Focus

De Amerikaanse vredesbeweging

In september van dit jaar was ik in Albuquerque, de hoofdstad van Nieuw-Mexico in de Verenigde Staten. Ik was op doorreis naar de Los Alamos laboratoria waar ik aan een cursus zou moeten deelnemen. Albuquerque heeft een grote luchtmachtbasis die lange tijd een belangrijke rol speelde in de verdediging van het land, en vanwege mijn interesse in de geschiedenis van het atoomonderzoek - waarin de Los Alamos laboratoria trouwens een grote rol gespeeld hebben - bezocht ik het Nationale Atoom Museum dat op het terrein van deze luchtmachtbasis ligt. Dit museum is voornamelijk gewijd aan de geschiedenis van het nucleaire wapentuig. Grijnzende toeristen laten zich door hun vrienden fotograferen naast de "Little Boy" en de "Fat Man", replica’s van de bommen die respectievelijk Hiroshima en Nagasaki verwoestten. Kinderen kunnen zich vergapen aan heuse bommenwerpers, H-bommen en re-entry vehicles. Films en fotoreportages doen verslag van 's mensen meest verbijsterende prestatie: de toepassing van brute oerkrachten in de natuur voor massavernietigingswapens. De geschiedenis van de ontwikkeling van de eerste atoomwapens laat zich overigens lezen als een wetenschappelijke avonturenroman. Een roman die zich voor een belangrijk deel afspeelde in de geheime "atoomstad" Los Alamos, die in de oorlogsjaren uit de grond gestampt was in de desolate heuvels van Nieuw-Mexico. Een roman met hoofdrolspelers als J. Robert Oppenheimer, de natuurkundige met de poëtische natuur die na de oorlog bekend werd als "de vader van de A-bom", maar die enige jaren later werd gebrandmerkt als communist en gevaar voor de nationale veiligheid toen hij uit gewetensnood weigerde aan de waterstofbom te werken. Of een man als Enrico Fermi, de Nobelprijswinnaar die "fascistisch Italië was ontvlucht; of zovelen van de beste fysici van die dagen. Er bestaat op het ogenblik een grote historische belangstelling voor die episode; mensenwillen weten hoe toendertijd de vèrreikende beslissingen tot stand kwamen die nadien het aangezicht van de wereld hebben veranderd. Doordat staatsgeheimen na dertig jaar gedeklassificeerd worden, komen documenten en filmfragmenten uit de oorlogsjaren ter beschikking van het publiek. Er zijn al verschillende documentaires op de televisie geweest over Oppenheimer en de eerste jaren van Los Alamos. Het wàs ook een fascinerende tijd, toen de beste koppen van de vrije wereld in het diepste geheim het atoomtijdperk voorbereidden. In één documentaire vertelt de onderzoeker Dyson waarom juist zoveel briljante geleerden hun beste jaren aan dit oorlogsproject gaven:

"... ik heb het zelf gevoeld, die glans van nucleaire wapens. Het is onweerstaanbaar wanneer je er als natuurwetenschapper tegenaan kijkt. Om te weten dat je het in je handen hebt ... om die kosmische energie vrij te maken, waarop de sterren branden - om een miljoen ton gesteente te kunnen opblazen ...".

