Niet alleen hachelijk, zelfs onmogelijk

Willem Barnard en de berijmde psalmen

Abstract

Al enige tijd werkt een team van dichters, exegeten, liturgen en musici aan de uitgave van Alle liederen van Willem Barnard (Guillaume van der Graft). Het gaat om een liedbundel met daarnaast in twee aparte banden literaire, theologische en muzikale toelichtingen per lied, in 2019 te verschijnen bij Uitgeverij Skandalon te Middelburg. Dichter Menno van der Beek is een van de vaste medewerkers. Hij schreef tevens een impressie van Barnards betrokkenheid bij de psalmberijming die sinds 1973 in de protestantse liedboeken staat.

De joodse gedichten bekend als de psalmen bestaan al zo’n drieduizend jaar. De christenen namen ze van de joden over en zongen ze vanaf het begin van hun tijdperk. Vanaf Benedictus, in de zesde eeuw na dat begin, werd en wordt volgens zijn regel in kloosters het hele psalmboek in een week gezongen, elke week steeds opnieuw – al mag men er sinds het concilie Vaticanum II in 1965 twee weken over doen. Onafgebroken werden ze ruim duizend jaar in het Latijn gezongen, overal in Europa. In de tijd van de Reformatie, in de zestiende eeuw, werden de psalmen door de beginnende protestanten in rijmende, regelmatige coupletten gevat, in het Frans, te zingen op zowel nieuw gecomponeerde als op toen al klassieke melodieën, gedeeltelijk uit de gregoriaanse en misschien via die route zelfs uit de joodse traditie geërfd.

Calvijn begon zelf aan een berijming, maar haalde al gauw een handig dichter, Clément Marot, erbij, en anderen. Petrus Datheen nam nog in diezelfde zestiende eeuw voor ons land de melodieën over en vertaalde de psalmen uit dat Frans in het Nederlands. Twee eeuwen later, in 1773, werd op last van de Nederlandse Staten een nieuwe berijming vervaardigd, bijeengezocht uit berijmingen van diverse dichters en genootschappen. Dat psalmboek hield het lang vol, maar misschien niet toevallig ongeveer weer twee eeuwen later begon men zich op diverse plaatsen in de protestantse kerken zorgen te maken over het nationale psalmboek. Klaas Schilder schreef in een in 1927 gebundeld opstel: ‘Mogen wij als gemeente, ons opgroeiend geslacht […] nog langer wennen aan een gezang dat door zijn ouderwetsche termen den vreemde een onwennig gevoel geeft, het exegetisch geweten afstompt, Gods woord op onderscheidene punten verkracht [...] ?’. Er moest iets gebeuren aan de vaderlandse psalmen, dat werd helder, maar men moest nog een paar decennia geduld hebben. In dat gebeuren zou Willem Barnard een grote rol spelen.

Dit artikel komt een jaar na publicatie beschikbaar. Neem een abonnement als je het hele artikel nu al wil lezen.