Schoonheid en de gestalte van God

Geloven in een seculiere tijd (3)

Beroemd is de zin van Augustinus in boek X van Belijdenissen: ‘Laat heb ik U lief gekregen, o schoonheid, zo oud en zo nieuw, laat heb ik U lief gekregen.’ Augustinus roept God aan als schoonheid. Dat is een opmerkelijke aanspreektitel, die voor Arjan Plaisier uitgangspunt is voor de derde aflevering in de serie Geloven in een seculiere tijd. Zou het kunnen zijn dat een malaise van de gelovige in een seculiere tijd het verdwijnen van de schoonheid is? Van God als schoonheid?

Zoals bekend staat schoonheid in het rijtje ‘waarheid, goedheid en schoonheid’. God is waarheid en goedheid, zo weten en geloven we. Daar was en is veel om te doen. Hoe zit het met God en de waarheid? De apologetiek heeft er de handen aan vol. En de goedheid? Die is voorwerp van de elke keer weer opnieuw ondernomen theodicee. Is God waar? Is God goed? De theologie is erdoor uitgedaagd en heeft deze zo goed mogelijk het hoofd geboden. Maar hoe zit het met de derde? Of is deze stilletjes door de achterdeur verdwenen? En zou het kunnen zijn dat juist dat ons opbreekt?

De glorie van de Heer
Een belangrijke tekst in het evangelie van Johannes luidt: ‘Het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond, en wij hebben zijn heerlijkheid gezien’ (Joh. 1:14, HSV). Het Griekse woord voor heerlijkheid is doxa. Dat wordt in de NBV abusievelijk vertaald met grootheid, terwijl glorie, heerlijkheid, uitstraling, majesteit, luister en schoonheid beter op zijn plaats zouden zijn. Deze doxa staat op één lijn met het Hebreeuwse woord kabod. Gods kabod verschijnt aan Israël op cruciale momenten in haar geschiedenis. Het gaat om een theofanie, een openbaar worden van God. De profeet Habakuk gebruikt daar woorden als glorie, schittering en stralen voor (Hab. 3:3-4). Het is een theofanie die tegelijk schrik en fascinatie oproept, zoals wel blijkt uit Jesaja 6, de roepingsgeschiedenis van Jesaja. Het is deze kabod die op een unieke manier verschijnt in Jezus, het vleesgeworden Woord.

Dat laatste is fundamenteel. God is verschenen in deze wereld. Aan het begin van zijn brief schrijft Johannes: ‘Wat er was vanaf het begin, wat wij gehoord hebben, wat wij met eigen ogen gezien en aanschouwd hebben, wat onze handen hebben aangeraakt, dat verkondigen wij: het Woord dat leven is (1 Joh. 1:1). God heeft ‘gestalte’ aangenomen. God is geen idee, zoals er zoveel ideeën zijn. Hij is geen hersenschim. Hij is ook niet een onpersoonlijk abstractum. God verschijnt in Jezus, waarlijk God, waarlijk mens. Een mens die gezien en gehoord en aangeraakt kon worden.

Gestalte
We worden in de verkondiging van de kerk niet geconfronteerd met een aantal beginselen, niet met een theorie, maar met een gestalte. Paulus vat zijn verkondiging samen als de verkondiging van Jezus Christus die hij ‘voor ogen heeft geschilderd’ (Gal. 3:1, HSV). Het is een gestalte die aantrekt, fascineert, bekeert, uit de eigen wereld trekt en inzuigt in de wereld van God. De kennis van God ‘straalt af van het gezicht van Jezus Christus’ (2 Kor. 4:6) en die afstraling doet wat met ons, die ‘verandert ons meer en meer naar de luister van de Heer’ (2 Kor. 3:18). We komen tot de kennis van God door het gezicht van Jezus. We worden gewonnen voor het evangelie doordat Jezus als de gekruisigde ons voor ogen wordt geschilderd. Dat fascinerende, aantrekkende, heeft alles te maken met de heerlijkheid, de glorie waar Johannes over sprak.

