'De wetenschap moet veel meer ingebed worden in een normatieve bezinning.'

over de achtergronden van de mkz-crisis

Een voorzitter van een College van Bestuur van een universiteit in gesprek met een milieufilosoof, het is een combinatie die niet zo vaak voor zal komen. Zoals er ook niet zoveel voorzitters van Colleges van Bestuur zullen zijn die tijdens de opening van een academisch jaar uitspreken dat het waarheidssubjectivisme uiteindelijk ‘zelfdodend’ is [1]. En zijn er in Nederland veel filosofen die op het idee zouden komen een manifest te schrijven onder de titel: ‘Naar een universitair reveil’? [2].

We hebben het over prof.dr. C.P. Veerman, voorzitter van het College van Bestuur van Wageningen Universiteit (voorheen Landbouwuniversiteit Wageningen) en prof.dr. G.A. van der Wal, tot voor kort hoogleraar milieufilosofie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam [3]. Beiden vonden de reactie op het manifest – het werd door de meeste bestuurders vrij snel en zonder veel argumenten van tafel geveegd – nogal goedkoop. Een belangrijke aanleiding tot het manifest waren de uitspraken van oudtopman Herkströter van Shell, tegenwoordig voorzitter van de Raad van Toezicht van de Erasmus Universiteit. Volgens hem moet de universiteit opleiden tot bruikbare mensen waar de arbeidsmarkt wat aan heeft. Veerman vindt dit een definitie die absoluut gespeend is van wetenschappelijke feeling en liefde voor de wetenschap. Kern van de wetenschap is voor hem de vrijheid om te zoeken naar beantwoording van vragen die wetenschappers zichzelf stellen.

Herkströter bevestigt wat Nietzsche schreef met het oog op de komende industriële maatschappij, een maatschappij waarvan de contouren reeds zichtbaar werden op het moment (1872) dat hij het volgende schreef: ‘Het zal ook geenszins het tijdperk van de voltooide en gerijpte, harmonische persoonlijkheden worden, maar dat van de gemeenschappelijke, zo productief mogelijke arbeid. Dat betekent echter alleen maar: de mensen moeten voor de doeleinden van de tijd afgericht worden om zo vroeg mogelijk aan de slag te gaan: ze moeten al in de fabriek van het algemeen nut werken voor ze rijp zijn, ja om ze niet eens meer rijp te laten worden – omdat dat een luxe is die aan de “arbeidsmarkt” een massa energie zou onttrekken’ [4].

Van der Wal en Veerman vinden beiden echter dat een universiteit zowel in vakinhoudelijke als morele zin studenten moet opleiden. Doet een universiteit dat niet dan levert ze gemankeerde academici af. Zoals Veerman het zei in zijn al genoemde opening van het academisch jaar: ‘Aan hen die tot de bestuurlijke en intellectuele bovenlaag van onze samenleving zullen gaan behoren, moeten wij m.i. het besef bijbrengen en funderen dat zij verantwoordelijkheid dragen, omdat zij inzicht hebben en sterker nog, steeds meer inzicht nodig hebben om die verantwoordelijkheid te kunnen vormgeven. Dat is niet elitair, maar het is het dividend op de investering die de samenleving in hem of haar heeft gedaan. Dat betekent voor de universiteit een brede opleiding waarbij de alpha en gamma componenten niet als aanhangsels of versierselen in het curriculum zijn opgenomen, maar als onmisbare componenten voor de vorming van een evenwichtig gevormde geest worden beschouwd’ [5]. Met beiden sprak Wapenveld over de achtergronden van de mkz-crisis en de noodzaak tot een verbreding van de academische opleiding. De mkz-crisis is in hun ogen mede het gevolg van een verengd technologisch denken, een denken dat dominant is in de westerse wetenschap. Wil je het kader verbreden, dan zul je in de opleidingen moeten beginnen. Beiden hopen dat de invoering van het bachelors-masters-systeem, die verbreding mogelijk zal maken.

Boer

Prof.dr. C.P. Veerman (52) is sinds een aantal jaren voorzitter van het College van Bestuur van Wageningen Universiteit. Maar in het weekend zit hij het liefst op een trekker. ‘Ik ben een boerenzoon en nog steeds boer. Wij hebben een akkerbouwbedrijf in de Hoeksche Waard, in Goudswaard – daar kom ik vandaan en daar woon ik nog – en we hebben sinds ruim een jaar een boerderij in Frankrijk, in de Dordogne. Voor deze bedrijven ben ik eindverantwoordelijk, al laat ik de dagelijks leiding aan anderen over.

Ik ben lidmaat van de Nederlands Hervormde Kerk en voel me verwant met de confessionele richting. Kohlbrugge, Hoedemaker, Van Niftrik, dat zijn mensen die mij gevormd hebben. Politiek zat ik in de hoek van de CHU, logisch met zo’n achtergrond. Ik heb in de gemeenteraad gezeten en nu schrijf ik mee aan de landbouwparagraaf van het CDA-verkiezingsprogramma. Naast mijn wetenschappelijke loopbaan aan de Erasmus-universiteit in Rotterdam ben ik ook bestuurlijk actief geweest, onder andere in de waterschapswereld. En nu zit ik hier in Wageningen. Wageningen kende ik al, omdat ik hier gepromoveerd ben, op een landbouweconomisch onderwerp. In Rotterdam wilde ik eigenlijk promoveren op een heel ander onderwerp, de structuur en de aard van de rente. Het nemen van rente was in de middeleeuwen verboden en in islamitische landen is het nog verboden. Dit thema bewaar ik maar voor de VUT.

