Psalmen: het gebedenboek van Jezus en de kerk
Mensen zijn relationele en sociale wezens, dat is het paradigma van Bonhoeffer. Ook gelovige mensen leven met en voor anderen. Dat blijkt specifiek in hun gebed. Al biddend nemen ze verantwoordelijkheid voor anderen. De ware mens is Jezus. Bonhoeffer komt op basis van de exegetische categorie parallelisme membrorum tot een hermeneutische vondst: de ander met wie ik Psalmen bid, is Jezus zelf.
Over dit paradigma schrijft Bonhoeffer wetenschappelijk in Sanctorum Communio [1] en praktisch in Gemeinsames Leben. Das Gebetbuch der Bibel.[2] In dit laatste boek voelt Bonhoeffer zich verwant met de Bijbelse theologie van Friedrich Christoph Oetinger. Wat leerde Bonhoeffer van Oetinger over de Psalmen als gebedenboek en wat is de relevantie daarvan voor onze omgang met de Psalmen? Aan de hand van spirituele opvattingen bij Bonhoeffer en Oetinger wil ik de betekenis van de Psalmen als gebedenboek duidelijk maken.
Christus was echt mens
Friedrich Christoph Oetinger (1702-1782) was een Duits, luthers theoloog en filosoof, die voortkwam uit de Bijbelse school van Johann Albrecht Bengel (1687-1752). Hij aarzelde niet om de eeuwenoude overtuiging van de kerk te bevestigen, in navolging van Augustinus en Luther, dat het Psalter het gebedenboek van Jezus Christus is. In zijn publicatie Die Psalmen Davids [3] zoekt Oetinger Christus niet via een theologisch systeem, maar via een praktische gevoelstheologie. Oetinger noemt zijn theologie: een theologie die afgeleid is van het leven met God. De persoon Jezus Christus was voor hem echt mens, Hij nam echt deel aan ons bestaan, en heeft als gelovige met ons de Psalmen gebeden.
De incarnatie betekent dat Jezus Christus als gelovig mens voluit heeft geparticipeerd in het leven met God. In de Psalmen herkennen we daarom de woorden van Christus en zijn gebeden. De Psalmen hebben voor Oetinger een transformerend effect door de band met Christus. In Die Psalmen Davids staat Jezus Christus als gekruisigde centraal. Hij is in zijn gemeente ‘de waarheid als Persoon’. Een bekend woord van Oetinger is: ‘Christus voor en in ons’. Oetinger zegt: God heeft de verborgen eeuwigheid in het menselijk hart gelegd. Dat leven bestaat in een biddende overgave, een krachtige wil om Christus toegewijd te leven, zoals hij schrijft in Die Psalmen Davids. Bonhoeffer, die Oetingers gebedenboek gebruikte, zegt later: ‘Christus bestaat als gemeente.’[4] Bonhoeffer wil hiermee de eenheid tussen de goddelijke en menselijke werkelijkheid door Christus’ menswording honoreren. Van Oetinger leert hij dat de kennis van Christus voorop gaat. Daarop volgt de heiliging van het natuurlijke leven.
Gods waarheid is een persoon
In 1750 verscheen Oetingers studie over de Psalmen met de titel Die Psalmen Davids. Dit gebedenboek bestaat uit twee delen.
In het eerste deel rangschikt Oetinger de verschillende Psalmen en vergelijkt die met de zeven gebeden uit het Onze Vader. Het gebed van Jezus is het volmaakte gebed. De gebedsvorm van het Onze Vader helpt ons om geconcentreerd te bidden. Oetinger legt vanuit zijn exegese een Psalmtabel aan waarmee we de Psalmen kunnen bidden met het oog op het Onze Vader.
