Een verhaal over twee huizen
Bonhoeffers plaatst in Gemeenschapsleven de christelijke gemeenschap diametraal tegenover het idee van de ‘Volksgemeinschaft’. De vragen die Bonhoeffer stelt hebben vandaag nog nauwelijks aan actualiteit ingeboet.
Je zou kunnen zeggen dat Bonhoeffers boek Gemeenschapsleven[1] een verhaal is over twee huizen. Ten eerste het huis dat hij beschrijft: Finkenwalde, waar hij met een aantal studenten gedurende enkele jaren in een kloosterachtige gemeenschap had samengeleefd en ten tweede het huis waar hij het schrijft: de woning van zijn zus Sabine in Göttingen.
Eerst over dat laatstgenoemde huis. Als Bonhoeffer zijn boek schrijft, is het kort ervoor verlaten door de bewoners, omdat zij hadden moeten vluchten voor antisemitisme in Nazi-Duitsland. Bonhoeffers zwager Gerhard Leibholz was een vooraanstaand jurist, werkzaam aan de universiteit van Göttingen. Hij was Jood en in de loop van 1938 was steeds duidelijker geworden dat het onder de regering van Hitler op de langere termijn niet veilig was voor Joden in Duitsland. Vanaf het begin van de machtsovername door Hitler in 1933 waren er al antisemitische acties in gang gezet door het regime. De pesterijen, het geweld en de uitsluiting van Joden uit samenleving en kerk werden steeds duidelijker – de Kristallnacht van 9 november 1938, precies twee maanden na de vlucht van de familie Leibholz, kwam niet uit de lucht vallen. Dietrich Bonhoeffer heeft zijn zus met haar gezin op 8 september 1938 naar de Duits-Zwitserse grens begeleid en is teruggekeerd naar het nu leegstaande huis in Göttingen. Voor een goed begrip van Gemeinsames Leben is het van belang om deze dingen te bedenken. Bonhoeffer schrijft over de gemeenschap der heiligen, over het leven samen – in het huis van zijn zus die met haar man en kinderen uit de gemeenschap van het Duitse volk is verstoten. Zijn beschrijving van de gemeenschap rond Jezus Christus staat diametraal tegenover het in het Derde Rijk heersende narratief van de ‘Volksgemeinschaft’. Dát verhaal was een agressief en buitensluitend narratief. De gemeenschap waarover Bonhoeffer spreekt is gegrond in die Ene die bij uitstek slachtoffer geworden is van agressie en buitensluiten (denk aan de openingszinnen van Gemeinsames Leben over Jezus die geleefd heeft te midden van zijn vijanden) en in wiens dood en opstanding de Drie-enige God een nieuwe gemeenschap heeft gesticht.
In dit lege huis schreef Bonhoeffer in een aantal weken zijn boek. Weken waarin internationaal de spanningen hoog opliepen, denk aan de Sudetencrisis en het zogenaamde ‘Münchener Abkommen’ waar Frankrijk, Engeland en Italië buiten Tsjecho-Slowakije om besloten toe te geven aan de territoriale claims van Hitler. Ook binnen de Belijdende kerk liepen in deze dagen de spanningen hoog op – niet alleen vanwege het ongemak over de brief die Karl Barth aan Hromádka gestuurd had, waarin hij diens Praagse collega verzekerd had dat soldaten die voor een vrij Tsjecho-Slowakije zouden vechten daarmee ook voor de kerk van Jezus Christus zouden strijden.
Theologische kracht
Bonhoeffer gebruikte dit boek om iets vast te leggen van de gang van zaken in dat andere huis: het Bruderhaus in Finkenwalde waar hij enkele jaren met een aantal jonge theologen het leven gedeeld had, maar dat op last van de Gestapo gesloten was. In een dergelijk seminar kregen de kandidaten vorming met het oog op de praktijk van het kerkelijk werk. Bonhoeffer bijvoorbeeld onderwees de studenten in de homiletiek, de catechetiek en zij gingen ook op stage in de omliggende gemeenten. De teksten die van zijn verschillende colleges bewaard gebleven zijn, zijn trefzeker en bovendien tot op de dag van vandaag vol theologische kracht – denk ook aan zijn boek Navolging dat in het kader van deze lessen is ontstaan. Er is binnen deze opleidingen belangrijk theologisch werk gedaan – het waren centra waar men zich onder de druk van de tijd teruggeworpen wist op de Schrift en de belijdenis. Men had geen tijd voor vage, vrijblijvende theologie.
