God, waar ben je?

Filosofisch verlangen naar de oceaan

Abstract

Filosofen zijn buitengewone wezens vol van verlangen. Het zijn zielen vol eros. Niet voor niets hield Plato zich uitvoerig met de mysteriën van de eros bezig. In zijn Symposium werkt Plato een trapsgewijze afdaling uit in de diepte van de eros. Eros staat in de eerste plaats voor verlangen. De afdaling in de eros mondt volgens Plato uit in een plotselinge vervulling van het transcendente. Het is geen eindpunt van een redenering, maar het is een ervaring die je gewaarwordt en die je schouwt.

Wat ons in die ervaring overvalt, valt niet zomaar aan te wijzen. Het is zoiets als de wijdheid van een oceaan. Het is een ruimte waardoor al wat zich voordoet, ‘hetzij op de aarde, hetzij in de hemel’, wordt omringd, omvat en doordrongen. In academisch filosofische kringen is vandaag de dag de oceaan zo goed als opgedroogd. Dat heeft met één fundamenteel woord te maken: kenbaarheid. En dat woord heeft weer alles te maken met Immanuel Kant. Daarmee zijn de belangrijkste woorden voor dit artikel wel gegeven: Kant, kenbaarheid, transcendentie en verlangen. We willen ons oor te luisteren leggen bij een van de ‘duinwegen’ tot de oceaan. Want die wegen zijn er. Meerdere zelfs. Omdat de oceaan niet is opgedroogd, maar deze juist wordt gehoord en geproefd in het ons omringende.

In Wapenveld spreekt men veelal over een derde weg (of derde standpunt, of derde perspectief, of derde land). Deze derde weg, wanneer men deze terugloopt, wil laten zien dat ons betrokken zijn op de werkelijkheid eerst en vooral verloopt via het Erleben. Want als wij kennisnemen van de werkelijkheid, is dat mogelijk op grond van een toegang die wij daartoe hebben. Van oudsher zijn de toegangspoorten tot de werkelijkheid zintuiglijke waarneming en verstand. De levensfilosofie breekt met het primaat van empirie en verstand, en neemt de volledige wijze waarop het leven ons toegang tot de werkelijkheid verleent tot basis. Onze beleving is altijd eerder, en op de voorstellingen van ons denken vooruit. In het spoor hiervan zoekt de levensfilosofie en de existentiefilosofie, in bijvoorbeeld Martin Heidegger en in het Nederlandse taalveld iemand als Otto Duintjer, naar nieuwe ruimte voor het transcendente.

Maar in het hedendaagse (christelijk-spirituele) denken rondom transcendentie worden meer wegen bewandeld. Er zijn zogezegd meer spelers. Spelers die niet breken met het primaat van empirie en verstand, maar juist via deze toegangspoorten het zicht op de oceaan willen blijven houden. Naast de al genoemde levensfilosoof die transcendentie belevend beaamt maar erkent dat het een onuitputtelijk fenomeen is, is er ook wat je zou kunnen noemen de rede-filosoof. Die zegt: het is onterecht dat de weg van het verstand dicht stuift met zand; die weg moet opengehouden worden omdat ze zicht biedt op het oceaanachtige. Transcendentie mag dan onuitputtelijk zijn, dat betekent niet dat we er geen redelijke kennis over kunnen verkrijgen. Of in ieder geval redelijke ruimte kunnen scheppen voor transcendentie.

Dit artikel komt een jaar na publicatie beschikbaar. Neem een abonnement als je het hele artikel nu al wil lezen.