken.’ Maar binnen welke kaders dit allemaal moet gebeuren weten we niet? ‘We zijn in filosofisch opzicht verward en in religieus opzicht onzeker’, meent Zbigniew Brzezinski in de NRC van 14 augustus 1999.
  28. Herman Bavink - die wel meer voorzien heeft - schreef in 1918: ‘De ziel der vrouw is ontwaakt, en geene macht ter wereld brengt haar terug tot de onbewustheid van weleer.’ Ik trof dit citaat aan in het artikel van Hillie van der Streek - De twintigste eeuw is de eeuw van de vrouw - in het ICS-Cahier Balans van een eeuw, december 1999.
  29. In het Opzij-nummer van maart was nog een artikel te vinden over beter omgaan met burn out, over een betere verhouding tussen stress en rust.
  30. Naast de noodzaak tot onderling contact, dient ook de vraag naar de kerkelijke besluitvormings structuren onder ogen gezien te worden. Dr. Maarten Verkerk in het ND van 15 december 1999: ‘De kerkelijke organisatie lijkt op een olietanker: log en nauwelijks wendbaar. De afstand tussen de basis en het hoogste orgaan is groot. Besluitvorming kan vele jaren duren.’ Dan Van der Veer, die pakt even de telefooon en regelt Project 2000, ND, 27 november 1999. ‘Ik kan me voorstellen dat kerkleiders met verbazing zien dat we in EO-verband voor elkaar krijgen, wat hen op hun niveau niet lukt.’ Niet alleen de kerken tobben met de stroperigheid van (verouderde?) structuren, hetzelfde probleem valt te signaleren binnen de rechtspraak. Een definitieve uitspraak kan jaren duren.
  31. Hetzelfde zou ik willen bepleiten voor de interkerkelijke Stichting geestelijk Lied Gereformeerde Gezindte. Nu de gezangen-kwestie acuut gaat worden is kerkelijke inkadering nodig.
  32. De Knijff schreef dit in zijn reactie op de jaarserie ‘Hoe wilt Gij zijn ontmoet?’, Wapenveld, december 1998, p. 197. De laatste jaren heeft hij een aantal diepborende artikelen gewijd aan zowel de boodschap als de kloof. Vgl. zijn ‘Leven in twee werelden - de kloof geschetst’, Kontekstueel maart 1999 en ‘Goden en machten in menigte’, Predikant en Samenleving, april/mei 1996.