Voor de natuurkundige, maar net zo goed voor de militair of de politicus, hebben de nucleaire explosieven de schittering van Faustische toverij, die supermacht belooft aan hen die er hun ziel en geweten aan willen verslingeren. Elders in de V.S. kocht ik het boek "Children of Hiroshima", een verzameling van 150 schoolopstellen die geschreven zijn door Japanse kinderen, die het bombardement op Hiroshima hebben meegemaakt. De oorspronkelijke Japanse uitgave van dit boek is uit 1951, zes jaar na de ramp. De herbouw van de radioactieve puinhopen was in die jaren nog maar net begonnen. Het lezen van "Children of Hiroshima" is een aangrijpende belevenis. Het vaak naïeve relaas van kinderen, die op 6 augustus 1945 tussen de drie en negen jaar oud waren, geeft huiveringwekkende realiteit aan de dorre cijfers. Om 8.15 uur op die dag ontplofte de uraniumbom die van zijn makers het koosnaampje "Little Boy", de kleine jongen, had meegekregen. Volgens Japanse tellingen verloren 246.000 inwoners van Hiroshima het leven. Amerikaanse onderzoekers zeggen dat het er maar 150.000 zijn geweest. Zo wordt er ook gekibbeld over de kwestie, of bij een toekomstige nucleaire uitwisseling - wat een woord! - tussen Rusland en Amerika nu 50 miljoen, of slechts 20 miljoen burgers van de V.S. het leven zouden laten. Op 6 augustus 1945 werden boven Hiroshima vliegtuigen gesignaleerd. Maar toen bleek dat het maar om één B-29 bommenwerper ging, veronderstelde men dat het een verkenner was en sirenes gaven het "einde luchtalarm"-signaal. De mensen gingen de straat op naar hun werk en kinderen zochten hun vriendjes om te gaan spelen. Om kwart over acht werd de zon echter verduisterd door de onaardse schijn van de atoomexplosie, die in die éne seconde tienduizenden mensen verbrandde waar zij op dat moment zaten of stonden. En tienduizenden méér stierven aan hun brandwonden in de uren daarna, voor zover zij niet bedolven waren onder het puin van hun huizen in de schokgolf die onmiddellijk volgde op de vuurbol. De kinderen van "Children of Hiroshima" vertellen met een bevreemdende objectiviteit wat zij zagen, toen zij uit het puin te voorschijn kropen, mensen die verdwaasd rondlopen terwijl hun verbrande huid als vodden van hun armen en gezicht afhangt; het vuur dat overal ontstaat in de houten gebouwen en hoe zij machteloos staan te kijken hoe hun ouders of leraren, gevangen onder de wrakstukken, levend verbranden. Uit de lucht die zo-even nog strak blauw was, valt nu een modderachtige regen waarvan zij niet weten dat die zwaar radioactief is. Velen die uit de stad ontkomen en zich gelukkig prijzen dat ze het er relatief heelhuids hebben afgebracht, worden in de volgende weken het slachtoffer van een tot dusver onbekende ziekte: de stralingsziekte, die zij bij gebrek aan beter aan gifgas toeschrijven. Verhalen van kinderen, die als enige van een schoolklas van 40 overleefden, of als enigen van een gezin van 6. Kinderen, die soms nog stierven nadat zij hun schoolopstel over "ik zag de atoom-bom" hadden voltooid. Hiroshima is het ware verhaal van de atoomprojecten van de oorlog. Het verhaal van de slachtoffers.

In het Japan van 1951 veroorzaakte "Children of Hiroshima" een schok. In verband met de naoorlogse trauma's, de noodzaak van ekonomische wederopbouw en de behoefte om weer een fatsoenlijke bondgenoot van Amerika te worden waren de atoombombardementen naar de achtergrond van het publieke bewustzijn verdrongen. Maar "Children of Hiroshima" doorbrak dit zwijgen. Het boek werd één van de grote impulsen voor de wereldwijde pacifistische ban-de-bom beweging, die in Japan zijn sterkste basis had. Terwijl de koude oorlog verhevigde en de twee supermachten elkaar overtroefden met steeds zwaarder proefexplosies - tot wel vierduizendmaal het vermogen van de oorspronkelijke Little Boy - werd in alle vrije landen van de wereld gedemonstreerd en geprotesteerd. Verantwoordelijke geleerden begonnen zich te realiseren dat de kosmische klok nog maar enkele minuten voor twaalf, het "Doomsday Hour" stond. Zij organiseerden zich om een bezinning op gang te brengen over een veiliger toekomst, en om informatie over de ware stand van zaken door te geven aan een breder publiek. Teveel mensen beschouwden, kernwapens immers nog als een soort superartillerie om de Russen op afstand te houden; terwijl in werkelijkheid deze helse machines een bedreiging waren gaan vormen voor Oost en West in gelijke mate. De techniek van de strategische oorlogsvoering heeft het lot van alle volken immers nauw aan elkaar verbonden. De bekendste organisaties die sinds de jaren veertig voor bewustwording van deze stand van zaken hebben geijverd zijn: de Pugwash-beweging en de Stichting van Atoomgeleerden die "The Bulletin of Atomic Scientists" uitgeeft.