Ik ben benoemd tot voorzitter van het College van Bestuur met de opdracht om deze niet zo grote universiteit te integreren met de veel omvangrijkere Dienst Landbouwkundig Onderzoek (DLO). DLO is een uitvoerende rijksdienst van het Ministerie van LNV, die in de vorm van een aantal instituten hier in Wageningen onderzoek doet op het brede terrein van de landbouwwetenschappen. Bij elkaar heb je het dan over 7000 mensen, 5000 studenten en een omzet van een kleine miljard. Eigenlijk ben ik nu de grootste boer van Nederland.

Ik heb in Rotterdam economie gestudeerd, van 1968 tot 1973. Nee, ik ben nooit lid geweest van een studentenvereniging. Ik reed heen en weer met een autootje, naar Rotterdam was maar twintig minuten. Mijn vader zei altijd: ‘Ga maar even naar Rotterdam en kom dan weer snel terug.’ Bovendien, ik hield erg van het bedrijf en mijn vader was door zijn matige gezondheid niet zo goed in staat alles zelf te doen. Wij hadden een instelling van altijd opschieten. En je komt natuurlijk van het platteland en je bent dus nog niet zo geweldig gewend aan het stadse leven. Ik kom uit een kring waar het stadse leven ook nog wel als een zeker gevaar wordt gezien.’

Dominees

Komt Veerman uit een boerengeslacht, prof.dr. G.A. van der Wal (66) komt uit een milieu van theologen, onderwijzers en mensen uit de gezondheidszorg. ‘Mijn overgrootvader was predikant, mijn grootvader was predikant en een paar ooms ook. Ik ben dus theologie gaan studeren aan de VU. Maar ik had al na drie maanden in de gaten dat dat het toch voor mij eigenlijk niet was. Ik ben toen overgestapt naar de filosofie. Omdat ik begreep dat er voor mensen met een filosofie-opleiding weinig maatschappelijke kansen waren, heb ik er Duitse taal- en letterkunde bijgedaan. Na een jaar Duits geven op een middelbare school, werd ik door mijn promotor naar de UvA geroepen om college te geven. Ik mocht zelf weten waarover, als het maar uit de geschiedenis van de moderne wijsbegeerte was. Dat was een luxe. In ’69 ben ik gepromoveerd. De turbulente tijd aan de UvA heb ik helemaal meegemaakt en ook wel mee helpen bewerkstelligen. Wij vonden de oude regenteske hooglerarenfaculteit oudbakken. Dat moest maar eens afgelopen zijn. Wij sympathiseerden met de bezetters van het Maagdenhuis en voorzagen hen onder andere via een luchtbrug van proviand.

De geradicaliseerde studenten hebben het wel veel te bont gemaakt. Lange tijd was de sfeer, zeker aan de faculteit sociale en politieke wetenschappen, behoorlijk verziekt. Daar heerste vrijwel geen vrijheid van spreken meer. Zo gek is het in de filosofische faculteit gelukkig nooit geweest.

Aan de UvA ben ik ook hoogleraar geworden. Alle hoeken van de filosofie heb ik wel gezien, dus van de geschiedenis, via de wetenschapsleer naar de antropologie en uiteindelijk dan de meer normatieve vakken. Ik heb altijd gevonden dat filosofie die niet kan duidelijk maken wat de praktische implicaties zijn dat dat onzin-filosofie is. Dat is één van de dingen die ik van Karl Jaspers geleerd heb.’

Filosofie moet voor u wel degelijk maatschappelijk relevant zijn?

‘Ja, niet heel kort door de bocht, maar als een filosoof überhaupt niet kan zeggen waar het goed voor is – al kan een dergelijk inzicht soms laat geboren worden – dan is het niks. Voor mezelf zijn een paar excursies naar de praktijk erg belangrijk geweest. Ik ben op een gegeven ogenblik, puur toevallig, voorzitter geworden van de Nederlandse afdeling van Amnesty. Daar liep je tegen allerlei praktische problemen aan waarop bezinning nodig was wilde, je niet met te kortademige oplossingen komen. Dat was dus een soort kruisbestuiving tussen een praktische job en een universitaire functie. Later ben ik via Amnesty in het vluchtelingenwerk gerold. Van de Vereniging voor Vluchtelingen-studenten UAF ben ik tien jaar voorzitter geweest. Ook dat had invloed op het academische werk. Aan het einde van mijn loopbaan ben ik in de milieufilosofie terecht gekomen. Ik moet eerlijk zeggen dat ik niet eens zo duidelijk kan zeggen hoe dat gebeurd is, maar op een gegeven ogenblik zat ik er diep in. De milieucrisis is een maatschappelijk probleem waar men in het algemeen veel te oppervlakkig mee omgaat. Net zoals de crisis in de landbouw is de milieucrisis een maatschappelijke crisis, een crisis van normen en waarden, zoals dat heet [6].’

