Gave der tranen

Bijbelschets bij Lucas 19:41

Zodra hij nadert en de stad aanziet, weeklaagt hij over haar.

Julius Caesar zou ze gebruikt hebben in een brief aan de Romeinse senaat: drie afgemeten woorden die zelfbewustzijn, macht en controle uitstralen: veni, vidi, vici. Jos de Heer noemt ze in zijn commentaar op Lucas om een contrast te schetsen met een andere heer. Jezus nadert Jeruzalem, hij ziet de stad liggen en huilt over haar. Veni, vidi, flevi. Op de Olijfberg is een kerk gebouwd die daarnaar is genoemd: Dominus flevit. De Heer heeft geweend. De herinnering daaraan mag blijkbaar niet verloren gaan. Lucas beoogt hetzelfde met zijn woorden. Ook hij hecht eraan dat dit bewaard blijft, want het onthult iets wezenlijks aangaande zijn Heer.

Een wenende Heer
Echte mannen huilen niet, zegt het cliché. Je zou hetzelfde over leiders kunnen zeggen: echte leiders kunnen zich dat niet permitteren. Van leiders worden oplossingen verwacht, daadkracht en positieve energie. Stel je een jammerende Merz voor, een snikkende Macron, een snotterende Poetin. Geen wonder dat orthodoxe gelovigen er grote moeite mee hadden dat het evangelie zou spreken van een wenende Heer, en – als we Epiphanius van Salamis (315–403) mogen geloven – zelfs geprobeerd hebben deze woorden te verwijderen uit het evangelie omdat ze niet pasten bij hun godsbeeld. God huilt niet. Als Jezus Christus God uit God is, licht uit licht, dan kan dit niet waar zijn. De droom van een machthebber die met een knip van de vingers alles op zijn plaats zet, zit blijkbaar diep.

Maar het evangelie vertelt ons over een wenende Heer, wiens tranen meer zijn dan een persoonlijke ontroering: zijn huilen is een publieke en profetische daad. Walter Brueggemann (deze zomer is hij overleden) heeft een boekje geschreven over drie urgente profetische taken die hij samenvat in de begrippen reality, grief, hope. Deze trits laat zien dat rouw begint met contact maken met de wereld zoals ze er werkelijk aan toe is. Ik proef daar iets van in het naderen van Jezus tot Jeruzalem. Vanaf de Olijfberg heb je goed overzicht over de stad: het imposante tempelcomplex, het koninklijk paleis, de burcht, de dikke muren met talrijke torens. Jeruzalem straalt, net als zoveel grote steden in de wereld, macht uit, welvaart, controle en onaantastbaarheid.

Jezus ziet iets anders wanneer hij de stad voor zich ziet liggen vanaf de Olijfberg. Net als de profeten voor hem is hij niet geïmponeerd. De tempel noemt hij een hol voor rovers. In die schuilplaats wanen zij zich veilig en komen zij op adem van de uitputtingsslag van hun misdaden. Hier danken zij God dat zij niet zoals de andere mensen roofzuchtig, onrechtvaardig en overspelig zijn (Lucas 18:11). Je kunt je blijkbaar vergissen over jezelf en de wereld waarin je leeft. Je kunt wel wonen in de stad die naar vrede heet, maar dat wil nog niet zeggen dat je de vrede ook echt doet. En Jezus weet dat blinkende torens om kunnen vallen en dat dikke muren het onheil niet kunnen tegenhouden. Geen steen zal op de andere gelaten worden.

Jezus maakt contact met alles wat behoort tot de werkelijkheid van deze stad en treurt daarover. Uit zijn weeklagen blijkt het tegendeel van onverschilligheid en ontkenning. Zijn hart staat open voor de pijn van een stad die op haar einde afstevent. Zijn lichaam verkondigt rouw over de afwezigheid en de afwijzing van vrede. Zijn tranen zijn een uitnodiging om met andere ogen te kijken naar de werkelijkheid van de stad. Door de tranen van de profeten en Jezus wordt de werkelijkheid betrokken op God. Ze gaat verschijnen in het licht van zijn pathos, en het weeklagen van Jezus is daar een welsprekend teken van. Jeruzalem is niet zoals het in Gods dromen vanouds moet zijn geweest (LB 766).