Het doet ertoe om deze dingen te bedenken bij het lezen van dit boek: hoewel het bij een eerste, snelle lezing geenszins die schijn heeft, is het wel degelijk verzetsliteratuur al was het alleen al omdat hier zo’n ander verhaal klinkt over het fundament van de gemeenschap binnen de kerk van Christus: die ligt niet in een gedeelde geschiedenis of een gedeeld belang, een gedeelde taal of huidskleur, maar die ligt buiten onszelf (extra nos) in Christus die ons aanspreekt en inlijft in zijn lichaam en zo deel geeft aan de verzoening. Het brengt ons direct ook bij de actualiteit van de gedachten die Bonhoeffer hier ontwikkelt: we staan in ons land en in ons werelddeel ook voor grote vragen als het gaat over gemeenschap. Polarisatie is aan de orde van de dag. De kerk is de enige gemeenschap in deze wereld die niet buitensluit en niet buiten màg sluiten, omdat haar fundament niet ligt in iets van onszelf, maar in wat ons van buitenaf gewordt. Overbodig te zeggen dat voor de kerken vandaag hier veel te leren valt.
Vorming vraagt een leefgemeenschap
Bonhoeffer werd door de Bruderrat van de Belijdende kerk in 1934 gevraagd om directeur te worden van één van de op te richten Predigerseminare. Bonhoeffer zegde toe en nam de tijd om zich grondig voor te bereiden op de vorm die hij het onderwijs wilde geven. Met de academische wereld had hij in toenemende mate moeite en voor hem was steeds duidelijker geworden dat de vorming van aanstaande predikanten diende plaats te vinden in een leefgemeenschap. Juist theologisch onderwijs vraagt naar Bonhoeffers mening deze vorm, waarin de studenten met de docent samen een geestelijke discipline volgen, waarbij de dagelijkse lezing in de Schrift en het gebed de maat aangeeft. Hij ziet in zijn tijd – we schrijven 1936! – dat de studenten ‘leeg en volledig opgebrand’ binnenkomen en dat hun kennis van de theologie, maar ook van de Schrift beperkt is. Ongetwijfeld hebben de ingrijpende en belastende ontwikkelingen van de kerkstrijd in Duitsland daarmee te maken – ik vraag me af wat zijn oordeel zou zijn over ons vandaag.Het Constantijnse tijdperk is definitief ten einde
De terugtrekkende beweging in de leefgemeenschap betekent niet een prijsgeven van de wereld om zelf de veiligheid van een splendid isolation op te zoeken, maar dient juist de voorbereiding om ín die wereld te dienen met het Evangelie. Bonhoeffer ziet hoe Europa vol staat met kerken, maar beseft dat het Constantijnse tijdperk definitief ten einde is – later in zijn gevangenisbrieven wordt dat een groot thema. Hij beseft dat de kerk in het verleden genoegen genomen heeft met een minimale mate van toewijding van de leden. Voor de toekomst zal het anders moeten. Nu de wereld openlijk vijandig tegenover de kerk staat, dient de kerk te beseffen dat de wereld niet gekerstend is en dat Jezus zelf geleefd heeft te midden van zijn vijanden.
De concrete ander
‘Die Unsichtbarkeit macht uns kaputt’, zo schrijft Bonhoeffer in 1931 aan een vriend in verband met zijn werk als studentenpredikant aan de Technische Hochschule van Berlijn. Waar wordt het Evangelie van Jezus Christus nou zichtbaar, hoe kan hij erover spreken met de jonge mensen die hij ontmoet? Het is een vraag die voortdurend speelt in zijn werk: wat zeggen we, waar wordt zichtbaar wat we geloven?