De ban-de-bom beweging, die door radikale intellektuelen als Bertrand Russell werd geleid, heeft zijn doel niet bereikt. Kernwapens zijn sinds de jaren vijftig in toenemende mate de ruggengraat geworden van de defensiesystemen van de grootmachten. Maar gelukkig is wel énig succes geboekt. Rusland en de Verenigde Staten zijn onderhandelingen begonnen om tenminste de meest acute gevaren te vermijden; ook zijn enige verdragen afgesloten. Het beperkte kernproefverbod (Limited Test Ban) van 1963 maakte een einde aan bovengrondse atoomexplosies - althans in Amerika, Engeland en Rusland -en hoewel dit weinig belemmeringen opwierp voor de ontwikkeling van nieuwe typen kernwapens, was het in ieder geval voor het milieu een reuzenstap vooruit. Ook kwamen er verdragen die verboden kernwapens te introduceren op de zeebodem, in de ruimte, op Antartica etc.

Nu hebben al die verdragen nooit werkelijke drempels opgeworpen voor de dóórgaande technische ontwikkelingen. Machtscentra a als de researchinstituten en het militaire establishment zagen daar, in beide landen, wel op toe. Verdragen zoals dat ter beperking van anti-raket raketten (ABM) of SALT I en II wareneerder bedoeld om afspraken te maken over afschaffing van verouderde of te dure systemen, dan om aan ècht belangrijk geachte wapens een halt toe te roepen. Bij die onwil om de wapenrace te stoppen spelen twee factoren een belangrijke rol: de voortdurende pressie vanuit de defensie-research, en het onderlinge wantrouwen van de gesprekspartners. In de laboratoria waar de wapens bedacht worden waarop 's lands veiligheid gebouwd is, zitten de ingenieurs immers voortdurend te denken over nieuwe systemen, waarmee diezelfde wapens bestreden kunnen worden. Wat wij kunnen, zo luidt dan de redenering, dat zal de andere partij ook wel doen. Zo komt de wapenontwikkeling nooit tot een eind: wie stil blijft staan, zal al spoedig merken dat de tegenstander hem technologisch overtroeft. Dat is de dodelijke dynamiek die maakt, dat in Oost en West 40 - 60 procent van alle fysici en ingenieurs bij defensieonderzoek zijn ingeschakeld Afspraken om aan deze kwalitatieve wedloop, die zich in laboratoria en op testterreinen afspeelt, een eind te maken lopen stuk op het onderlinge wantrouwen. Plechtige beloften zijn in de politiek immers weinig waard zonder mogelijkheden om elkaar wederzijds te controleren. Er bestaat wel een voorbeeld van zo'n systeem van wederzijdse controle: het Internationale Bureau voor Atoomenergie (IAEA) in Wenen dat toeziet, middels inspecties ter plekke, op de naleving van het Non-Proliferatieverdrag.
Maar dat betreft dan inspecties van vreedzame kerninstallaties. De tijd is nog ver, dat de supermachten buitenlandse inspecteurs toelaten in hun geheime wapenfabrieken. Intussen beleven we juist nu een episode waarin wapentechnologie zich extra snel schijnt te ontwikkelen: kruisraketten, laserwapens en anti-satelliet satellieten kondigen zich aan.
Het klinkt onwaarschijnlijk, maar er zijn in het verleden momenten geweest waarop de waanzin gestopt had kunnen worden. De politici hebben die kansen echter laten liggen. Er was zo'n mogelijke halte in 1945-47 toen een grote oorlog voorbij was, en er op de gehele wereld nog geen tien atoomwapens bestonden. Na afloop van de oorlog met Japan was de productie van Amerikaanse atoombommen vrijwel tot stilstand gekomen, en de V.S. deden aan de Sovjets het voorstel om alle gebruiksklare wapens en kerntechnische materialen onder beheer van een internationale autoriteit, de Verenigde Naties, te stellen. Dit voorstel werd bekend als het Baruch-plan. Helaas stelden de beide partijen elkaar tegelijk zodanige eisen, dat het plan nooit aanvaard werd. De Russen waren in die jaren al koortsachtig aan het werk om hun eigen atoomproject van de grond te krijgen, en weigerden botweg om zich de status van kernmogendheid te laten onthouden. Toen in 1949 de Sovjets hun eerste A-bom deden ontploffen was de koude oorlog in volle gang en de Amerikaanse kernarsenalen waren gezwollen tot duizendtallen. De H-bom volgde al spoedig en kernwapens werden het symbool van supermacht-status. Het duurde niet zo lang of ook Engeland, Frankrijk en China traden toe tot de nucleaire club.

