Jij bent de messias niet

Bijbelschets bij Numeri 11:29

Leiderschap kan zwaar vermoeiend worden. Zelfs hét voorbeeld van een sterke geestelijke leider, Mozes, de rots in de branding voor Israël, zit er op een gegeven moment helemaal doorheen. ‘Waarom moet ik altijd alles en iedereen maar dragen en verdragen, waarom moet ik als een moeder dit volk als een dreinende peuter voortdurend maar voeden, me op laten vreten door hun onverbeterlijke afhankelijkheid?’ Een vraag die sindsdien door veel mensen in verschillende voortrekkersrollen in allerlei toonaarden is herhaald.

Want ja, er valt altijd wel gemopper te horen, of te vermoeden. Midden in de woestijn is het niet anders. Het menu bevalt de mensen niet – en onder hun onvrede zit vast nog veel meer dan alleen een klacht over het eten. ‘Ze komen bij mij klagen,’ zegt Mozes tegen God. ‘Ze willen vlees.’

Eigenlijk valt dat helemaal niet zo expliciet te lezen, dat de mensen met hun wensen bij Mozes komen. Het lijkt er eerder op dat de algemene onvrede door hem op zijn klompen wordt aangevoeld. En hij interpreteert het als een vraag aan hemzelf. Dat tekent de ongezonde leef- en werksfeer: Mozes valt zozeer samen met de wensen van het volk, de wensen die hij vermoedt, dat hij niet meer vrij kan opereren tegenover de situatie. Sterker nog, alles wat hij op zijn beurt God voor de voeten gooit zegt meer over Mozes dan over God. Want dit heeft de HEER nooit van hem gevraagd: dat Mozes degene zou zijn die alles voor het volk oplost, die zich leeg laat zuigen, die zich vergelijkt met een moeder die draagt, baart, voedt, en dat altijd maar blijft doen. Eigenlijk gaat ook Mozes’ eigen klacht alle grenzen over. Fout Mozes, fout. Bespeuren we hier misschien een klein messiascomplexje?

Extatisch schouwspel
Maar hoezeer Mozes hier zelf misschien ook de fout in gaat – het wordt hem niet verweten. Geen ‘foei Mozes, dit mag niet, heb je het nou nog niet in de gaten, is dit nou vertrouwen?’ Hem wordt zelfs niet liefdevol de les gelezen, zijn dip wordt helemaal geaccepteerd: dit hoort erbij, bij zijn leiderschap, het is niet nodig het heel hard fout te noemen, het is alleen maar nodig het te erkennen en er iets tegenover te stellen.

Want dat is wat er vervolgens gebeurt. Er wordt iets tegenover Mozes’ gevoel van eenzaamheid gezet. Hij moet een lijst maken van zeventig opzichters – want die waren er wel degelijk, medeleiders. Sinds het advies van schoonvader Jethro in Exodus 18 was Mozes ook weer niet zó alleen. Maar het voelde anders. Mozes leek ze wel vergeten, het werk nam weer toe en van deze opzichters had hij voor zijn gevoel alleen maar extra werk.

Maar nu zullen zeventig van deze mensen ‘een deel van de geest die op jou rust ontvangen’. De Geest komt Mozes’ verzwakte ogen tegemoet. ‘Is je blik nog wel scherp?’ Met een zekerheid die Mozes nog niet eerder had waargenomen (en ook niet nog eens zou waarnemen) krijgt hij te zien wat er gebeurt als een deeltje van de geest (Geest) die hemzelf gedreven heeft – maar die niet zijn bezit is geworden – ook bij anderen aan de slag gaat. Ze beginnen te ‘profeteren’, die zeventig opzichters. Vermoedelijk een behoorlijk extatisch schouwspel. Voor Mozes even een heel duidelijk signaal. Hij kon het ermee doen. Op anderen, in anderen, door anderen, op andere plekken dan hij had verwacht is de Geest aan het werk – en die zekerheid dwingt hem blijmoedig tot een nieuwe openheid, om eenmaal uit de fuik van alleenigheid en onvrijheid weer op te letten. Toen hij niet oplette, kwam de gedachte op: ‘Als ik het niet oppak,’ of: ‘Als ik het niet oppak, gaat de dreigende ramp die we allemaal zien aankomen, ik in ieder geval wel, zich zeker voltrekken. Er moet worden ingegrepen en als niemand het doet, zal ik het moeten doen. Anders ontspoort het echt.’