‘Gestalte’ duidt op vorm en uitstraling. God is geen passief voorwerp van ons denken en voelen. Hij is zichzelf en Hij openbaart zichzelf in déze gestalte, die resistent is tegen de overmeestering ervan in een idee. Je kunt de historische Jezus niet oplossen of weg verklaren. Je kunt Hem wel aan een kruis slaan, en juist dan blijkt Hij nog veel meer gestalte te zijn. De gestalte van de Heer werkt, handelt, spreekt, zwijgt, straalt, verlicht, boezemt vrees in en fascineert.

Ontmythologisering
Een dominante tendens in de moderne exegese en hermeneutiek, die vooral door Rudolf Bultmann is nagestreefd, is die van de ontmythologisering. Volgens Bultmann moet de Bijbel gezuiverd worden van de mythische bestanddelen, waarin over God en de hemel in al te aardse verhalen en gestalten wordt verteld. Wonderen en wonderlijke ingrepen van God in deze wereld, alsmede voorstellingen waarin het hemelse al te gemengd met het aardse is, zouden de moderne hoorder, die daar niets mee heeft, in de weg staan de boodschap van het evangelie te horen. Bultmann meende daarmee recht te doen aan de tendens van de Bijbel en vooral aan het evangelie zelf, en hij meende vooral dat de moderne mens hiermee geholpen is. Het evangelie werd bij hem appèl aan de mens, die hem tot een beslissing moest brengen zich te openen voor wat hem of haar wordt geschonken. Hoezeer Bultmann ook een eigen ‘bevindelijke’ taal vond (in aansluiting bij Heidegger) kan toch niet ontkend worden dat het evangelie zo opgezogen werd in de existentie.

Heel anders ging C.S. Lewis te werk. Hij beweerde in een beroemd geworden artikel (waarin hij schatplichtig was aan Tolkien) dat in het evangelie de mythe tot haar bestemming is gekomen. ‘Mythe werd feit’ (Myth became Fact), een vleesgeworden mythe die niet alleen ‘onze liefde en gehoorzaamheid vraagt, maar ook onze verwondering en verrukking, en die niet minder de wilde, het kind en de dichter in ons als de moralist, geleerde en filosoof aanspreekt’. God is een mytho-poëet in de schepping van deze wereld en op een veel diepere manier in de vleeswording van het Woord. Lewis wist dat de ‘verbeeldende omarming’ die met de mythe is gegeven, op een intense wijze terugkomt in het evangelie. Zijn vriend Tolkien heeft daaraan de inspiratie ontleend het evangelie weer in een mythische, verhalende vorm onder te dompelen. In Lord of the Rings krijgt het evangelie van Jezus Christus weer mythische proporties. Ik denk dat dit meer heeft betekend voor de ‘moderne mens’ dan het programma van ontmythologisering van Bultmann c.s.

Protestantisme
Nu kleven er genoeg bezwaren aan de mythen. De strijd in het Oude Testament tegen de afgoden kan ook niet als afgedaan worden beschouwd. Dat God mens is geworden, betekent niet dat het beeldverbod van het Oude Testament achterhaald is. Er zit nu eenmaal een gevaarlijke drang in ons mensen het goddelijke uit deze wereld te trekken of over de gestalte van God regie te houden. Binnen de christenheid is het vooral het protestantisme waarin dit gevaar wordt onderkend en waarin het beeldverbod min of meer gehandhaafd is gebleven. Het protestantisme heeft daarbij overigens geen afstand genomen van ‘Jezus in het vlees’, maar heeft benadrukt dat deze gestalte door de Geest geregisseerd wordt. God gaat over zijn eigen gestalte en ‘breekt’ deze. Alleen zo kan deze werken. Het geëigende orgaan hiervoor is het oor. Dat is het meest geestelijke zintuig, dat het minst gevaar loopt een greep te doen naar God. Dat alles heeft een eigen stijl – of beter gezegd: stijlen – geschapen, die elk ook een eigen schoonheid bezaten. Zolang deze stijlen vormen waren van de gestalte van de Heer, hoe gebroken ook in het woord, kan nog steeds gezegd worden dat het oog er wel wat bekaaid afkomt, maar met de ogen dicht wordt toch veel gezien en vooral gehoord.Wil het protestantisme niet te veel wegverklaren?

