Hooglied, boek van verlangen
Abstract
In de jaarserie over lichamelijkheid kan het meest lichamelijke boek uit de Bijbel niet ontbreken: het lied der liederen, Hooglied. In het Hooglied wordt het menselijk lichaam hartstochtelijk bezongen, bewonderd en begeerd. Tegelijk blijft de hartstocht van dit liefdeslied, zowel in taal als in betekenis, niet gevangen in het lichamelijke. In dit artikel pleit ik voor een geestelijke lezing van het Hooglied, als bron voor een spiritualiteit van het verlangen in onze tijd, en als tegenwicht tegen de lichaamscultus in onze cultuur.
Het is hoog tijd om het Hooglied weer geestelijk te lezen, zoals het de eeuwen door een onuitputtelijke bron van inspiratie is geweest voor mystici en theologen in de Joodse en christelijke tradities, die in dit liefdeslied de geheimen van de liefde van en voor God hebben gezocht en ontdekt. Het is in deze spirituele traditie dat de grote rabbijn Akiva (ca. 40-135 AD) in het debat over welke boeken tot de heilige schrift behoren zegt: ‘Alle schriften zijn heilig, maar het Hooglied is het Heilige der Heiligen.’ Weinigen zullen hem dat vandaag nog nazeggen. In de standaarduitleg van het Hooglied zijn de allerheiligste geheimen van de goddelijke liefde ingeruild voor de hartstocht van de menselijke eros. Naar gelang de overtuiging van de uitlegger gaat het over de liefde die binnen het huwelijk wordt gevierd, of juist vrij van knellende sociale banden en huwelijk wil worden beleefd.
In deze omslag komen veel ontwikkelingen van de moderne tijd samen. De letterlijke, historische betekenis van een tekst heeft de andere betekenissen verdrongen en dat geldt zeker in de bijbeluitleg. Het Hooglied moeten we als oud-oosterse liefdespoëzie dan ook lezen binnen de historische context, die van de menselijke liefde en bruiloften in het Midden-Oosten van het eerste millennium voor Christus. Met die hermeneutische bril op is het moeilijk om nog enige spirituele betekenis te ontwaren, zeker als die betekenis verbonden is met een allegorische uitleg die niet uit de tekst zelf opkomt.
Daarnaast verloor het wereldbeeld achter de geestelijke betekenis aan overtuigingskracht. Het gewone, alledaagse leven kwam steeds meer in het centrum van onze beleving te staan, terwijl de spirituele realiteit voorbij en achter het profane leven vervaagde. De Amerikaanse theoloog Andrew Root betoogt in zijn boek Mysticisms without God dat in de moderne tijd het alledaagse leven de plek werd voor nieuwe vormen van spiritualiteit. Daardoor zijn voor laatmoderne mensen onder andere romantische liefde en lichamelijke training een weg van spiritualiteit en transformatie geworden, zonder confrontatie met een andere geestelijke werkelijkheid van buiten ons alledaagse menselijke leven.
Dit artikel komt een jaar na publicatie beschikbaar. Neem een abonnement als je het hele artikel nu al wil lezen.