Redactioneel
Deze vakantie las ik het vervolg van Mak op In Europa: Grote verwachtingen; voor de nieuwe eeuw moet hij zich beperken tot de eerste 25 jaar. Dat heeft niet alleen tot gevolg dat het boek minder dik is, maar ook dat Mak minder afstand kan nemen. De zinnetjes waarin hij ineens kan duiden wat gebeurd is, worden schaarser. Ik had zelfs hier en daar de neiging met Mak in discussie te willen omdat ik het niet met hem eens was. Mak beseft zelf heel goed dat hij als historicus gemankeerd is omdat hij moet schrijven over zijn eigen tijd. Hij schrijft zijn laatste zinnen – ik las de geactualiseerde editie van 2023 – net na de Russische inval in Oekraïne en het lijkt alsof paniek zich van hem meester maakt. ‘Er ligt een loodzware steen op mijn maag.’ De afdronk van het boek is dat we leven in onzekere tijden en dat de zwarte bladzijdes van de geschiedenis ons opnieuw op de huid zitten.
Deze Wapenveld gaat ook over weemoed en de dingen die voorbijgaan. Het verhaal van Daniël van den Bos had zo in het boek van Mak gepast. Hij vertelt de onvoorstelbare geschiedenis van Isaac Cohensius, een joodse arts die de kampen overleefde. Al aangekomen in Westerbork gaat hij even heen en weer om zijn artsenbul in het Academiegebouw in Utrecht op te halen. Bij toeval vindt Van den Bos zijn verhaal in een museum in Israël en vertaalt het voor de familie van Cohensius, die zelf al lang geen Nederlands meer spreekt.
Wat me in beide boeken van Mak trof, is de afwezigheid van de kerk. Christenen lijken voor Mak vreemdelingen. Dat is juist een situatie die Willem Maarten Dekker in zijn bijdrage aan dit nummer omarmt. ‘Niet het transformeren van de wereld, maar het blijven bij het geheimenis is de uitdaging.’ Weemoed kijkt blijkbaar niet alleen achteruit, het kan ook een nieuw verlangen wakker roepen. Een vergelijkbare beweging maakt Herman Paul als hij het verwijt van reductionisme weegt dat te pas en onpas wordt gemaakt in de richting van de wetenschap. Paul verlangt naar een rijk wereldbeeld, waarin wetenschap weliswaar een belangrijke bijdrage levert, maar het verwijt van reductionisme onnodig is.
Kees Jansen schrijft over het verlies van een vriend. De vraag wat die vriendschap precies is, dringt zich onweerstaanbaar op. Maakt de dood een einde aan de vriendschap? Jansen gaat te rade bij de groten uit de traditie en vindt ontroerende passages. ‘Een vriend is iemand die het goede wenst en zoekt voor de ander, die het bestaan en behoud van een vriend zoekt omwille van die vriend als iemand die deelt in de vreugden en zorgen van de ander.’ Voortbouwend op de kerkvaders komt hij tot de slotsom dat vriendschap raakt aan de verbinding met God zelf. Waar weemoed overgaat in liefde, is het einde zoek.