Een tweede mogelijke halte werd gepasseerd in de eerste jaren na 1960. De twee opponenten, de V.S. en de USSR, hadden inmiddels het vermogen ontwikkeld om elkaar vernietigend te treffen door middel van zware waterstofbommen op intercontinentale raketten (ICBM in het jargon). Tegelijkertijd was de publieke verontrusting over de bewapening op een hoogtepunt, en er zou zeker wel steun zijn voor een kernstop. Reeds president Eisenhower, die militair toch zeker niet naïef was, had geconcludeerd dat de nucleaire oorlogvoering in het ICBM-tijdperk alleen maar verliezers, en geen overwinnaars zou kennen. Hij had onderhandelingen met Chroestjew nagestreefd, en in 1960 waren Amerikaanse en Russische onderhandelaars het in principe eens geworden over een volledige stop op alle kernproeven (Comprehensive Test Ban). Helaas werd de Parijse top-ontmoeting, waar deze onderhandelingen afgerond moesten worden, afgezegd na de U-2 crisis toen een Amerikaans spionagevliegtuig boven Russisch grondgebied werd neergeschoten. In beide landen zagen belangengroepen hun kans schoon om het volledige kernstopverdrag te ondermijnen, en het beperkte kernstopverdrag (Limited Test Ban) dat in 1963 onder president Kennedy tot stand kwam voorzag alleen in een verbod op bovengrondse kernproeven. Uit een oogpunt van wapenontwikkeling zijn ondergrondse proeven even zinvol, alleen kostbaarder. Dat laatste was de reden dat Frankrijk en China lang door zijn gegaan met atmosferische atoomproeven.
Wellicht is in 1963 de beste kans, die zich ooit voordeed, blijven liggen. Op dat moment was (achteraf gesproken) de technische situatie ideaal voor een "bevriezing". Beide supermachten hadden een geloofwaardige afschrikkingsmacht, die evenwel totaal ongeschikt was voor selectieve aanvallen op elkaars wapensystemen. Raketten waren in die dagen zo onnauwkeurig, dat ze alleen op doelen zo groot als bevolkingscentra gericht konden worden. Militair gesproken was dit een situatie van aanmerkelijke stabiliteit. Sindsdien heeft de kwalitatieve wapenontwikkeling de strategie van de kernoorlog radicaal gewijzigd; nieuwe kernkoppen, lichtgewicht maar krachtig, en precisie-overbrengingsmiddelen zoals de Pershing-ll en de SS-20 hebben ervoor gezorgd dat militairen een pre-emptieve "chirurgische" aanval kunnen overwegen die alleen de wapenarsenalen van de vijand treft.
Daarbij komt dat zeer kleine, mobiele wapensystemen als de kruisraket moeilijk zichtbaar zijn en voor het oog van spionagesatellieten verstopt kunnen worden in vrachtauto's of koopvaardijschepen. Dit voedt de wederzijdse argwaan en, in geval van een crisis, de angst. Was er in de jaren vijftig nog een waarschuwingstijd van uren, de moderne raketten tellen hun vliegduur in minuten. Wanneer deze nieuwe generatie overbrengingsmiddelen straks zowel in Oost als West opgesteld zal zijn, zal tevens de menselijke factor in de moderne oorlogvoering weer een stap terug doen. Computers die via satellieten verbinding onderhouden met her en der verspreide radarstations, zullen binnen seconden moeten beslissen of de aanstormende vijandelijke projectielen met nucleaire middelen moeten worden beantwoord, of niet. Aarzeling kan fataal zijn: bij de eerste atoomontploffing zullen de verbindingen wegvallen. Maar een al te snelle reactie zal nog veel fataler zijn: de nachtmerrie van een "per ongeluk" begonnen atoomoorlog, door een elektronische storing, of een zenuwachtige plaatselijke commandant, lijkt een reële mogelijkheid te gaan worden in plaats van science-fiction. Zoals een bezorgde Amerikaanse senator heeft uitgeroepen: wij zijn bezig ons leven te laten afhangen van de kwaliteit van Russische computers!