Bij de overgang naar het tweede deel zegt Oetinger over het kruis van Jezus dat het de toegangspoort is tot de Boom des Levens. Gelovigen zijn in Christus, alles is van hen, en Christus is God. Het tweede deel getiteld Einleitung zum Neu-Testamentlichen Gebrauch der Psalmen gaat over vrijheid. Oetinger wijst erop dat we de Psalmen voortdurend in relatie met Jezus Christus in alle vrijheid kunnen bidden. Wij zijn geroepen tot vrijheid. ‘Waar de Geest van de Heer is, daar is vrijheid.’Als enkeling is mijn gebed opgenomen in het gebed van de gemeente
Bonhoeffer leert van Oetinger dat het voor ons gebed het beste is om – zoals de Heer deed – de vorm van Davids gebed te gebruiken, daar eerst over na te denken, en dan kennis te nemen van de belangrijke dingen die God wil dat wij doen. Dan worden we dicht bij God gebracht, door alles wat we elke dag moeten doen en lijden, zo leert het gebed van de Heer. Hierdoor wordt volgens Oetingers gevoelsopvatting, zoals hij dat verwoordt in Die Psalmen Davids, het koninkrijk van Jezus Christus onder ons gebouwd. Gods waarheid is voor Oetinger een persoon, Jezus Christus, die met zijn lichaam de kerk op aarde vertegenwoordigt.
Deze gedachten sluiten aan bij Bonhoeffers geloofsopvatting: ‘Christus bestaat als gemeente.’[5] Het is belangrijk te zien dat het lichaam van Christus bidt. Als enkeling is mijn gebed opgenomen in het gebed van de gemeente. Bonhoeffer geeft daarmee een eigen inkleuring aan het zogenaamde parallellisme membrorum. Ik bid met de gemeente mee, die mij uittilt boven mijn persoonlijke wensen. Jezus bidt zelf mee, alleen zó is mijn gebed waardevol en word ik bewaard voor zelfzuchtig bidden.
Het psalmgebed als gemeenschappelijke gebed
Bonhoeffer leert de visie over het meebidden uit het psalmgebed van Oetinger en verwoordt dat in Gemeinsames Leben. Das Gebetbuch der Bibel, onder het kopje ‘De dag met elkaar’.[6] Oetingers methode van meebidden wordt bij Bonhoeffer een hermeneutische sleutel. Hij zegt: ‘Oetinger heeft in zijn commentaar op de Psalmen een diepe waarheid naar voren gebracht toen hij alle Psalmen heeft ondergebracht in het schema van de zeven beden van het Onze Vader.’[7] Volgens Bonhoeffer wijst Oetinger erop dat het in de Psalmen gaat om wat in het korte gebed van het Onze Vader wordt gezegd. En dat de Heer in zijn gebed biddend met ons verbonden is en met ons meebidt. Zo blijft in het gebed van de Heer alleen de belofte van Jezus Christus over ‘dat ons bevrijdt van heidens gekakel.’ Het psalmgebed leert ons als lichaam van Christus gemeenschappelijk bidden, zoals Bonhoeffer verder zegt: ‘Als enkeling ervaar ik hoe mijn gebed een klein deeltje is van het gehele gebed van de gemeente. Ik leer het gebed van het lichaam van de Heere meebidden. Dat tilt mij boven mijn persoonlijke wensen uit en doet mij onzelfzuchtig bidden.’ Hij ontleent deze gedachten aan de psalmmethode: parallellisme membrorum, dat wil zeggen: een parallellisme van de zinsdelen. Ik leerde in een college Oude Testament van professor Hendrik Leene deze dichtkunst uit de Psalmen kennen. Als je kijkt naar een psalmvers, zei hij, zie je dat ze in de regel uit twee, soms uit drie, of vier korte terugspringende zinnetjes opgebouwd is, die met elkaar in dialoog staan. Daar zit een gedachterijm in, die onderling verbonden is en een hoogtepunt bereikt. Een versregel bestaat meestal uit twee subversregels. Maar ze kan net zo goed opgebouwd zijn uit drie, vier, vijf of zes van die regeltjes. De vakman-hebraïcus spreekt graag van cola, meervoud van colon, en ook wel van lijnstukken. Deze samenspraak tussen enkeling en gemeenschap is voor de kerk nog steeds relevant. Bonhoeffer gebruikte deze methode voor het samen bidden en Bijbellezen.
