Een lelijke fascinatie voor geweld

Abstract

Politieke veranderingen in het Westen, samengevat met ‘verrechtsing’, worden weerspiegeld door de thema’s die moderne cineasten kiezen. Er is volop aandacht voor fascistisch geweld en nazisme, zelfs in het werk van ‘kunst om de kunst’-filmmakers als Quentin Tarantino, Paolo Sorrentino en Wes Anderson. Hun benaderingen van deze thema’s leveren verrassende inzichten op over de vraag hoe fascistisch geweld en nazisme wel (en niet) in beeld te brengen.

De afgelopen 20 jaar lijkt de politieke barometer in veel westerse landen omgeslagen. In sommige landen maakt één partij de dienst uit (Polen, Hongarije), vrijwel overal zijn populisten die in de jaren ’90 onzichtbaar waren, onderdeel van de mainstream geworden. En in november wordt Trump mogelijk herkozen; in 2000 was zoiets ondenkbaar.

Voor de tegenstanders van dit brede spectrum aan populisten en autocraten is dit achteruitgang en verlies. Het levert een gevoel van onveiligheid op dat volop in de kunst aanwezig is. Filmmakers zijn hierop geen uitzondering: velen zijn toenemend politiek geëngageerd. Dat uit zich regelmatig in kritische aandacht voor fascistisch geweld en verheerlijking van nazisme.

Deze trend is goed te zien in het oeuvre van de Amerikaan Wes Anderson (1969). In zijn laatste twee films sluipt de veranderde politiek binnen. Zijn eerdere werk gaat vaak over buitenbeentjes en getroebleerde familieverhoudingen, waarbij het vaderschap er niet goed vanaf komt.  Hij maakte bijvoorbeeld cultfilms als The Royal Tenenbaums uit 2001 en Fantastic Mr. Fox uit 2009. Met deze laatste film, gemaakt met een fantastische stop-motion techniek, toonde Anderson een ambitieuze vos die drie hebzuchtige boeren het leven zuur maakte. De bedreiging van deze boeren was echter grappig en frivool. Deze stijl zette hij door in Moonrise Kingdom (2012), een kijkdoos-achtige film over kinderverliefdheid en problematische volwassenen. Ook hier blijft het sprookje intact.

Maar ‘de politiek’ dringt zelfs door in deze sprookjes van Anderson, die je cynisch als escapistisch zou kunnen aanduiden. Dat bleek vooral in The Grand Budapest Hotel uit 2014, een sprookjesachtige plek, geïnspireerd door het werk van Stefan Zweig en Thomas Mann, waar de gastheer een decadente microkosmos in stand probeert te houden. Deze wordt bedreigd door geweld van een fascistische schurk en andere onverdraagzaamheid. De film blijft een komedie, maar in het licht van zijn eerdere films is er een duidelijke verandering waarneembaar. Dat geldt nog meer voor de metaforische stop-motion film Isle of dogs uit 2018, waarin een autocratische dictator alle honden uit Japan heeft verbannen. De film zit vol slimme grapjes over Japan, maar lijkt toch vooral een commentaar op de leugens van autocratische en populistische politiek. 

Dit artikel komt een jaar na publicatie beschikbaar. Neem een abonnement als je het hele artikel nu al wil lezen.