Het is al gezegd: de huidige wapentechnologie, die militairen verleidt tot fantasieën over "winbare" kernoorlogen, heeft een sterk destabiliserende tendens. De elementen van technische vooruitgang en politiek wantrouwen versterken elkaar wederzijds, en de supermachten ontdekken dat zij gevangen zitten in een neerwaartse spiraal. De situatie is dat meer wapens minder veiligheid opleveren, met als gevolg dat de militairen om nog meer wapens vragen enzovoorts. En natuurlijk heeft de tegenpartij telkens een verontrustende voorsprong: de B-1 B supersone bommenwerper en de Stealth, de MX en de Trident-II, de kruisraket en de Pershing-II, de 17.000 nieuwe kernkoppen, het zijn slechts antwoorden op Russische initiatieven, zo wordt ons voorgehouden.
Gelet op de galopperende bewapeningswedloop in Oost en West zou men geneigd zijn om te menen, dat de laatste halte nu wel definitief achter ons ligt. Maar misschien is dat toch niet helemaal waar. Onze hoop ligt nu niet bij de regeringen, die duidelijk gedemonstreerd hebben hoe machteloos zij zijn om de waanzin te stoppen. Maar er ligt hoop bij de gewone mensen, die signalen beginnen te geven dat zij iets anders willen.
De laatste jaren hebben een opmerkelijke herleving van de internationale vredesbeweging te zien gegeven, speciaal sinds president Reagan in het Witte Huis getrokken is. Van diens zorgeloze opmerkingen over "vechten en winnen" en het lossen van waarschuwingsschoten in Europa, zijn velen zich een ongeluk geschrokken. Een barrage van neutronenbommen tegen doelen op eigen bodem, is zeker niet wat de meeste West-Europeanen zich voorstellen van de verdediging van de democratie. De vertrouwensbreuk met de eigen politieke leiders is zeker één van de redenen, waarom in het najaar van 1981 twee miljoen mensen in de verschillende Europese hoofdsteden gedemonstreerd hebben tegen de nieuwe kernwapens. En men kan er zeker van zijn. dat dáárvan sterke signalen zijn uitgegaan naar de Verenigde Staten! De Amerikaanse burgers zijn zelf ook geschrokken van de belligerende taal van hun leiders. Zij worden de laatste maanden geconfronteerd met bizarre evacuatieplannen - tracht, in geval van een crisis eens snel tien miljoen inwoners van New York over te brengen naar het platteland! - en zij zien overal in de grote steden atoomschuilkelders gebouwd worden. Die maatregelen die bedoeld zijn om mensen gerust te stellen, confronteren in werkelijkheid de bevolking met de sinistere dreiging van de atoomverdelging. Reagan zelf heeft zo de voorwaarden geschapen voor een snel groeiende vredesbeweging, die niet zoals de ban-de-bom beweging uit de jaren '50 door intellectuelen en linkse vakbonden wordt geleid, maar die als vanzelf opkomt uit brede lagen van de bevolking (de "grass roots", zoals ze daarginds zeggen).