Rotterdam

Veerman en Van der Wal kennen elkaar uit Rotterdam. Van der Wal werd daar eind jaren ’70 benoemd tot hoogleraar ethiek en hielp mee de nieuwe faculteit wijsbegeerte op te bouwen, Veerman was toen werkzaam in de met Delft opgezette interfaculteit bedrijfskunde. Omdat Veerman behoefte had aan wat meer reflectie op waar hij mee bezig was, ging hij buurten bij de filosofen. ‘Ik ben tijdens mijn studie algemene economie al geïnteresseerd geraakt in onder andere wetenschapsfilosofie. Bij rechtsfilosoof Arend van Haersholte heb ik Plato bestudeerd en Poppers reactie daarop. Dat heeft er zelfs toe geleid dat ik colleges wetenschapsfilosofie aan de bedrijfskunde faculteit ben gaan geven. Maar ja, wij waren selfmade philosophers, dus vandaar dat wij bij de filosofen ondersteuning wilden halen. We hebben er een boekje over geschreven, een globaal overzicht van de literatuur, over de opvattingen wat nou een goede theorie is en wat wetenschap is. Je zelfgekozen uitgangspunt blijkt heel belangrijk, maar als je dat doortrekt kom je op een zuiver conventionalistisch pad terecht en dan is er uiteindelijk ook niks meer waar. De bedrijfskundefaculteit was hiervan heel sterk doortrokken en daar kon ik niet mee leven. Die zoektocht ging eigenlijk een beetje gepaard met enerzijds kritiek op dat rationalistische wereldbeeld dat achter de homo economicus in de economie schuilgaat en aan de andere kant het vrijheid-blijheid verhaal dat onder veel van die organisatietheorieën zat. Ik ben een beetje een liefhebber van het denken over het denken. In het boerenvak zit ook wel een zekere beschouwelijkheid.’

Wat is uw eerste reactie op de mkz-crisis?

Volgens Veerman is die crisis niet met de mkz-crisis begonnen. ‘De wijze waarop wij voedsel produceren is de vrucht van de aanpak die we na de oorlog gekozen hebben, waarin het uitdrukkelijk de bedoeling was Europa zo snel mogelijk zelfvoorzienend te maken. Dat is meer dan gelukt, in de jaren '70 op tal van terreinen, en in de jaren '80 werd het vrijwel compleet, op een paar producten na. Dat heeft geleid tot een bijzonder intensieve vorm van landbouw, met name in Nederland. Ons land is altijd erg export-gericht geweest en heeft een geweldige infrastructuur op het gebied van kennis, onderwijs en onderzoek, maar ook met betrekking tot ondernemerschap. Daarnaast dwingen de natuurlijke omstandigheden ons om te komen tot intensieve landbouw, anders kunnen wij op deze kleine oppervlakte niet de kost verdienen. Wat we nu aan uitbarstingen zien is in mijn ogen het logische gevolg van een te ver doorgevoerde systematiek die zichzelf heeft overleefd. Nederland heeft altijd de meest efficiënte en intensieve vorm van landbouw gekend, en is dus ook het eerste land dat tegen de grenzen aanloopt van wat het milieu kan verdragen. Denk aan de mest- en fosfaatproblematiek, maar ook aan wat de samenleving kan accepteren.’

Ook Van der Wal vindt dat de mkz-crisis een signaal is dat er sprake is van scheefgroei. Een scheefgroei die ten dele wijsgerige wortels heeft. ‘Dat in de intensieve landbouw dieren slechts als productiemachines gezien en gebruikt worden, daar zit een heel wereldbeeld achter. Je kunt tot Descartes of nog eerder teruggaan, maar het is een bepaald wereldbeeld waarbij filosofisch de mens zich gewoon de natuur uit gepromoveerd heeft en de rest van de natuur tot stelsel van resources heeft gemaakt.’

Agrosector

Prof. Veerman, volgens u is de ‘problematiek van de agrosector niet louter of zelfs maar voornamelijk een technische of economische, maar een wezenlijke culturele: het gaat primair om normen en waarden’. Wat bedoelt u hiermee?

‘Men ziet de problematiek, ook hier in Wageningen is dat natuurlijk heel sterk, als een technisch probleem. We hebben een mestprobleem, dan moeten we dat dus oplossen. En dat past in het hele denken, een door de techniek beheerste omgevingsopvatting. We hebben een probleem, dan lossen we dat op, niet wetend dat dat weer een nieuw probleem creëert, dat men dan ook weer moet oplossen, enzovoort. Men gaat van geval tot geval.

Een econoom redeneert eigenlijk altijd vanuit het zeer beperkte kader: als iets een prijs heeft, dan is het relevant. En als het geen prijs heeft, dan heeft het ook geen waarde. Letterlijk is dat natuurlijk ook zo in de definitie van het kapitalistische systeem. Als iets geen prijs heeft, dan kan een econoom er niks mee. Het manifesteert zich niet als een uitingsvorm van de algemene schaarste, dus het fundamentele tekort van de middelen ten opzichte van de behoefte, dat is de kern van het economische vraagstuk.

