De vierde weg

Reformatie, secularisatie; hoe nu verder?

Abstract

De reformatieherdenking van 2017 bracht de vraag mee naar de erfenis van de Reformatie. In dit artikel bespreek ik een deel van die erfenis: de secularisatie. Door het gezag van paus en kerk af te wijzen en alleen nog het gezag van Gods Geest en van de Schrift te accepteren, zette de Reformatie een misschien juiste, maar ook dramatische stap. Met die stap begon de secularisatie.

Secularisatie was een onbedoeld neveneffect van de Reformatie. De reformatoren eisten dat de kerk haar wereldlijke gezag zou opgeven. Dit gezag zou samen met het kerkelijke gezag moeten terugkeren naar de transcendente God, die hoofdzakelijk via de bediening van zijn Woord in de plaatselijke gemeente de wereld zou sturen. Maar was de plaatselijke gemeente hiervoor toegerust? In de praktijk verschoof het wereldlijke gezag van de paus in de protestantse landen naar de adel. De adel aanvaardde dit gezag aanvankelijk nog ‘bij de gratie Gods’ en zonder de theologische pretenties van het pausdom. Tegen de tijd van de Verlichting en de Franse Revolutie echter was de adel verzwakt. Daarnaast was het geestelijke gezag van de gemeenten ijl geworden en in zichzelf verdeeld geraakt. Hierdoor kon zich een volledige secularisatie voltrekken. De staat veranderde van een voorname factor in een gebied dat door het geloof werd gedomineerd in een macht die zelf de wet stelde en het geloof zijn plaats wees, afhankelijk van het prestige dat het geloof in de verschillende samenlevingen genoot.

De emancipatie van de staat en van de seculiere wereld in het algemeen is niet alleen te verklaren uit het onvermogen van het protestantse kerkmodel om te voorzien in stabiel wereldlijk gezag, maar ook uit de goddelijke status die de protestantse theologie toekende aan bepaalde maatschappelijke instellingen die buiten de directe invloed van de kerk stonden. Deze instellingen waren de zogenaamde scheppingsordeningen: maatschappelijke functies zoals de familie, de arbeid en de staat die in hun natuurlijke doen en laten over een eigen, door God gegeven autoriteit beschikten en een goddelijke taak vervulden. Luther kwam met het oog op deze scheppingsordeningen tot een tweerijkenleer, waarin hij het politieke gezag opdroeg aan de vorsten. Calvijn, met zijn theocratisch ideaal, hield het gezag weliswaar in de gemeente, maar liet toch ook ruimte voor een zelfstandig opererende overheid. Het toelaten van dit dualisme, vaak uit angst voor wat de reformatoren ‘dweperij’ noemden, maakt duidelijk dat het ontstaan van de secularisatie niet alleen te wijten is aan het feit dat de wereldlijke machthebbers zich ontworstelden aan protestants kerkelijk gezag. Met hun geloof in ‘autonome’ scheppingsordeningen sorteerden de reformatoren zelf op de secularisatie voor.


Dit artikel komt een jaar na publicatie beschikbaar. Neem een abonnement als je het hele artikel nu al wil lezen.