De gave der tranen

Op Palmpasen om half tien ’s morgens zit ik op de fiets als ik word gebeld door een vrouw uit de kerk: mijn vroegere buurmeisje, een vrouw van begin veertig, is die nacht overleden. Hoewel ze al langere tijd elders woonde hebben veel mensen in de gemeente haar en haar ouders goed gekend. Het verzoek is dan ook of ik als ouderling van dienst de afkondiging van haar overlijden wil doen. De emotie is duidelijk hoorbaar in mijn stem als ik tijdens de afkondigingen vertel dat ze is overleden. Als ik ga zitten voel ik me verdrietig, maar ook voldaan. Het voelt goed dat de afkondiging gedaan is door iemand die haar kende en er iets bij voelt.

Dat verandert na afloop van de dienst. Mensen vragen: ‘Was ze een goede vriendin van je?’, waarop ik moet antwoorden dat ik haar al jaren niet gezien heb. Anderen zeggen: ‘Ik vond het juist wel mooi hoor, dat je kon horen dat je emotioneel was.’ Door de toon waarop ze het zeggen krijg ik het gevoel dat ze mijn emoties wat ongepast vonden. Het tevreden gevoel is weg. Tot ik rond Hemelvaart op een conferentie mijn oude buurjongen tegenkom. Hij vertelt dat hij de afkondiging heeft teruggekeken. Ik begin me te verontschuldigen voor mijn emotionele voordracht. ‘Mij gaf het juist een goed gevoel,’ zegt hij.

In algemene zin ben ik iemand die gemakkelijk huilt. Bij een verdrietig verhaal, als een opmerking me raakt, of – als ik heel moe ben – bij elk sentimenteel nummer dat maar wordt opgezet. Meestal weet ik het te beheersen, maar soms huil ik toch in het openbaar, en dat gebeurt het vaakst in de kerk. Misschien door de combinatie van muziek en de focus op het innerlijke, of omdat de kerk voor mij altijd een veilige plek is geweest waar het wegpoetsen van al die tranen niet eerlijk zou voelen. Als je voor het aangezicht van God al niet jezelf bent, waar dan nog wel?

Vroeger vond ik dat huilen in de kerk wel eens ingewikkeld. Toen ik als achttienjarige voor het eerst aan het avondmaal ging was ik ontroerd en huilde ik. Hoewel ik probeerde het te verbergen, werd het opgemerkt door ds. Hans Schouten. Terwijl ik langs hem schuifelde keek hij me aan en zei: ‘De gave der tranen, de gave der tranen.’ Dat deed me goed, dat mijn ontroering als een gave werd gezien.

Ik heb daarna nooit meer iemand over deze gave gehoord, maar heb het altijd onthouden. Een snelle zoektocht op internet leert dat er her en der wel over gesproken wordt: door de paus, een enkele dominee en op een spirituele website. Het gaat dan over de gave om te huilen over je eigen zonden, het leed in de wereld of van ontroering door de ontmoeting met God. Waarlijk genoeg redenen om te huilen zou je zeggen.

Daar waar we in onze cultuur geleerd hebben ons te schamen voor onze tranen is het wellicht tijd om als kerk deze gave meer ruimte te geven. Dan hadden op die Palmzondag zij met de gave der tranen de gemeente voor kunnen gaan in het verdriet over dit vroeg afgebroken leven, om zo te erkennen dat dit niet van God is en elkaar te troosten.

Dr. M. Groen-Blokhuis werkt als psychiater.