Het protestantisme is een geestelijke religie, waarin Bijbel en prediking cruciaal zijn. Tegelijk heeft zeker het mainstreamprotestantisme het in onze tijd moeilijk. Is het niet te elitair? Te zeer verbonden met een burgerlijke leescultuur? En serieuzer: staat het protestantisme niet erg bloot aan de zuigkracht om ‘weg te verklaren’? De uitgesproken wil trouw aan de Bijbel te zijn, staat buiten kijf, een trouw die er ook is ten opzichte van het kerkelijk belijden. Toch neemt dit niet weg dat er een permanent ‘substantieverlies’ dreigt. Woorden blijven dan alleen maar woorden. Een overvloed van woorden kan een teken zijn van dit substantieverlies. Het kan ook zijn dat Jezus een chiffre (van medemenselijkheid, radicaliteit, rechtvaardigheid enzovoorts) wordt. Daarmee ontstaat een vacuüm, waarin de gestalte is verdwenen. God moet het dan te veel hebben van de laatste hermeneutische slag die naar Hem geslagen wordt.

Werkelijke tegenwoordigheid
Dit substantieverlies vraagt om een nieuwe aandacht voor de gestalte van God in deze wereld, voor de luister en uitstraling die deze heeft. Deze roept ontzag op en vrees, maar ook fascinatie en verrukking. Jezus is opgevaren naar de hemel, en Hij heeft tegen Maria van Magdala gezegd: ‘Houd me niet vast.’ Jezus is de hemelse Heer die handelt vanuit de plaats van glorie aan Gods rechterhand. Dat betekent echter niet dat Jezus is ‘opgeheven’. Hij is bij ons als de gekruisigde. Hij straalt door in de verkondiging. Hij is ook sacramenteel aanwezig. Er is een werkelijke tegenwoordigheid van Christus in brood en wijn en in het water van de doop. Hij is ook aanwezig in hout en steen. Het kerkgebouw staat in dienst van de gestaltevorming van het Woord. Het is niet voor niets dat het kerkgebouw missionair van betekenis is. Misschien is het oog daarbij toch noodzakelijker dan gemeend. Juist in een tijd waarin het oog wordt gebombardeerd door een stortvloed van beelden, gaat het erom dat het oog gevoed wordt met wat van God en wat van Christus is.

Nu is het belangrijk, als het gaat om de reële aanwezigheid van Christus, tot een geestelijk horen en zien te komen. Om een oor te krijgen voor de waarheid, goedheid én schoonheid van het Woord. Om oog te krijgen voor de waarheid, goedheid en schoonheid van de Heer. Dat vraagt contemplatie, stilte. Het vraagt praktijken die helpen het oor te scherpen en het oog te zuiveren. Er zijn oude praktijken die nog steeds helpen, en nieuwe praktijken die de Geest zelf ons aanreikt. De belangrijkste praktijk is natuurlijk de liturgie, waar ik in de eerste aflevering van deze serie over heb gesproken. Daaromheen groeperen zich andere, die regulier of incidenteel worden beoefend. Het is hier niet de plaats om deze nader te beschrijven. Praktijken veronderstellen een werkelijkheid die zich meedeelt. Schoonheid en gestalte zijn verbonden met een uitstralende aanwezigheid die van God komt. God is licht dat uitstraalt. Door de vleeswording van het Woord in Jezus Christus straalt God in deze wereld.Het kruis is niet mooi, het is verschrikkelijk

