Matzeballen, incarnatie en de Allerhande

Lichamelijke symbolen en de belichaming van God

Mijn vrouw liet me onlangs op YouTube een video zien van Nanny, een keurige Joodse dame die matzeballen draait voor in de kippensoep die met Pesach wordt gegeten.[1] Als de ballen de soep in gaan, legt ze uit hoe bijzonder de pan is waar die soep in wordt bereid. Het is, samen met wat fotoalbums, het enige overblijfsel van het leven dat ze met haar ouders had voor de oorlog; een oorlog waarvan haar ouders niet terugkeerden. ‘Heilig is een raar woord hiervoor,’ zegt ze over de pan. Maar het is toch zoiets. En hoewel wij het misschien ook een raar woord vinden, begrijpen we precies wat Nanny bedoelt.

De pan van Nanny is een lichamelijk symbool: een object dat datgene wat het representeert als het ware tastbaar aanwezig stelt.[2] De Westerse moderniteit heeft het aartsmoeilijk om dat soort symbolen te begrijpen. Ze trekt namelijk een harde lijn tussen vorm en stof, tussen materie en betekenis. Symbolen zijn dan louter tekens die berusten op gemeenschappelijke afspraken, zoals verkeersborden. Het zijn betekenissen die ook los verkrijgbaar zijn van de materie waarin ze worden uitgedrukt. Het maakt niet uit waar verkeersbord B01 van gemaakt is, de betekenis van een oranje ruit met een dikke witte rand is altijd duidelijk: u rijdt op een voorrangsweg.

Bij lichamelijke symbolen werkt dat eigenlijk precies omgekeerd. Je kan er niet aan zien wat ze betekenisvol maakt. Aan de groen-geëmailleerde pan van Nanny valt niets af te lezen dat zijn bijzondere waarde verklaart. Die ontleent hij enkel aan zijn geschiedenis: het is dezelfde pan die Nanny’s moeder gebruikte bij Pesach, die zij aanraakte. Hij draagt die aanraking als het ware met zich mee, zodat hij haar, en de hele vooroorlogse wereld, tastbaar aanwezig stelt.

De intellectuele moeilijkheid toont zich in de clausule ‘als het ware’, die ik nu al twee keer – bijna tegen mijn zin – heb moeten bezigen. We weten heel goed: in de materie van de pan is niets aanwezig dat de bijzondere betekenis rechtvaardigt die hij heeft voor Nanny. Er ís geen materiële overdracht van eigenschappen van vroeger naar nu. Maar toch is de pan ook niet zomaar een aanleiding om het verleden te herinneren. Als het enkel dat was, zou een andere groene emaillen pan van hetzelfde model evengoed voldoen. En dat is nu juist niet zo. Wat de pan bijzonder maakt, is dat hij niet enkel een gelegenheid is om je iets te herinneren, maar dat hij het verleden zelf aanwezig stelt.

Het zit diep in de Westerse moderniteit en toch ook wel in het Protestantisme, om het belang van lichamelijke symbolen te miskennen. Op zijn best is gevoeligheid voor dit soort symbolen een vorm van menselijke zwakheid, maar als het over religieuze objecten gaat – relikwieën bijvoorbeeld – is het verwijt van afgoderij nooit veraf. Ik denk dat dit een vergissing is, die geen recht doet aan het centrale geloofspunt van het christendom: dat God zelf lichaam is geworden. Christus is, zonder oneerbiedig te willen zijn, het lichamelijk symbool bij uitstek.

Bijgevolg is de betekenis van Christus niet los verkrijgbaar van zijn lichaam. Die overtuiging uit zich in de christelijke traditie op allerlei manieren. Bijvoorbeeld in de leer over Maria als moeder van God – theotokos, degene die God heeft gebaard. God heeft zich niet naar de aarde geteleporteerd, maar is geboren uit een vrouw. Je ziet het ook in de orthodoxe en katholieke opvatting van de apostolische successie. Het apostolisch ambt is een betekenis die niet los verkrijgbaar is van de lichamelijke verbondenheid – door handoplegging – met de apostelen zelf, en door hen met Jezus. Dat wil zeggen: met God zelf.