Atoomwapens zijn gruwelijk, maar niemand kan er onder uit dát ze er zijn - en de techniek om ze te maken is nu al zo'n veertig jaar oud. Al zijn ze dan een kwaad, er is één rechtvaardiging voor hun bestaan: de voorkoming van een oorlog, waarin ze gebruikt zouden worden. De zekerheid van wederzijdse verdelging kan een conflict tussen de supermachten voorkomen. De bestaande wapens bieden die zekerheid vele malen, en daarom is elke toevoeging overbodig en werkt, zoals hierboven betoogd werd, alleen maar destabiliserend. De Amerikaanse vredesbeweging concentreert zich dan ook op de kreet:

Bevriezing (freeze)

"... De Verenigde Staten en de Sovjetunie behoren een onmiddellijke, wederzijdse bevriezing van alle tests, productie en plaatsing van nucleaire wapens af te kondigen, die ook geldt voor raketten en vliegtuigen die bestemd zijn voor overbrenging van kernwapens."
Zo begint een pamflet dat twee jaar geleden de Amerikaanse Freeze-beweging inluidde. Een jaar later werd het Freeze-voorstel een belangrijk onderwerp op universiteiten, gemeenteraadsvergaderingen en kerkelijke bijeenkomsten; maar pas in de loop van 1982 werd "The Freeze" een beweging die zijn aanhangers niet bij duizenden, maar bij miljoenen telde. In juni was er bij het gebouw van de Verenigde Naties in New York een demonstratie van 700.000 mensen, wat zelfs voor Amerikaanse begrippen buitengewoon was. De politieke vertaling van de Freeze-beweging is gegeven door de senatoren Edward M. Kennedy en Mark O. Hatfield, respectievelijk een Democraat en een Republikein, die op 10 maart 1982 in het Congres een resolutie indienden die onder meer:
- onmiddellijke bevriezing van de nucleaire wapenwedloop eist, zowel in de V.S. als in USSR;
- speciale aandacht eist voor de nieuwe, destabiliserende wapensystemen;
- de bevriezing als een eerste stap ziet naar substantiële wederzijdse en controleerbare reducties in aantallen kernwapens, raketten en andere overbrengingsmiddelen.
In juli werd dit Kennedy-Hatfield amendement in de eerste ronde verworpen, zij het, en dat is belangrijk, met de kleinst mogelijke meerderheid: 204-202. Maar in november 1982 zal het amendement één van de belangrijke strijdpunten zijn bij de algemene verkiezingen voor het Congres; en in elk geval zal er dan ook in de meeste Staten afzonderlijk over gestemd moeten worden. Eén ding is zeker: de regering Reagan is door de aanzwellende roep om een Freeze uit zijn evenwicht gebracht.