De stad had dit zelf ook kunnen weten, maar wilde het niet zien. Ze sloot haar ogen voor wat haar vrede zou kunnen dienen. De waarheid kan zo ongemakkelijk zijn dat je haar maar liever niet onder ogen komt. Walter Brueggemann draagt in zijn boekje diverse mogelijkheden tot ontkenning aan in onze tijd. Voor ons is het wellicht de werkelijkheid van een planeet die in haar voegen kraakt; een wereldorde waarin het Westen zijn vanzelfsprekende positie verliest; een samenleving die minder wit en minder christelijk is dan we gewend waren; morele vanzelfsprekendheden die niet meer vanzelfsprekend zijn; enzovoort. Wanneer de rouw over al deze veranderingen niet wordt aangegaan, krijgt ze een lelijk gezicht: woede op de ander, angst voor wat vreemd is, zwaaien met oude vlaggen. Rouw is erkennen en doorleven dat het vertrouwde niet meer bestaat en ook niet in de oude vorm zal terugkeren. Alleen zo ontstaat er ruimte opnieuw te ontdekken wat wel tot vrede zou kunnen dienen.

Onopgesmukt
In Emotionally Focused Therapy (EFT) bestaat een werkvorm waarin partners zwijgend tegenover elkaar plaatsnemen op een stoel. Ze zeggen niets; ze kijken alleen in elkaars ogen terwijl één van hen zich een pijnlijke episode in hun relatie herinnert. In deze oefening blijven de woorden achterwege, omdat die al snel worden opgevat als verwijten waarop de verdedigende stellingen worden betrokken. Je ziet enkel het gezicht van de ander en hoe emoties daarop hun sporen trekken. Je ziet hoe het lichaam reageert op wat er ooit passeerde. En juist dat — het onbeveiligde, onopgesmukte tonen van pijn — opent soms een nieuw venster. Misschien is dat wel wat er gebeurt als Jezus huilt. Zijn tranen geven ons toegang tot het hart van God. Hij huilt over een ten dode opgeschreven wereld en over religie als schaamlap voor barbarij. Dat lijkt zwakte, maar het is toch ook de kracht en de wijsheid van God. Zijn vrede wordt ons op geen andere wijze aangeboden dan in de ultieme kwetsbaarheid van het kruis.

Tranen zijn geen garantie op vrede, want ook daarop wordt divers gereageerd. Les Murray beschrijft in een prachtig gedicht[1] hoe het huilen van één man in het centrum van Sydney een caleidoscoop aan reacties oproept. Iedereen ziet hetzelfde gezicht, dezelfde tranen, maar iedereen reageert op zijn of haar eigen wijze. Het gedicht eindigt zo:

Belachelijk toch, zegt iemand naast me, en slaat zijn hand
voor
zijn mond, alsof hij die woorden had uitgebraakt
en
ik zie een vrouw die haar handen uitstrekt, stralend
en
bevend, terwijl ze de gave der tranen ontvangt;
en
alle anderen die haar volgen ontvangen de gave

en veel mensen huilen van pure aanvaarding, en er zijn er meer
die
weigeren te huilen, uit angst voor welke aanvaarding dan ook,
maar
de huilende man heeft ons niet nodig, zomin als de aarde,
de
man die huilt negeert ons, en uit zijn verwrongen gezicht
en
zijn gewone lichaam snikt hij geen woorden

maar pijn, geen boodschap, maar enkel verdriet,
hard
als de aarde, doorzichtig, aanwezig als de zee
en
wanneer hij ophoudt, stapt hij doodgewoon tussen ons door
veegt
zijn gezicht af met de waardigheid van iemand
die
heeft gehuild, en nu klaar is met huilen.

Gelovigen ontwijkend beent hij haastig weg door Pitt Street.

  1. Een doodgewone regenboog is te vinden in Les Murray, De planken kathedraal, Amsterdam: De Harmonie (2013): blz. 34-37.