Ook bij de sacramenten staat de structuur van het lichamelijk symbool centraal. Zoals de betekenis van een gedicht niet restloos kan worden losgemaakt uit zijn talige vorm en klank, zo is de betekenis van doop en eucharistie niet los verkrijgbaar van hun rituele en materiële vorm. Dit komt het duidelijkst naar voren in de oude katholieke opvatting dat het sacrament zelf werkzaam is, los van de kwaliteit van de bedienaar.

In de eucharistie worden brood en wijn het lichaam van Christus. Zoals de pan van Nanny niet enkel een aanleiding is om het verleden te herinneren, maar het verleden zelf aanwezig stelt, zo is Christus zelf aanwezig in brood en wijn, maar dan op uitnemender wijze. Dat betekent niet dat het brood en de wijn fysisch veranderen (net zomin als de pan van Nanny dat doet). Het is een veelgemaakte vergissing dat katholieken geloven dat er iets materieels verandert aan de hostie. Dat is niet zo. Katholieken geloven dat een geconsacreerde hostie er onder de microscoop precies hetzelfde uitziet als een niet-geconsacreerde hostie.Ook Jezus had er onder de microscoop precies hetzelfde uitgezien

En toch is hij wezenlijk veranderd. Want wat iets is, is niet hetzelfde als waarvan het is gemaakt. In een van de Narnia-verhalen van C.S. Lewis ontmoeten Lucy, Edmund en Eustace een ster, Radamandu. Eustace, die zelfs in de wondere wereld van Narnia zijn mechanisch wereldbeeld maar moeilijk kan loslaten, merkt op: ‘In our world, a star is a huge ball of flaming gas.’ Radamandu antwoordt hem: ‘Even in your world, my son, that is not what a star is but only what it is made of.’[3]

Opnieuw zonder oneerbiedig te willen zijn: ook Jezus had er onder de microscoop precies hetzelfde uitgezien als eender welk ander mens. Maar dat maakt zijn lichaam niet minder Gods lichaam.

Je kan al die katholieke eerbied voor het lichamelijke zien als een bijgelovige uitvergroting van een zondige menselijke neiging tot verafgoding van het schepsel. Historisch is dat de protestantse lijn geweest. Maar je zou het ook zo kunnen zien: in de incarnatie heiligt God zelf onze lichamelijkheid. Het is immers de schepper zelf die schepsel wordt. En misschien betekent dat het volgende: onze natuurlijke neiging om een bijzonder belang te hechten aan sommige objecten, puur omwille van hun lichamelijkheid, wordt door God in genade aangenomen – de pan van Nanny, de trouwring van onze overleden moeder, het heiligbeen van Franciscus van Assisi.

Tot slot, nog even over Nanny. De kippensoep met matzeballen die zij maakt voor Pesach is zelf een lichamelijk symbool. Het is een recept dat van moeder op dochter is doorgegeven. Dor wa’ dor, zoals ze het zelf zegt: van generatie, op generatie. Ook dat is incarnatie. Het lijkt misschien een vreemde associatie, maar het zegt iets over onze volksaard dat we in Nederland geen culinaire kersttradities hebben. Duitsers hebben honderd soorten kerstkoekjes, maar wij bakken enkel pepernoten voor Sinterklaas en oliebollen bij oudjaar. En als de Engelsen straks aan hun Christmaspudding zitten en de Zweden aan hun ham, kookt Nederland het kerstmenu uit de Allerhande. In dit land van koopmannen is het de nationale grootgrutter die ons voorziet van receptuur. Maar niet getreurd, ook al ontbreekt het ons aan belichaming, het heeft God aan belichaming niet ontbroken.

Dr. G.J. Zuijdwegt werkt als gastprofessor aan de faculteiten Theologie en religiewetenschappen en Rechtsgeleerdheid en criminologische wetenschappen van de KU Leuven.

  1. Joods Cultureel Kwartier, Lekker joods: een matzeballenrecept van Nanny ten Brink-de Lieme, https://www.youtube.com/watch?v=AWs0hAtB4qY
  2. Zie Arnold Burms en Geertjan Zuijdwegt, Verlangen naar het echte. Over lichamelijke symbolen en symbolische lichamen, Tijdschrift voor filosofie 84, no. 2, p. 141-161.
  3. C.S. Lewis, The Voyage of the Dawn Treader (HarperCollins, 2010), p. 189.