Bonhoeffer zegt over dit parallellisme membrorum dat we haar niet alleen als literaire vorm moeten zien, maar ook moeten zoeken naar haar kerkelijke-theologische betekenis. Hij geeft een voorbeeld over het lezen en zingen van de Psalmen in een wisselzang.[8] Het parallellisme van de delen uit een psalmvers nodigt ons als gemeente uit om met elkaar te bidden als uiting van een sociaal christelijk leven. Uit zijn gebedenboek blijkt dat het christelijke persoonsbegrip de kern is van Bonhoeffers denken. Zijn theologie typeren we als ‘persoonstheologie’,[9] die ontstond uit zijn visie op de mens als beelddrager van God. Hij interpreteert ‘persoon’ zowel individueel als collectief, waarin hij de ik-jij-relatie opheft tot een hogere roeping.[10] In deze hogere roeping draagt de mens een vrije verantwoordelijkheid jegens God, de ander en de samenleving.[11] Deze theologische visie keert terug via het parallellisme membrorum in Gemeinsames Leben. Bonhoeffer zegt: in een psalm ‘zijn telkens twee stemmen [een parallellisme van twee personen, CB], die met andere woorden hetzelfde gebed voor God brengen. Zou dat er niet op wijzen dat de biddende niet alleen bidt, maar dat er steeds een tweede, een ander, een lid van de gemeente, een lid van het lichaam van Christus, ja, Jezus Christus zelf moet meebidden [Hij staat in relatie met de ander, socialiteitstheologie, CB], opdat het bidden van de enkeling echt bidden zal zijn?’[12] In deze methode van het parallellisme membrorum wordt het psalmgebed meer dan alleen het uitstorten van nood en vreugde van het menselijk hart. Direct daarmee verbonden wordt het gebed tegelijk ook tot een hartelijke en standvastige gelofte. De bidder spreekt uit dat hij bereid is de wil van Jezus Christus te doen. Wanneer we op deze wijze bidden met het oog op het gebed van de Heer, worden al Gods beloften vervuld. Hoe dieper wij deze exegetische tweestemmigheid in het gebed leren, ‘des te rijker en eenvoudiger zal ons gebed worden.’ Bonhoeffers hermeneutische sleutel helpt ons die rijkdom te verstaan.Christus bidt de Psalmen vanuit zijn menselijkheid met ons mee
Bonhoeffers hermeneutische sleutel|
Bonhoeffer werkt in zijn gebedenboek, evenals Oetinger had gedaan, verschillende thema’s uit met de focus op de vrijheid in Christus. Wat Bonhoeffer vooral van Oetinger leerde was nadruk leggen op het typologische, christologische karakter van de Psalmen. Bonhoeffer gebruikt drie regels die hij voor zijn exegetische sleutel hanteert: a) de christologische bemiddeling bij het gebed, b) bidden volgens de Schrift en c) de bidder uit de Psalmen.[13]
De christologische bemiddeling bij het gebed – Het gebed is voor Bonhoeffers persoonstheologie niet alleen een uiting van je gevoelsleven tegenover God, zoals bij Oetinger. Het is geen zoeken naar het vervuld worden van onze geestelijke behoefte, maar een weg om God te vinden. Alleen Jezus Christus kan deze weg voor ons openen, omdat Hij vanwege zijn God-menselijke persoon de eenheid belichaamt van Gods woord en het verhoorde gebed tot God. Hij bidt de Psalmen vanuit zijn menselijkheid en bidt met ons mee. Zo leren we van Christus om met Hem mee te bidden. Hij is de nieuwe mens en de christen bidt door Hem als lid van het lichaam van Christus, die het Hoofd is van het lichaam.
Bidden volgens de Schrift – Jezus heeft in zijn menselijkheid alle nood, vreugde, levenslast en hoop uit ons bestaan op zich genomen.[14] Hij neemt als echt mens deel aan het menselijk leven, zoals beschreven in de Psalmen. Daarom kan Hij als geen ander ons begrijpen en helpen. De Psalmen staan in de Bijbel als gebeden van gewone mensen, maar door de mens Jezus worden mensenwoorden Gods woorden en Gods woorden mensenwoord.[15] Dat zien we in het Onze Vader gebeuren. Daar leert Jezus de discipelen hoe zij echt kunnen bidden. Alle gebeden, inclusief de Psalmen, krijgen hun betekenis en zeggingskracht in het Onze Vader.[16] Christenen bidden niet willekeurig naar hun eigen geest en gevoel.
