God als ui?

Kanttekening bij het protestantse verlangen naar ervaring

Abstract

Momenteel heb ik het voorrecht om mijn jongste dochter te mogen voorlezen uit de Narnia verhalen van C.S. Lewis. En met haar, Lucy en de anderen in het land achter de kleerkast te vertoeven. Het is heerlijk om daar weer te zijn. Ik ken het uit mijn eigen kindertijd, maar ik ontdek ook weer nieuwe dingen. Niet eerder werd ik zo getroffen door Lucy, die gelooft als een kind en daarom door haar broertje Edmund voor de gek wordt gehouden. Je voelt de hachelijkheid van geloven: de ontmoeting met God is zo eenvoudig belachelijk te maken.

Het duurt even voordat God, de leeuw Aslan, ten tonele verschijnt. Maar het noemen van Zijn naam roept gelijk iets op: ‘De kinderen wisten geen van allen wie Aslan was, net zomin als jij; maar op het moment dat de Bever zei dat Aslan onderweg was, voelde iedereen zich ineens heel anders dan daarvoor (…) Lucy voelde zich zoals je je voelt als je ’s ochtends wakker wordt en het dringt opeens tot je door dat het vandaag de eerste dag van de vakantie is, of het begin van de zomer.’[1]

Ik merk dat deze associatie van geloof met een overweldigend fijn gevoel me stoort. Waarom? Omdat ik, zoals de Amerikaanse dichter Christian Wiman, Christus eerder ervaar als een glasscherf in mijn darmen.[2] Dat ongemak ervaar ik ook bij de hernieuwde belangstelling voor de ervaring onder orthodoxe protestanten. Nu is die belangstelling, vaak aangezwengeld door theologen maar in Wapenveld ook door anderen, niet gericht op fijne gevoelens. Het gaat eerder om een wegkomen bij een al te rationele en cognitieve manier van geloven.[3] Ik heb daar sympathie voor. Maar zoals ik me afvraag of het citaat van Lewis wel recht doet aan de vreemde God van de Bijbel, zo vraag ik me bij de herontdekte ervaring wel eens af of het wel altijd om die God gaat. Als ik hoor dat protestanten uit hun hoofd moeten komen en hun ziel niet mogen vergeten, dan hoor ik ze vaker over zichzelf praten dan over die God. Ze lijken ‘in control’ te zijn. Misschien luister ik niet goed, maar ik merk dat de aandacht voor ervaring mij afleidt – zeker als ik in de bewoordingen geen vrezen en beven proef. Daarom zal ik in dit essay betogen dat als we de ervaring echt serieus willen nemen, we ons niet op haar moeten richten.

Achtergrond
Van huis uit heb ik geleerd naar ervaringen in de context van geloof en kerk altijd kritisch te kijken. Kort door de bocht: dat God van je houdt leer je niet in de eerste plaats uit de ervaring. Dat staat zwart op wit in Zijn Woord en daar zet Hij bij de doop nog een zichtbare streep onder. En let op: als het in de kerk te veel over onze ervaringen gaat, dan gaat het vaak steeds minder over God. Dergelijke uitspraken worden nog wel eens weggezet als afstandelijk, maar ik heb dat nooit gesnapt. Het gaat hier mijns inziens niet om tijdloze waarheden, al zullen die er ongetwijfeld wel eens van gemaakt zijn, maar om uitspraken die helpen te leven met een onzichtbare God. Bij ons thuis speelde geloofservaring een belangrijke rol, maar het was geen doel op zichzelf.

Dit artikel komt een jaar na publicatie beschikbaar. Neem een abonnement als je het hele artikel nu al wil lezen.