Maar nee Mozes, kijk even wat beter om je heen. Jouw werk is fantastisch, belangrijk, het volk was hier zonder jou niet geweest, zet je vooral in want je bent zeer bruikbaar, maar denk niet dat het zonder jou niet zou doorgaan. Kijk om je heen, de Geest gaat heus zijn gang wel.

Niet in de geest van
Dat de Geest ook op andere plekken werkt dan je had verwacht kan intussen flink storend zijn. Er wordt verteld dat ene Eldad en ene Medad buiten de muren van de kerk schaamteloos staan te profeteren: ook zij zijn in extase geraakt toen de Geest hen aanraakte – het was zelfs maar een deeltje van de geest die Mozes dreef en pats!, ze zijn helemaal buiten zichzelf. Mozes kan daaruit wel afleiden hoe hoog de HEER zelf het werk van Mozes inschat.

Maar een jongen in het kamp, en Jozua, Mozes’ opvolger, worden er zenuwachtig van – ‘wat krijgen we nou, gaat het nu ook buiten de te verwachten plaatsen om zich heen grijpen, dan gaat het systeem pas echt wankelen. Dit is toch niet in de geest van Mozes, zeg dat ze daarmee stoppen heer!’

Tegenwoordig noemen we zoiets ook wel ‘angstige bezorgdheid’. ‘Dit is wel heel erg anders dan het systeem voorschrijft! Daar kun je luchtig over doen, maar waarheen gaat dit allemaal? Voor je het weet zitten we in chaos en een onzekere toekomst!’ Jozua en de jonge man kunnen dan wel jong zijn, maar Jozua is al zijn hele leven dicht bij Mozes, hij weet wat hij verwachten kan, het leiderschap en de manier waarop je het aanpakt zijn hem vertrouwd, de onzekerheidstolerantie is zeer laag. Om vrijuit anders te gaan optreden: nee, laten we dat niet doen, dat maakt me bang. Hier ben ik niet voor toegerust, dit is niet hoe we het geleerd hebben, voor je het weet zijn we alle controle kwijt, dit moet stoppen. De Geest is tenslotte een geest van orde.

De ene onvrije reactie roept de andere op. Als Mozes niet in staat is zich vrij tegenover de vragen en klachten van het volk te bewegen, dan heeft Jozua er geen vertrouwen in dat de Geest ook los van Mozes wel zijn weg zal vinden. De Geest, die een nieuw begin maakt waar alles versteend begint te raken – Jozua vindt het eng.

Maar Mozes zelf reageert anders. Misschien komt het wel door de spiegel die Jozua hem voorhoudt, Jozua die reageert zoals hij van Mozes verwacht. Mozes is door deze gebeurtenis vrij geworden: ‘Denk je nu dat je voor mij moet opkomen?’ zegt hij. Blijkbaar ben jij dat gaan denken, blijkbaar omdat ik ongemerkt ben gaan denken dat het allemaal om mij draait en dacht dat God dat ook vond… Maar Mozes heeft net gezien hoe de Geest niet alleen maar op hemzelf rust, en dat hij zichzelf heeft voorgelogen toen hij dacht dat hij het alleen moest doen – Mozes is van zijn onvrijheid genezen. Hij kan juist doordat hij het alleenrecht op zijn geest los moest laten, weer vrijer in zijn leiderschap staan. Hij ziet weer dat anderen het ook oppakken, beter nog: hij ziet dat de Geest degene is die het werk doet.‘Was iedereen maar een profeet, zegt Mozes nu.’

Verlangen naar meer onrust
Sterker nog: de collegialiteit die Mozes nu waarneemt doet hem duidelijk goed. Juist nu hij ziet dat de Geest niet alleen hem gegeven is, begint er weer een verlangen wakker te worden, een verlangen dat onder een dikke laag angstige bezorgdheid bedolven was geraakt: naar meer onrust, meer spontaniteit, meer profetie, meer niet in te plannen spreken van God zelf. ‘Was iedereen maar profeet,’ zegt Mozes nu. Eigenlijk is dat wat hij nu ziet hem nog veel te beperkt. Maar zo ver is het nog niet. Er blijft werk aan de winkel. Zolang dat wat gaat komen nog niet gekomen is, blijft er veel te verlangen, en genoeg te doen – voor Mozes, later voor Jozua, voor alle collega-voortrekkers. Maar dan wel in vrijheid. Mozes, jouw werk doet ertoe, maar zelfs jij bent de messias niet – pak het op, met anderen, in vrijheid.

Prof. dr. E. van ’t Slot is hoogleraar Beroepsvorming en Spiritualiteit aan de PTHU en redacteur van Wapenveld.