De kerk is in dit verband voor hem een belangrijk gegeven. In de broeder en de zuster wordt het heil concreet zichtbaar en tastbaar. De concrete ander die mij tegemoetkomt en het woord van Christus tot mij spreekt is mij door de Levende Heer gegeven. Bonhoeffer zegt er dit over:
Maar 'broeder' is de een voor de ander alleen door Jezus Christus. Ik ben de ander een broeder door datgene, wat Jezus Christus voor en aan mij gedaan heeft, en de ander is mij tot broeder geworden door wat Christus voor en aan hém gedaan heeft. Dat wij alleen broeders zijn door Jezus Christus is een feit van enorme betekenis. Zo is niet de ernstige, naar broederschap verlangende, vrome mens die mij tegemoetkomt, de broeder met wie ik in deze gemeenschap te doen krijg. Nee, broeder is de door Jezus Christus verloste mens, die van zijn zonden vrijgesproken is en tot geloof en het eeuwige leven geroepen is. Wat iemand als christen in zichzelf ook mag zijn, in alle innigheid en vroomheid, kan geen grondslag zijn van onze gemeenschap. Alleen wat iemand van Christus uit is, bepaalt onze broederschap. Onze gemeenschap bestaat alleen in datgene, wat Christus aan ons beiden gedaan heeft. Dat geldt niet alleen voor het begin, zodat in de loop van de tijd onze gemeenschap nog kan worden aangevuld, maar het blijft zo voor de toekomst en tot in alle eeuwigheid. (17)
Het is duidelijk dat Bonhoeffer de vraag of wij de verbondenheid, de gemeenschap ervaren een vraag van de tweede orde vindt. Wij zijn niet elkaars zusters en broeders omdat wij elkaar gevonden hebben, allerlei verwantschap vaststellen en ons bij elkaar op ons gemak voelen, maar enkel omdat we door Christus worden samengebracht.
Dit doet denken aan het bekende woord van Leslie Newbigin over de gemeente als hermeneutiek van het Evangelie. Als ik hem goed begrijp, bedoelt hij dat met name in de richting van mensen die het Evangelie niet kennen. Bonhoeffer legt uit dat de gemeenschap deze functie ook naar binnen toe heeft – én houdt. Het is een teken van Gods genadige omgang met ons als we deel mogen uitmaken van een gemeente: gevangenen, zieken, werkers op het zendingsveld zijn vaak alleen. Voor wie in de kerk kan zijn, is de lijfelijke aanwezigheid van de ander een bron van ongekende vreugde. We zijn gegeven om elkaar het Evangelie te verkondigen en uit de mond van de ander klinkt de stem van Christus krachtiger dan in mijn eigen hart. Dat is de dienst die christenen allereerst aan elkaar hebben te verrichten: elkaar Gods heilswoord verkondigen. In de stem die van de ander, van buiten klinkt wordt zo zichtbaar dat mijn heil van buiten komt. Dat zijn begrippen uit de rechtvaardigingsleer. Ik kom daar straks op terug.
Bonhoeffer wijst op de concreetheid: God komt ons nabij in de broeder en zuster. Hij weet intussen natuurlijk ook hoe achteloos velen met de kerk omgaan; hij is zelf opgegroeid in een gezin waar kerkgang geen rol van betekenis had. Bonhoeffer stelt christenen die zoeken naar ervaringen van God de kritische vraag of ze dit geschenk van God eigenlijk wel op waarde schatten en of ze beseffen wat ze doen als ze aan de concrete gemeenschap voorbijgaan om zich vervolgens te beklagen dat hun geestelijk leven arm is. We hinderen God ons zijn grote gaven te geven als we Hem voor de dagelijkse gaven van de christelijke gemeenschap niet danken. We bidden dan wellicht vroom (bij Bonhoeffer heeft dat woord zelden een positieve klank) voor sterk geloof en rijke ervaring, maar miskennen het dagelijkse geschenk dat Hij ons geeft.
Rechtvaardiging schept de gemeenschap
Ik noemde al de leer van de rechtvaardiging. Voor Bonhoeffer vormt die leer het fundament van de gemeenschap: ‘slechts uit de bijbelse en reformatorische boodschap van de rechtvaardiging van de mens uit genade alleen, ontspringt de gemeenschap van de christenen, en het verlangen van de christenen naar elkaar vindt alleen daarin zijn grond. Dat is op zijn minst een opvallende bewering. Kritiek op het protestantisme luidt geregeld dat de leer van de kerk de zwakke plek is – de concentratie op de rechtvaardigingsleer, met nadruk op de rechtvaardiging van de zondaar, zou de echte ruimte voor de kerk in het denken van de reformatoren naar het tweede plan hebben gedrukt. Bonhoeffer zet de redenering op zijn kop: juist deze leer schept de christelijke gemeenschap en dus de kerk. Wat bedoelt hij precies?
