Weense Wals

In hoofdstuk X van Homo Ludens schrijft Johan Huizinga dat men van de dans in de volste zin van het woord kan zeggen dat hij zelf spel is en dat hij zelfs een van de zuiverste en volkomenste vormen van spelen uitmaakt. Hoewel het spel vaak met luchtigheid wordt geassocieerd, is het volgens Huizinga tegelijkertijd een ernstige bezigheid. Afgelopen zomer ben ik getrouwd in Oostenrijk waarbij wij een Weense wals als opening dansten. Na de voorbereiding op deze wals kan ik beamen dat de dans een spel is dat gepaard gaat met ernst. ‘Ieder spel kan de speler geheel in beslag nemen,’ schrijft Huizinga. En dat ondervond ik toen ik en mijn vrouw op dansles gingen om mijn danspassen bij te schaven.

Mijn vrouw kan goed dansen, maar de danslessen die ik ooit aan de Utrechtse gracht had gedaan bleken niet voldoende voor een goede openingsdans. Wij zochten daarom onze toevlucht tot Tanzschule Dörner, waar we drie privélessen boekten. We hadden de Walz in As-majeur van Johannes Brahms uitgezocht en op het lastige, wisselend ritme moesten we onze openingsdans oefenen.

Op de eerste avond merkte ik meteen hoezeer het spel van de dans de danser geheel in beslag neemt. Voor een wals is het belangrijk dat de man de leiding neemt en het ritme aangeeft. Ik moest dus dubbel zo hard werken. Thomas legde ons uit dat je je armen hoog in de lucht moet houden en met je linkerhand subtiel de richting aan dient te geven. Je kijkt omhoog en niet omlaag en tegelijkertijd moet je ook niet te ingespannen kijken. Na afloop veegde ik het zweet van mijn voorhoofd. We kregen de opdracht mee om de Walz van Brahms elke dag te luisteren en het ritme te internaliseren.

Tijdens de tweede les gingen de danspassen beter, maar het ritme was nog steeds niet in orde. Bovendien kwam er een horde bij, aangezien we van rechtsom Walz naar een linksom Walz wisselden. Op de derde les was Thomas eindelijk tevreden. Het ritme was nu eenmaal lastig maar hij zag vooruitgang.

Na een paar weken hard oefenen was het moment suprême daar. Na het diner en de Nederlandse stukjes – die in goede aarde vielen bij de Oostenrijkers – was het tijd voor de Walz. Op de openingsklanken van Brahms zetten we de Walz in en twee-en-halve minuut zwierden we over de dansvloer. De wissel ging soepel en het ritme kwam er goed uit. Applaus volgde en daarna sloten andere koppels aan.

Waar klassiek dansen onderdeel is van de Oostenrijkse volkscultuur, wordt klassiek dansen in Nederland nauwelijks bijgebracht. Dat zou weleens te verklaren kunnen zijn vanuit de calvinistische cultuur die Nederland heeft gevormd. De eenheid van lichaam en geest is door het calvinisme naar de achtergrond verdrongen. Het gnostische idee dat het lichaam van minder belang is en dat uitingen zoals dans daarom niet belangrijk zijn, domineert. Bovendien zou de dans niet passen in een ernstig leven. Een derde reden waarom het calvinisme niets met dansen heeft, is omdat het geen nut zou hebben. Dansen doe je echter niet omdat je er wat aan hebt. Het doel ligt in de handeling zelf. Ook daar heeft het calvinisme moeite mee. Er moet immers toch altijd een functie en een doel zijn?

Van Huizinga hebben we geleerd dat de dans zowel ernst als spel is en dat hij geen ander doel heeft dan het spelelement zelf. Aangezien de mens een speeltuig van God is, moet hij het leven spelend doorbrengen. Daarom mijn pleidooi: oefen de dans, ga naar een bal en ervaar de ernst van het spel.