Nu lijkt het wellicht zo dat met het appèl op schoonheid een vorm van estheticisme wordt nagestreefd. Alsof het om mooie vormen zou gaan. Alsof hiermee een pleidooi wordt gevoerd voor meer ‘kunst in de kerk’. Daarmee zou het evangelie uitgeleverd worden aan de schoonheidsidealen van de tijd. Dat is niet de bedoeling. Het evangelie brengt zijn eigen schoonheid met zich mee. Het kruis is niet mooi, het is verschrikkelijk. Dat Jezus verschijnt als de gekruisigde is het einde van elk schoonheidsideaal, waarbij wij via een esthetische ervaring de trap naar de hemelse werkelijkheid zouden beklimmen. Het is het einde van alle idealen, van alle wijsheid, van alle menselijke concepten van goedheid en schoonheid. Daarvoor in de plaats komt een andere wijsheid, een andere goedheid en een andere schoonheid. Die staat bij tijden haaks op alles wat ‘van beneden’ komt. En toch is er sprake van waarheid, goedheid en schoonheid. God trekt ons door Jezus aan, juist waar Hij haaks staat op onze inspiratie en onze ervaring. Er is een wonderlijke schoonheid in het kruis. Het is een schoonheid die ons bekeert en ons opent voor God. Het is echter onmisbaar om het woord schoonheid hier te gebruiken. Dit is de gestalte die God heeft aangenomen, en in deze gestalte licht de liefde op. Het is deze gestalte die liefelijk is, die van ons liefde vraagt en met onze liefde onze vrees, onze bewondering, onze verrukking en onze vreugde.

Daarbij is het goed te bedenken dat schoonheid hier nauw verbonden is met waarheid en goedheid. Estheticisme maakt schoonheid juist los van waarheid en goedheid, het loopt uit op l’art pour l’art. Het is de schoonheid van de waarheid en de goedheid waar het in het evangelie om gaat. De waarheid en de goedheid hebben hun eigen schoonheid.

Een kroongetuige van die schoonheid is boek Hooglied. Het is het boek van de fascinatie voor de gestalte en de uitstraling die deze gestalte heeft. Het is de getuige van de liefde, waar verlangen, verrukking, afstand en nabijheid, afstoting en aantrekking tot hun recht komen. Dat boek heeft een grammatica geleverd voor de liefdesrelatie van Christus en de kerk. De teloorgang van deze grammatica heeft het geloof geen goed gedaan. Waar de fascinatie verdwijnt, de verrukking in de ban wordt gedaan, de verbeelding onder curatele wordt gesteld, blijft een voorwerp over waar niets meer van uitgaat, en dat alleen nog object is van ons verstand of onze wil.

Eigen eenzijdigheden
Het is dan ook niet vreemd dat de gestalte van de Heer, juist als gekruisigde, mee is gegaan in de traditie van de kerk. Dat gebeurt inderdaad door het oor, dat het evangelie hoort van Jezus die is gekruisigd en opgestaan. Maar ook door het oog. In de traditie van de oosterse orthodoxie is het icoon daar de belichaming van. In die van de rooms-katholieke kerk het crucifix. Het ‘gestalteloze’ protestantisme hoeft zich voor haar stijl niet te schamen. De taal doet voluit mee in de uitstraling die de Heer heeft. Een geconcentreerde vorm daarvan is het lied. Dat is nergens tot groter bloei gekomen dan juist in het protestantisme. Het ‘betere’ lied is ontloken aan de substantie van de gestalte van de Heer zelf. Tegelijk misstaat het de protestantse traditie niet om een besef te hebben van eigen eenzijdigheden, die tot het eerdergenoemde substantieverlies kunnen leiden.

Schoonheid meldt zichzelf. De uitstraling van de gestalte van God in deze wereld gaat van God zelf uit. Christus manifesteert zich de tijden door en Hij zal verschijnen op de wolken aan het einde van de tijden. Dan zal de gestalte oplichten in zijn volle luister. Tot die tijd mag kerk en theologie aan dit alles dienstbaar zijn.

Dr. A.J. Plaisier is emeritus-predikant in de Protestantse Kerk.