Als die schaarste zich niet manifesteert in de vorm van prijs, dan is het voor een econoom alleen maar theoretisch aanwezig. De markt leidt tot een bepaalde prijs; de markt is dus het mechanisme met behulp waarvan die schaarsteverhoudingen worden weggearbitreerd. En dan blijft alles wat wel waarde heeft, maar geen prijs, al snel buiten beschouwing. Goudszwaard heeft daar destijds zijn proefschrift over geschreven. Dat is eigenlijk de basis geweest van de kritiek die jarenlang met name vanuit de hoek van de filosofisch georiënteerde economen is gekomen.

Die beperkte kaders hebben de landbouwwetenschappen heel erg in beslag genomen. Men is altijd maar bezig geweest met de optimaliseringsproblematiek. Hoe kun je zo veel mogelijk produceren tegen zo weinig mogelijk kosten? De techniek stelde boer en tuinder in staat om de kosten per eenheid product te verlagen. En de kosten per eenheid product zijn de maatstaf voor je concurrentiepositie. In de landbouw is het verlagen van die kosten per eenheid product alleen mogelijk door de productiviteit van de grond en van het dier en van de mens op te voeren door middel van technische maatregelen als bemesting, betere fokkerij en mechanisering. Dat er voor de agrariër slechts de weg open ligt van de kostprijsverlaging is inherent aan de structuur van een markt van heel veel kleine aanbieders, die allemaal hetzelfde soort product maken. En deze markt is wereldomvattend. Je kunt aan het product niet zien waar het vandaan komt, hooguit als je er ingewikkelde chemische analyses op los laat. Maar neem suiker, of dat nu riet- of bietsuiker is, in zijn geraffineerde vorm is dat chemisch niet onderscheidbaar.

Het probleem voor de boer is dus dat hij in een tredmolen zit. Hij kan niet anders dan de strategie van de kostprijsverlaging voeren, omdat hij de afzetprijs niet kan beïnvloeden. Maar hij kan – en dat is de crux of the matter – zijn kostprijs alleen verlagen door zijn productiviteit te verhogen. Daar komt nog bij dat voedsel producten heel weinig prijsgevoelig zijn. Als je verzadigd ben, dan ben je niet geïnteresseerd in meer aardappelen, hoe goedkoop ze ook zijn. Je kunt het fysiek niet tot je nemen. Er is daarom een groot verschil tussen bloemen en voedsel.

Voor de boer resteert er dus slechts één strategie en dat is de weg van kostpijsverlaging door productiviteitsstijging. Maar productiviteitsstijging leidt tot verzadiging van de markt en dus tot prijsdaling. En prijsdaling kan de boer dan alleen maar compenseren door nog meer te produceren. En daarmee beland je op een doodlopende weg. Er komt een steeds grotere stroom van dezelfde soorten producten die voortdurend de markt verder verzadigen. Daar komt nog een Europees landbouwbeleid bij dat tot doel had om via prijsondersteuning de inkomens op peil te houden omdat immers de boer ook een inkomen moet hebben. In feite was de overheid dus een grote Moloch die altijd alles opkocht tegen politiekbepaalde prijzen. De boeren produceerden en produceerden maar en toen men de prijzen ging verlagen, gingen ze nog harder produceren, want anders kwam er geen inkomen. Dat is het systeem.

De rationaliteit van de boer lag hierin dat hij reageerde op prikkels van de markt. En dat werd door alles gestimuleerd: door de overheid, door subsidies op technologische vernieuwing, door de richting waarin het onderwijs en onderzoek in Wageningen en bij DLO ging. Van onze productie gaat 70 procent over de grens. De Brabantse boeren bijvoorbeeld hebben na de oorlog een fantastische tijd gehad, want ze kregen veevoer dat zonder heffing de EU binnenkwam. Ze hebben een gigantische varkensindustrie neergezet. Dat heeft geleid tot een ongekende welvaart. Maar daar zijn schaarse goederen verbruikt die geen prijs hebben: milieu, natuur en sociale verbanden. Boerenhulp verdween, boerentrots, plezier in het werk, het werd alles omgezet in geldelijk gewin. Het regende bungalows en grote auto's, maar het dorpsleven kreeg het moeilijk.’

Zegt u nu eigenlijk dat je al die niet geprijsde elementen ook een prijs moeten geven om het systeem evenwichtiger te maken?

‘Ja, economisch gezien zou je die niet geprijsde schaarste in de prijs tot uitdrukking moeten laten komen, die moet je internaliseren in de prijs. De markt doet dat niet uit zichzelf, maar de overheid heeft klassieke correctiemechanismen, denk bijvoorbeeld aan accijnzen. Maar die zijn nog nooit geheven, omdat niemand er behoefte aan had om die prijzen te corrigeren. Ook de boeren niet, want die waren bang voor vermindering van de afzet als de prijzen omhoog gingen.

Ik zou graag de vraagstelling verbreden. Is het wezen van de landbouw voedselproductie en meer niet? In mijn opvatting is voedselproductie slechts een van de elementen die door landbouw wordt voortgebracht. De landbouw brengt nog veel meer voort: ze beheert ook het landschap. Het cultuurlandschap moet op een correcte wijze worden onderhouden, daar moeten we goed mee omgaan. De landbouw produceert ook open landschap en onderhoudt dat. Dat zijn we allemaal een beetje vergeten.’