Als Bonhoeffer spreekt over de rechtvaardigingsleer, bedoelt hij een forensische rechtvaardigingsleer: het heil is een toegerekend heil. Het ligt vast in het oordeel dat van buiten klinkt: de Christus in mijn eigen hart is zwakker dan de Christus in het Woord van de broeder. Die ander die mij gegeven wordt door de levende Christus en die mij diens woord doet horen maakt zichtbaar dat het heil niet opkomt in mijn hart, maar dat het geschonken wordt. Ik kan mezelf het Evangelie niet zeggen.
Door het zo te zeggen benadrukt Bonhoeffer van meet af aan dat de gemeente van Jezus Christus een gemeenschap van zondaren is. In het laatste hoofdstuk – Biecht en avondmaal – zegt hij het zo:
Het kan voorkomen dat christenen, ondanks hun gemeenschappelijke morgen- en avondwijdingen, hun gemeenschappelijk gebed en ondanks alle gemeenschap in de dienst, alleen blijven en dat de laatste doorbraak naar de gemeenschap niet plaatsvindt, omdat zij weliswaar als gelovigen, als vromen, gemeenschap met elkaar hebben, maar niet als de on-vromen, als de zondaren. De vrome gemeenschap staat het immers niemand toe om zondaar te zijn. Daarom moet ieder zijn zonde voor zichzelf en voor de gemeenschap verbergen. Wij durven geen zondaren te zijn. De ontsteltenis bij vele christenen zou ontzettend zijn, als plotseling een echte zondaar onder de vromen terecht zou komen. (91)
Opnieuw klinkt het woord ‘vroom’ in een negatieve zin. Het staat voor Bonhoeffer voor werkgerechtigheid en zelfrechtvaardiging. En dat is dodelijk voor de gemeenschap zoals Jezus Christus die gesticht heeft in zijn dood en opstanding. In de gemeente kan ik alleen maar zijn als ik mezelf ken als de grootste van de zondaren. Zodra ik meen dat het met mijn schuld meevalt ten opzichte van die van mijn broeder of zuster, ga ik de weg van de zelfrechtvaardiging op en stel ik me op als rechter over de ander, terwijl toch Christus dat is. Bovendien: waar ik zo redeneer, laat ik zien dat ik mijn eigen zonde helemaal niet ken.
De gemeente van Christus moet het aandurven om precies dát te zijn: een communio peccatorum (gemeenschap van zondaren), waarin ik altijd besef dat onder die peccatores (zondaren) ik de grootste ben. Voor de zonde van mijn zuster of broeder kan ik nog wel verzachtende omstandigheden aanvoeren – voor die van mijzelf niet. Dit kan zichtbaar worden in de onderlinge biecht die vooraf heeft te gaan aan de viering van het avondmaal. Bonhoeffer denkt hierbij aan gesprekken in tweetallen, niet publiek. Zonde wil met de zondaar alleen zijn, zij werkt eenzaamheid in de hand en de duivel maakt daarvan graag gebruik – daarom is aan de christelijke gemeente de onderlinge biecht gegeven, want de uitgesproken, beleden zonde is van z’n macht beroofd – de gemeenschap draagt nu de zonde van de broeder. In de biecht wordt een mens bevrijd uit de eenzaamheid van zijn schuld. Een ander heeft het gehoord en heeft de genade verkondigd. Christus heeft door diens mond gesproken.
De levende Christus
De twee vorige punten hebben rechtstreekse gevolgen voor het leven in de gemeenschap. Als de levende Christus mensen samenbrengt en als het geheim van die gemeenschap de vergeving van de zonden is, dan stempelt dat de onderlinge, dagelijkse omgang. Om te beginnen is er de heel eenvoudige regel die in Finkenwalde gold: over een ander spreken we niet in diens afwezigheid. Daar hoeft verder geen uitleg bij. Maar het is een mooie aanleiding om op een ander woord te wijzen. Er is namelijk één uitzondering op de regel: met Christus mag ik wel over de ander spreken. Heel nuchter en gelovig zegt Bonhoeffer dat het goed is meer met Christus over de broeder te spreken dan met de broeder over Christus. In mijn gebed mag ik de ander noemen – en wie dat doet, zal anders spreken dan wanneer we zomaar spreken.
