De castratie-casus en de ironie van het gelijk

Religieuze argumenten in het geding

Abstract

De afgelopen vijftien, twintig jaar is de katholieke kerk verwikkeld geraakt in wat meestal wordt samengebracht onder de vage noemer ‘seksueel misbruik’. Daaronder verbergt zich een nogal divers panorama dat reikt van heimelijke blikken tot kinderverkrachting, van clandestien hokken met de huishoudster tot ambigue strelingen die net zo goed verdrongen begeerte als oprechte genegenheid konden uitdrukken.

De relatief lange tijdspanne waarover dit misbruik werd gerapporteerd maakte het overzicht er niet gemakkelijker op. Een gewaagde handeling had in de nog repressieve jaren vijftig een heel andere betekenis dan in de jaren zeventig. Ging ze in het eerste geval in tegen een moraal die ook buiten de katholieke kerk breed werd onderschreven, in het tweede geval beantwoordde ze aan een tendens tot seksuele bevrijding die wijd en zijd werd toegejuicht. Het is in deze inmiddels al weer zoveel repressiever tijden nauwelijks nog voorstelbaar, maar in die jaren van grensoverschrijding en experiment gold pedofilie als een van de erotische varianten die al veel te lang op erkenning en legalisering hadden gewacht.

Vreemd genoeg maakt die nuancering, toen ze door kerkelijke leiders voorzichtig werd geopperd, buiten kerkelijke kringen weinig indruk. Sterker nog, hoon was haar deel. Het moet niet gekker worden, zo liet een columniste als Elsbeth Etty weten. Nu worden zelfs de bevrijdende jaren zeventig ingezet voor het onverdedigbare en daarmee alsnog door het slijk gehaald. Ze was niet de enige die er zo over dacht. Wat in deze visie voor de één in die jaren als ontvoogding mocht gelden, bleek voor de ander een grond temeer voor veroordeling – volgens een moraal die in het eerste geval wel maar in het tweede volstrekt niet achterhaald mocht heten. Of althans toentertijd achterhaald, want intussen is het denken over pedofilie weer ongeveer terug bij het standpunt van de jaren vijftig, soms zelfs ver daaroverheen.

Je kunt er lang over twisten of er in dit Quod licet Iovi non licet bovi sprake is van hypocrisie, selectief anachronisme of simpele onnadenkendheid. Maar de indruk dat hetzelfde argument heel anders wordt beoordeeld wanneer het uit de mond van de één dan wel van de ander komt, laat zich moeilijk verjagen. Wat ernstig moet worden genomen en wat niet, wat als eerzaam geldt en wat als verdacht, is kennelijk een kwestie die soms al is beslist voordat de zwaarte en betekenis van de zaak zelf serieus gewogen zijn. De vraag door wie iets gezegd of gedaan wordt is belangrijker dan wat wordt gezegd of gedaan.


Dit artikel komt een jaar na publicatie beschikbaar. Neem een abonnement als je het hele artikel nu al wil lezen.