Kaders

Van der Wal gaat hier op door. ‘Een probleem is altijd een probleem binnen een bepaald kader. In de techniek en de economie probeert men vaak de problemen binnen het heersende kader op te lossen, zonder zich af te vragen of het probleem misschien ook niet te maken heeft met het kader, sterker nog, misschien zelfs wel wordt opgeroepen door dat kader. Vergelijk het met een spel. Wat mogelijk is in het spel, wordt bepaald door de kaders, door de spelregels. Wat een goede oplossing van het probleem is, wordt pas gedefinieerd door de kaders vast te leggen. Je moet bij iedere oplossing van het probleem je afvragen: wat is het kader waarbinnen dit probleem staat? En: moet het kader blijven staan of moet het probleem opnieuw geformuleerd worden omdat aan het kader wordt gesleuteld? Dat is denk ik ook bij de landbouw het geval. Ook dat is een maatschappelijk probleem. De vraag is wat wij acceptabel en waardevol vinden. Dat moeten we dan in de rol en de functie van de landbouw mee definiëren. De veel te smalle opvatting van de taak van de landbouw die tot nu toe heerst, heeft ons in de problemen gebracht die er nu zijn.

Als je nu bijvoorbeeld kijkt naar de economie, ik denk dat de economie tegenwoordig veel te eenzijdig denkt in termen van welvaart. Ook de economie is in belangrijke mate zelf een normatieve bezigheid of zou dat moeten zijn, omdat zij staat onder het voorteken van menselijk welzijn, dus wat je belangrijk vindt, de bestemming van het menselijk bestaan met een groot woord. Het milieuprobleem van het noordelijk halfrond, het probleem van de rijken is eigenlijk dat wij denken dat menselijk welzijn onbeperkt gediend is met welvaartsverhoging en dat is een volstrekte illusie. Allerlei andere dimensies van welzijn zijn weggepromoveerd of kunnen worden gekocht, wat volkomen illusoir is, natuurlijk. Wij hebben ons welzijnsbegrip ontzettend verarmd en verengd.’

Economie van de groei is als axioma toch tamelijk onaantastbaar?

Volgens Veerman hangt het ervan af hoe je groei definieert. ‘Groei is dan opgevat als vergroting van het nationaal inkomen. En dat is gebaseerd op een zuiver arbitraire opvatting van wat je wel en niet meeneemt in de rekening. Neem het simpele voorbeeld van de productie van de overheid, die wordt niet op de markt afgezet. Wat moet je nu nemen als de toegevoegde waarde die de overheid heeft? Dan neemt men dus de som van de salarissen van de ambtenaren. De productie van de overheid – en dus het nationaal inkomen – neemt dus toe als er meer ambtenaren komen.

De stroom van goederen en diensten kan wel stijgen, maar wat dat nou betekent voor de behoeftebevrediging van mensen, dat staat niet vast. Ik ben het met Van der Wal volkomen eens, welzijn is het enige begrip dat je moet hanteren als het gaat over de kwaliteit van het menselijk bestaan. Maar wij leven allemaal met de gedachte dat als je nu maar meer spullen hebt, je ook gelukkiger wordt. Ik houd echter staande dat er een punt is dat je met meer spullen steeds ongelukkiger wordt. Neem alleen maar de zorg die je voor die rommel hebt. Maar dat wordt ook weer uitbesteed, daar komen ook weer dienstverlenende bedrijven voor. Dat vergroot allemaal dus de productie en zou dus goed zijn voor de welvaart.

Als we een milieuprobleem hebben en we gaan dat oplossen door de grond te saneren, dan stijgt het nationaal inkomen. Waarom? Omdat de prestaties die daar geleverd worden toegevoegde waarde genereren. Maar het is natuurlijk helemaal geen toegevoegde waarde: we ruimen de rotzooi op. Onze definitie van welvaart is dus zeer arbitrair en leidt tot een grote vertekening van de werkelijke schaarsteverhoudingen. In de landbouw gebruik je dingen die in het primaire productieproces zo wezenlijk zijn, en waarvan je denkt dat ze onbeperkt voorradig zijn: schoon water, zonlicht, zuivere lucht. Maar dat is niet zo. Als je er te veel van gebruikt of de bronnen besmet waaruit ze voortkomen, dan zit je dus na verloop van tijd met de ellende. Dan doen we net alsof het opruimen of herstellen daarvan een productieve prestatie is. Maar dat is een kardinale fout in het systeem. Nog even los van de vraag of de feitelijke doelstelling, het vergroten van welvaart wel in die termen kan worden gemeten. Ik vind dus van niet, omdat dat voorbijgaat aan allerlei zaken die er wel toe doen, maar niet monetair meetbaar zijn en dus buiten het kader van de economie vallen.’

Zin

Dat betekent dat je eerst die bredere vraag moet beantwoorden, dat is een politiek-maatschappelijke vraag. Daarna kun je economisch gaan kijken wat je daarop loslaat. Kunt u dat wat concretiseren voor de landbouw?

