Stabat Mater

Het lichaam in 3 gedichten

Vandaag trekt de zomer
alle registers open. De berm
ziet geel van de boterbloemen, warmte wordt
getoonzet door gonzende insecten.
Een tor beklimt een wankele
grasspriet: git op smaragd.
Verbluft lig ik onder een boom
en staar door ontelbare groene wimpers
in het kolossale blauwe oog
van de hemel die terugstaart
en me met een withete pupil
hypnotiseert zodat het lijkt
of ik als afzonderlijk wezen
ophoud te bestaan en onder ga
in een raadselachtig geheel.
Het voelt aan als het hoogtepunt
van een omhelzing, wat me herinnert
aan jou en onmiddellijk word ik
wat ik was: een kwantum vlees
en bloed, door een laagje huid
afgeschoten van zijn omgeving, incompleet
als zij en even onverklaarbaar.

Hanny Michaelis 

(Uit: Verzamelde gedichten, Van Oorschot, 2025)

*

Dochter, wees jij de ziel, ik het lichaam
dat je voedt en verzorgt, kalmeert en kleedt
maar nooit met zekerheid iets van je weet.
Niet wijzer: ouder en geduldiger
verlengt het ons aarzelend samengaan.

Leven, dat heeft besloten ons langzaam
met elkaar te vermenigvuldigen,
doet een ongedurig product ontstaan.

Eva Gerlach

(Uit: Voorlopig verblijf, Gedichten 1979-1990, Arbeiderspers)

Stabat Mater 

Dit is mijn lichaam: de zwarte moedervlek van mijn gezicht
verraadt de herkomst, ooit werd ik uit het stof gehaald
van rauwe aarde, wortels van planten, blauw mineraal.
Dat werd gebrand, tot donzig poeder fijngewreven en aangelengd

met damp die aan de jonge grond ontsteeg. Zo aards
werd uit een bruinrood papje de eerste huid gemaakt:
een rimpelloze stof die regentijd en zomer eeuwig zou volstaan.
En dit mijn zoon; hij heeft de voortijd niet meer meegemaakt;

hij is juist in zijn lichaam thuisgebracht: zijn vel is koud,
zijn mond is blauw, blijft open staan, hij stinkt naar rook.
Ik doe een zwachtel om zijn stukgeslagen hoofd, ik ben
van bloed en water en ik wieg zijn lijf, ik had het

van mijn vlees gemaakt. De aarde geurt en is nog jong,
niet eerder heb ik taal bedacht voor wat hier op mijn schoot
verstijft. Mijn mond staat open; keelklanken maak ik
met van die aangehouden trillers: Abeltje, wat ga je dood.

Henk Knol

(Uit: Schoon vlees, gedichten. Uitgeverij Brandaan.)