Maar het gaat verder dan dat. Het betekent dat ik in de gemeenschap van christenen ontvanger ben en ook altijd blijf. Ik heb binnen die gemeenschap mijn plaats in te nemen als dankbaar lid, niet als rechter. Met name predikanten, zo weet Bonhoeffer, kunnen klagen over hun gemeente. Maar waar gaat hun klacht dan over? Meten ze de gemeente dan niet vaak aan hun eigen ideaal van een vrome gemeenschap? God háát onze dromerij, zo zegt Bonhoeffer scherp. Want wanneer wij onze idealen opleggen aan de gemeenschap, treden we als eisers, als rechters binnen in de gemeenschap op en doen we alsof wij de christelijke gemeenschap hebben te scheppen. Maar zij wordt gegeven.
Zou het vandaag heel anders zijn?
Wat levert dit alles op? Bonhoeffers spreken over de broeder en de zuster legt veel nadruk op wat de ander belichaamt als geschenk van Christus. Die ander is alleen al door er te zijn een gave die de Levende aan mij geeft en zo heb ik met haar of hem om te gaan. Daarom is het belangrijk te denken vanuit de rechtvaardigingsleer. Niet omdat wij ervoor kiezen daar te beginnen in ons denken over de kerk – en ook wel een andere keuze hadden kunnen maken, maar omdat precies dat het moment is waar de gemeente van Christus ontstaat: waar Hij zondaren samenbrengt, die niet kunnen leven van hun eigen werken, maar alleen van wat hun geschonken wordt. Wat zou het krachtig zijn als de kerk niet pocht dat ze een warme gemeenschap is, waar ieder welkom is en meer van dat soort taal, maar waar eerlijk gezegd wordt: wij zijn een groep mensen die ontmaskerd zijn, graag de maskers weer opzetten – maar weten van het genadige spreken van Christus en daarom eerlijk proberen te zijn.
Daarom zou ik de biecht willen heroverwegen. Schuld en schaamte zijn vandaag de dag overal. In hoofdstuk 13 van Prachtige wereld, waar ben je van Sally Rooney gaan Felix en Alice bij elkaar te biecht. Ze delen over en weer schuld die ze meedragen, maar nergens in hun gesprek klinkt een woord van echte bevrijding. Simon is in datzelfde boek de meest gebalanceerde van de vier hoofdpersonen – en van hem zegt iemand op zeker moment: ‘Hij gaat te biecht.’ Zij vindt dat maar een vreemde gewoonte, maar intussen is het wel opvallend dat hij zeer serieus de kerk bezoekt en daar de oude woorden over schuld bewust mee zegt. Rooney lijkt daarmee de vraag aan de orde te stellen of we vandaag nog weten van een bevrijdende omgang met het duister dat we hebben aangericht en of de weg waar de kerk van weet – of zou moeten weten – misschien heroverweging verdient.
Bonhoeffer ontwerpt zijn gemeenschap met het oog op het theologisch onderwijs. Aan Karl Barth schrijft hij over de noodzaak: jonge theologen zijn leeg als ze aankomen. Dat is nu bijna honderd jaar geleden. Zou het vandaag heel anders zijn? Het gevaar van romantiek bestaat, dat besef ik. Maar wat is het belangrijk als de kerk weer ontdekt wat het delen van het leven betekent, hoezeer daaraan behoefte kan zijn in een samenleving waarin eenzaamheid een toenemend probleem is. Hoevelen zijn vandaag niet leeg?
Ik begon bij twee huizen en de tijd waarin Bonhoeffer zijn boek schrijft. We zoeken vandaag wanhopig naar hoe een samenleving ‘werkt’. Schrijvend in het huis dat zijn tweelingzus moest ontvluchten, heeft Bonhoeffer een aantal diepe lijnen getrokken, die ons vandaag genoeg te denken geven.
Dr. C.C. den Hertog is universitair hoofddocent publieke theologie en ethiek aan de TUA.
- Oorspronkelijke titel: Gemeinsames Leben. Recent in vertaling verschenen onder de titel Gemeenschapsleven, KokBoekencentrum, 2025.