‘De enige goeie vraag is: wat geeft het bestaan van de boer zin? En wat is de maatschappelijke betekenis van de landbouw? Alleen voedselproductie? Dan kan ik het verhaal van semi-professor Jacob Kol uit Rotterdam wel volgen. Die schrijft in alle kranten tegenwoordig dat de boer wel weg kan uit Nederland omdat ons voedsel veel beter en goedkoper elders geproduceerd kan worden. Maar als er honderdduizenden dieren gedood moeten worden om het mkz-virus in te dammen, en tegelijkertijd komt in de Rotterdamse haven geënt vlees van Argentijnse koeien binnen, dan is dat een geweldige tegenstrijdigheid. Albert Heijn zou dat in de schappen gezet hebben als Brinkhorst er niet onder druk van de Kamer een stokje voor had gestoken. Al die beesten werden gedood – terwijl er voor de volksgezondheid absoluut nul komma nul procent risico was – als gevolg van het exportverbod van de EU. Dat zijn dus de juridische kaders, de regelgevingskaders die we hebben afgesproken, die de oplossingsruimte bepalen.’

Langs welke lijnen gaan uw gedachten voor het CDA-verkiezingsprogram met betrekking tot de landbouw?

‘Door prioriteiten te stellen, door het kader af te bakenen en te zeggen dat we sommige dingen dus gewoon niet meer doen. En: we willen ook niet het probleem verleggen. Want het is natuurlijk heel aantrekkelijk om te zeggen: dan importeren we dat vlees wel of dat nertsenbond. Dat is in feite exporteren van de ellende en van de morele vraagstukken. Al is dat wel de uitkomst van het internationale liberaliseringsbeleid.

Ander voorbeeld: vervuilingsrechten kopen van andere landen waar er nog geen milieuprobleem is. Macro gezien is dat efficiënt, maar je verknoeit wel het welvaartspeil van die andere landen doordat zij niet die industrie kunnen opzetten. Als je dat dus allemaal in die termen ziet, ga je volstrekt voorbij aan de dingen die er wezenlijk toe doen. En dingen die er wezenlijk toe doen laten zich niet eenvoudig vertalen in kwantificeerbare grootheden.’

Noem eens een aantal van die dingen die er wezenlijk toe doen?

‘Wat was vroeger de kern van het boerenbestaan? Dat was eerbied voor de natuur. Religieuze mensen wensten in de jaren '30 – toen de chemische bestrijding van ziekten en plagen doorzette – die middelen niet te gebruiken. Want, zeiden ze, dat is tegen de natuurlijke scheppingsorde, dat is ons niet gegeven, dat moeten we niet doen. Dat ging toch wel dieper dan alleen maar tegen elke vernieuwing zijn. Dat is ten diepste de filosofie van de biologische landbouw. Niet ingrijpen in natuurlijke processen. Want je weet niet wat je bewerkstelligt, je kent de effecten niet op lange termijn. Denk maar aan het verzet tegen genetisch gemodificeerde organismen (GMO’s).’

Wageningen

Dat is wat Van der Wal het verschijnsel van de neveneffecten noemt. Maar hoe geeft u deze gedachte praktisch gestalte hier in Wageningen?

‘Wat ik doe is een goed beheer voeren en daar waar verandering mogelijk is kleine rukjes aan het stuur geven in een andere richting. Dat vind ik mijn belangrijkste taak. Deze boodschap uitdragen: “Vrienden dit is een one way route philosophy, het komt niet goed.” Ik ben hier degene geweest die de discussie over de biologische landbouw is begonnen. Toen ik hier kwam was dat not done. Dat was voodoo.’

Is er niet iets nodig van een soort maatschappelijke omwenteling voordat mensen het waardevolle van dingen als eerbied voor de natuur weer inzien?

‘De boer had eerbied voor de natuur, dat was een eerbied voor de natuurlijke processen. Maar daar is de burger, de consument geweldig van vervreemd geraakt. Weet die veel. Dat is echt vervreemding in de marxistische zin van het woord. Zoals de arbeider vervreemdt van zijn eindproduct in de opvatting van Marx, vervreemdt de consument van de bron van voedsel en de wijze waarop dat wordt voortgebracht. Alleen door schandalen wordt hij er nog bij betrokken. En dan is ook het hek van de dam. Daardoor ontstaat er ook een algemeen wantrouwen in de kwaliteit van het voedsel en in de oprechtheid van wetenschappers, want de een zegt dit en de ander dat. Het hangt er maar net vanaf wie je voor de televisie kunt krijgen. Je ziet daardoor een enorme onzekerheid bij de consument: wat kan ik nou eigenlijk nog eten? Terwijl het eten nog nooit zo veilig is geweest.’

Van der Wal: ‘Ik onderscheid hier twee aspecten. Enerzijds de pragmatische problemen met de gang van zaken, de risico's enzovoort. Anderzijds de meer principiële kwesties in relatie tot onze verhouding tot de natuur. Ik denk ook dat er een behoorlijke vervreemding is opgetreden. Maar er lopen nog lijntjes genoeg. Neem bijvoorbeeld de geweldige verontwaardiging over het ruimen van gezonde dieren. Dat is geen kwesties van risico’s willen vermijden, maar dat is een kwestie van zo ga je niet met dieren om.’