De bidder in de Psalmen – Voor zover David door de profetische-messiaanse gebeden in de Psalmen de Messiaanse geest al in zich heeft, bidt Jezus Christus in hem. Christus kan niet gescheiden worden van zijn lichaam, de kerk en haar leden. De kerk van alle eeuwen en plaatsen bidt in de Psalmen door het geloof in Christus. Zo leven we in aanhankelijkheid en afhankelijkheid en leren we van Bonhoeffer ‘wachten op God en het goede doen.’ Zonde en wraak uit de Psalmen worden bij het kruis van Christus gebracht. God heeft Christus voor ons als onschuldige tot zonde gemaakt. Dat is Gods liefde voor vijanden, Hij schenkt genadig vergeving voor onze schulden. Al biddend leren wij de schuld van de ander te vergeven. Voor Bonhoeffer zijn de Psalmen op Christus gefundeerd, omgekeerd interpreteren de Psalmen de gebeurtenissen in Jezus’ leven.Als leden van Christus’ lichaam samen bidden staan ze sterker in deze mondige tijd
De tweestemmigheid, gebaseerd op het parallellisme membrorum, leerde Bonhoeffer uit Oetinger gebedenboek over de Psalmen. De Psalmen vormen voor Bonhoeffer de ziel van zijn theologie en geloofsleven. De Psalmen leren wat bidden is in relatie tot Jezus, en wat wij moeten bidden om boven eigen beperktheden uit te komen door op de belofte van Christus te vertrouwen. Christus is onze voorbidder en middelaar voor Gods troon. In de Psalmen gaat niet een goedkope waarheid voorop, noch de ervaring, maar Christus die zijn weg heeft afgestemd op de gebeden in de Psalmen. Hij heeft zichzelf in de Psalmen herkend. Daarom bidden wij in zijn naam.[17] Als leden van Christus’ lichaam samen bidden staan ze sterker in deze mondige tijd. Daarbij krijgt de pastorale vraag waarom ik moet bidden in Bonhoeffers theologie als antwoord: omdat het zinvol is en een belofte inhoudt. Als men zegt: ik kan niet bidden, dan luidt zijn antwoord: bid, schenk een riskerend vertrouwen aan Diegene die rijk is aan belofte. In deze overgave ontvangt de mens zichzelf, ja alles en nog meer: wat God zelf in Jezus heeft gegeven voor persoon, kerk en wereld.
Drs. C. Bos (Benschop) is emeritus predikant (Protestantse Kerk in Nederland) en heeft enkele studies over de theologie van Bonhoeffer gepubliceerd.
- Bonhoeffer, D., Sanctorum Communio, (DBW 1) München / Gütersloh 2005.
- Bonhoeffer, D., Gemeinsames Leben. Das Gebetbuch der Bibel, (DBW 5) München / Gütersloh 2008.
- Oetinger, F.C., Die Psalmen Davids nach den sieben Bitten des Gebetts des Herrn in sieben Classen gebracht. Ein Werk zur Erbauung, Mannheim: Löffler 1750.
- DBW 1, p.191, voor verdere informatie, Feil, E., Die Theologie Dietrich Bonhoeffers. Hermeneutik-Christologie-Weltverständnis, Berlin 2015, 145-149.
- Oetinger, F.C., Einleitung zum Neu-Testamentlichen Gebrauch der Psalmen, p.5-7.
- DBW 5, p.42.
- DBW 5, p.42.
- DBW 5, p.114.
- DeJonge, M.P., Bonhoeffer’s Theological Formation. Berlin, Barth, and Protestant Theology, Oxford 2018.
- Bonhoeffer heft de ik-jij relatie op, evenals de tegenstelling object subject in een hogere eenheid van de geest. ‘In de psalmen is het ik de stem van Christus in zijn oud testamentische gemeente.’ Bonhoeffer, D., ‘Christus in den Psalmen’, in: Illegale Theologen-ausbildung. Finkenwalde 1935-1937, (DBW 14) München / Gütersloh 1996, p.373. Voor Bonhoefer geldt het idealistische filosofische concept van de persoon ligt in het feit dat "het niet denkt aan een voluntaristisch concept van God en dat het het verdiepte concept van zonde mist."
- DBW 1, p.19.
- DBW 5, p.42.
- DBW 5, p.172-175.
- Bos, C., Zinvol geloven. Lijden in Gods hand bij Bonhoeffer, Kampen 2021.
- DBW 14, p.370.
- ‘Niet ons gebed is de maatstaf voor het gebed, maar de psalm is de rechte maatstaf voor ons gebed.’ DBW 14, p.370.
- DBW 14, p.371-377.