Wellicht is dit de laatst mogelijke halte in de wapenrace die zich aan ons voordoet. In het Oosten heeft de bevolking de kans niet om aan de noodrem te trekken, maar in dit deel van de wereld wèl; het is zeer te hopen dat de vredesbeweging de politieke leiders kan dwingen tot stappen die zij blijkbaar niet in staat zijn uit zichzelf te maken. De Freeze-beweging verdient vanuit Europa alle mogelijke steun. Het is een beweging met een zeer pragmatische doelstelling. In Europa neigen de vredesbewegingen vaak naar een ethisch absolutisme: kernwapens zijn demonisch, daarom moeten ze de wereld uit. De demon moet uitgedreven worden. Daarmee wordt echter een onhaalbaar doel geformuleerd. De geest, de demon, kàn niet meer terug in de fles. Het Kennedy-Hatfield amendement zegt: genoeg is genoeg. Als je de verkeerde kant op holt, moet je eerst tot stilstand komen om terug te gaan. Een moratorium is dus de eerste noodzakelijke stap in de richting van ontwapening. Laten we dus alles op alles zetten om tenminste die éne noodzakelijke stap te doen. En dat kan lukken. De V.S. en de USSR hebben zich immers van 1957-1960 óók vrijwillig een moratorium op kernproeven opgelegd, hangende de diplomatieke gesprekken over een verdrag. Er is dus een precedent. En nu zou een moratorium nog veel meer in het belang van beide partijen zijn. Het kernwapenprogramma van de V.S. kost zo'n 35 miljard dollar per jaar: een Freeze zou de helft van dat bedrag besparen. En er bestaat op dit moment zoiets als een ruw nucleaire pariteit: geen van de supermachten zou het gevoel hoeven hebben, dat hij in een strategisch onvoordelige positie werd vastgevroren.
Er is dus hoop, maar ook groot gevaar. De Freeze-beweging, in enkele maanden uit de grond geschoten, is erg kwetsbaar. Er is gevaar, dat de Amerikaanse burgers zich tevreden laten stellen met een nep-bevriezing, zoals het door Reagan gesteunde Jackson Warner amendement, dat ook een bevriezing wil - maar dan later, op een nog nader vast te stellen niveau. Ook is er gevaar, dat de Amerikaanse vredesbeweging gecompromitteerd wordt door radicaliserende vredesbewegingen in Europa. Men is daar zeer gevoelig voor vermeend communistisch gewroet. Zo zal het Nederlandse IKV niet moeten toegeven aan radicaliserende tendensen, die de kop opsteken bv. in de afdeling Groningen waar tezamen met groeperingen van PSP en CPN de blokkades tegen de munitietreinen werden opgezet, in een uitgesproken anti-Amerikaanse sfeertje. Gelukkig heeft het landelijk bestuur in de persoon van Mient Jan Faber daar stevig kritiek op uitgeoefend. De kwestie van de kernwapens mag immers geen speelbal worden van links - rechtse politieke schermutselingen. Daarom is het ook laakbaar, dat tegenstanders van de IKV-aktie hun heil hebben gezocht in het verspreiden van kwade geruchten: zo zou het IKV door Moskou betaald worden. Helaas was het, naast De Telegraaf, ook Het Reformatisch Dagblad dat deze beweringen afdrukte. De geruchten waren uit de lucht gegrepen en zijn doeltreffend ontzenuwd, maar hebben intussen wèl hun weg gevonden naar de Amerikaanse pers. In enkele gevallen hebben tegenstanders van de vredesbeweging zelfs direct in Amerikaanse tijdschriften geschreven over beweerde communistische manipulatie van het IKV. Maar wie heeft er werkelijk belang bij, om de vredesbeweging in het antiwesterse hoekje te duwen? Als de vredesbeweging zijn brede basis verliest en daardoor wellicht radicaliseert, heeft de vrede zelf weer een kans verloren.
Het is te hopen dat de plaatsing van kruisraketten in Europa voorkomen kan worden. Als ook de Freeze-beweying succes boekt in de Amerikaanse politiek, wordt het klimaat misschien geschikt om opbouwende voorstellen voor een vredespolitiek te bespreken. Daar ligt bijvoorbeeld het voorstel van een Pugwashwerkgroep (juni 1982) om aan beide zijden van het IJzeren Gordijn een nucleair-vrije zone te scheppen, en ook door een geschikte wapenopbouw de atoomdrempel te verhogen.
Technisch gesproken leidt dat tot langere waarschuwingstijden en meer stabiliteit. De huidige confrontatiepolitiek van Oost en West kan dan op langere termijn wellicht plaats maken voor meer positieve vormen van samenwerking, zoals omschreven in het Palme-Rapport (1982).
In de opkomst van de vredesbewegingen hebben de kerken een grote rol gespeeld. Daar leeft het bewustzijn, dat een politiek die de massale vernietiging van alle geschapene nabij brengt, onverenigbaar is met de werkelijkheid van het Koninkrijk der Hemelen. Het waren de kerken die het IKV hebben opgericht. Synodale uitspraken van de grote kerken krijgen brede aandacht, als zij over vredesvraagstukken handelen. Ook in de Verenigde Staten is de rol van de kerken in de vredesbeweging belangrijk. Vooral de rol van de Rooms-Katholieke kerk is opvallend, nu een aantal bisschoppen zich vóór de Freeze hebben uitgesproken en sommigen zelfs acties van burgerlijke ongehoorzaamheid aanmoedigen. De houding van de kerken is politiek belangrijk omdat zij de stem van het geweten vertegenwoordigen, en distantie moeten bewaren tot de alledaagse nationale politiek. Zij ontlenen hun gezag immers aan een Hogere autoriteit.

Hopelijk zullen ook in Nederland de kerken ertoe kunnen bijdragen, dat de vredesbeweging niet op de klippen strandt, zodat ook het licht van de hoop niet wordt uitgedoofd.

Gebruikte literatuur:

  • Children of Hiroshima, Arata Osada (ed. ) Harper Books, 1982
  • Freeze! How you can help prevent nuclear war. E:M. Kennedy and M.O. Hatfield, Bantam Books 1982
  • Bondgenoten in veiligheid / Het Palmerapport. Sijthoff, 1982