Veerman: ‘Waar ik de vervreemding vooral op betrok is de vervreemding van de voedselbronnen. De verontwaardiging over het doden van die dieren wordt volgens mij vooral veroorzaakt door het feit dat ze aaibaar zijn. Maar dat een koe een productiemiddel is om vlees en melk te maken, daar ligt niemand van wakker.

Laat ik een voorbeeld van die vervreemding noemen. Wij kregen een nieuwe predikant in Nieuw-Beijerland. Die zag de aardappelen bloeien en zei: “Komen daar nou de aardappels aan?” Dat bedoel ik met vervreemding. Je staat er van te kijken hoe ver de moderne consument vervreemd is van zijn voedselbronnen. En dat is dus iets anders dan het algemene bewustzijn dat je zuinig moet zijn op de natuur, dat er respect moet zijn voor de natuur. Mensen kijken naar de sterren en ze zijn vol verwondering. Ze zijn bezig met de zorg voor de natuur, maken geld over aan Greenpeace en tegelijkertijd kopen ze in de supermarkt spullen waardoor verkeerde mechanismen in stand worden gehouden. Die link wordt niet gelegd.’

Van der Wal: ‘Dat is wel waar, maar ik bedoel dat het niet alleen via de neveneffecten en de risico’s is, dat de moderne mens nog in relatie met de natuur komt. Al zijn er van die rare blinde vlekken, die voedselproductie is er dus één, daar hebben mensen geen notie van. Aan de andere kant zijn er nog wel een aantal blikvangers, die goed werken. Ik denk dat er tegenwoordig toch een vrij brede vorm van religiositeit is, noem het pantheïstisch of zoiets, die een veel directere band met de natuur probeert te leggen. Dat is echt niet alleen maar New Age maar blijkt ook uit de belangstelling voor meer verdrongen vormen van christelijke religiositeit. Ik denk bijvoorbeeld aan een boekje van Ian Bradley over het oude Keltische christendom’ [7].

Je moet eigenlijk de mensen dichter bij de natuur brengen, bij hun eigen bronnen?

Veerman: ‘Confronteer mensen met de afhankelijkheid en de betrekkelijkheid van hun eigen bestaan. Want door de wetenschap zijn we steeds verder vervreemd geraakt van de echte levensvragen. Denk aan de medische wetenschap, die heeft ons toch in staat gesteld om niet echt meer in te zitten over de vraag of we morgen nog zullen leven. Dat geldt ook voor de voedselvoorziening: het is toch voor niemand een vraag of hij morgen eten zal hebben. Voor 40 tot 50 procent van de mensen op deze aarde is dat echter een levensgrote vraag, waarmee ze elke dag bezig zijn.’

Als je dat kader wilt verbreden, waar zou je dan gericht aan moeten werken? Hoe krijg je de onderzoekers zover dat ze dit soort overwegingen meenemen in hun onderzoek?

Veerman: ‘Simpelweg door in de opleiding ook aan die aspecten aandacht te geven. Want we maken door ons hele opleidingssysteem zulke monomane lieden, dat lijkt nergens op. De studieduur wordt verkort etc. Als ik in mijn opleiding door Zuidema, die de geschiedenis van het economisch denken doceerde, niet op een aantal vragen was gestuit, als ik niet bij Van Haersholte was gaan buurten, dan had ik de bredere verbanden ook niet ontdekt. Ik ijver hier voor ethiek in het curriculum, ik steun daarin de hoogleraren. Die vinden het ook wel belangrijk, maar echt doorbreken doet het niet zo makkelijk. Het filosofische kader wordt te weinig aangereikt. En het algemene religieuze bewustzijn in de klassieke zin neemt af, dat doet de gevoeligheid voor de vragen waar we het hier over hebben ook geen goed.’

Van der Wal: ‘Het filosofie-onderwijs moet aanknopen bij wat studenten meemaken in hun studie. Het aantal open deuren daarvoor is legio. Het hangt in belangrijke mate af van de sensibiliteit van docenten. Ik denk ook dat je niet zomaar losse colleges ethiek moet droppen, maar dat je moet aanknopen bij een probleem. En dan wat theoretische voorzetten voor een nadere analyse geven om er wat aan te doen. Dan komt het gesprek wel op gang.’

Veerman: ‘Dan train je jonge mensen om daarover na te denken. Als je nooit geleerd hebt kleuren te onderscheiden, dan is alles hetzelfde. Het is zo inherent aan een academische opleiding dat je ook de bredere verbanden aan de orde laat komen. En dan zijn er studenten die dat weer terzijde leggen, maar dan zijn er ook, al zijn het er maar een paar, die dan toch als een zoutend zout doortrekken en alert worden voor problematieken in hun eigen vak.’

Dat is de lijn van het onderwijs...

Veerman: ‘Je kunt van een onderzoeker die gefascineerd is van zijn onderzoeksveld en het gevoel heeft dat hij op het punt staat grote dingen te ontdekken niet verwachten dat hij zich druk maakt over de consequenties op lange termijn. Het is voor je carrière beslissend of je doorbraken publiceert in gerenommeerde tijdschriften. Daar word je op bevorderd; je wordt nooit hoogleraar als je dat niet presteert.’

Hoe krijg je die normatieve dimensie er dan in?

Van der Wal: ‘Een reden temeer, naar mijn opvatting, om onderzoekers een brede opleiding te geven, zodat de maatschappelijke repercussies van wetenschappelijke vindingen tot een vast punt van aandacht ook en allereerst van hún kant worden. De oplossing van maatschappelijke problemen die ontstaan uit de introductie van steeds nieuwe toepasbare kennis die aan de universiteiten wordt ontwikkeld, moet met andere woorden niet eenvoudig naar de samenleving worden doorgeschoven, die er zich maar mee moet zien te redden.

Er is trouwens ook op een andere manier alle aanleiding voor dat wetenschappers zich met de normatieve aspecten van de (hun) wetenschap bezig houden, namelijk omdat veel van die wetenschappen op zijn minst impliciet normatief gedefinieerd zijn. Misschien is dat het minst zichtbaar bij de natuurwetenschappen, al komt het bijvoorbeeld in de biologie met principes als doelgerichtheid, zelforgansiatie etc. al duidelijker aan het licht. Wat men vaak analyseert zijn alleen de residuen van het levensproces, niet de fenomenen van het leven zelf. Maar voor de mens- en maatschappijwetenschappen geldt in ieder geval dat hun object door een normatieve dimensie getekend is. Het gaat daar immers om vormen van menselijk handelen, en handelen is noodzakelijk waarde-georiënteerd. Zonder die dimensie te verdisconteren kan dus het object van die wetenschappen niet adequaat getypeerd worden. In de economie draait het bijvoorbeeld uiteindelijk om het menselijk welzijn. Wanneer dat, zoals in de huidige economische wetenschap gangbaar is, verengd wordt tot materiële welvaart, krijg je de vele problemen die de tegenwoordige economie oproept. Reflexie op de normatieve component is dus van cruciaal belang.

Het reflexieve moment zou überhaupt in de universitaire studie weer veel sterker benadrukt moeten worden, ook wetenschapstheoretisch. Wetenschappelijk onderzoek is naar de aard van de zaak gericht op nieuwe kennis. Dan is een bewustzijn van de methode of het “paradigma” waarmee men werkt van doorslaggevend belang. Een wetenschappelijke opleiding is scholing in de houding dat niets vanzelf spreekt. Dat staat tegenover de houding dat je de dingen op een bepaalde manier en niet anders doet. Dan krijg je alleen meer van hetzelfde en dat is zowel wetenschappelijk als maatschappelijk niet erg interessant, want niet innovatief. Het wetenschapsbeleid werkt dat vaak wel in de hand, denk maar het systeem van voorwaardelijke financiering ex ante, toen we van tevoren moesten opschrijven wat we over vijf jaar gevonden dachten te hebben. Op die manier had Fleming zijn penicilline nooit ontdekt. Hij had niet naar dat potje mogen kijken en die zijweg niet mogen inslaan. Maar juiste zulke volkomen onverwachte ontdekkingen leiden vaak tot de grote doorbraken in de wetenschap. In tegenstelling tot wat ambtelijk denkende geesten denken en willen, is de wetenschap als creatief proces onvoorspelbaar. En die grillige eigen logica moet zij ook kunnen volgen. Wel moet zij dan, zoals gezegd, ingebed worden in een normatieve bezinning van de wetenschappers zelf, aan de universiteit dus.’

  1. Prof.dr. C.P. Veerman, Opening Academisch jaar, Wageningen Universiteit, 1999, p. 3. De titel van zijn rede luidde niet voor niets: “De verantwoordelijke universiteit”.
  2. Prof.dr. G.A. van der Wal stond aan de wieg van dit manifest (najaar 1999). Het riep op tot minder bureaucratie aan de universiteiten en meer academische vorming. Internet-adres: ... Het juli augustus-themanummer 1999 – over de ondernemende universiteit - van Civis Mundi kan gelden als de opmaat tot het manifest. Van der Wal schreef in dit nummer twee artikelen: ‘Een universiteit zal intellectueel zijn of ze zal niet zijn’ en ‘Wetenschaps functionalisme als tijdgeest’.
  3. In mei 2000 hield hij zijn afscheidscollege “Over hoge en lage stijl in de filosofie – Ofwel: naar een eerherstel van het ideële”, Faculteit der Wijsbegeerte van de Erasmus Universiteit Rotterdam, 2000.
  4. Geciteerd in Nietzsches cultuurkritiek in de Unzeitgemäse Betrachtungen, Gerard Visser (red.), Universiteit Leiden 2001, p. 18.
  5. Opening Academisch Jaar, 1999, p. 6.
  6. Van der Wal heeft zijn gedachten op dit punt met name uitgewerkt in zijn De omkering van de wereld – Achtergronden van de milieucrisis en het zinloosheidsbesef, Ambo/Baarn 1996. Vgl. ook zijn interview in Wapenveld (1999, nr. 1) getiteld “Niemand heeft een idee hoe wij in deze eeuw aan de klimaatsystemen hebben zitten knutselen”.
  7. Ian Bradley, Keltische spiritualiteit – Een oud geloof met perspectieven voor de toekomst, Meinema, Zoetermeer, 1997.