Wat doen wij wanneer wij het Onze Vader bidden?

Een geloofsleer en een roman simultaan gelezen

Abstract

Afgelopen najaar las ik in dezelfde weken van de systematisch theoloog Jan Muis, diens boek over de godsleer: Onze Vader. Christelijk spreken over God, en van de Duitse schrijfster Esther Maria Magnis haar autobiografische roman Mintijteer. In mijn innerlijk gingen die twee boeken met elkaar in gesprek. Muis schreef een boek over een centrale locus van de dogmatiek, de godsleer, aan de hand van de bespreking van het Onze Vader. Wat doen wij wanneer wij het Onze Vader bidden? Dan spreken wij tot God zoals Christus ons geleerd heeft. Met andere woorden: dan spreken gelovigen christelijk over God. Muis’ originele keuze leidde tot een origineel boek. De roman van Esther Maria Magnis gaat eveneens over bidden, in het einde zelfs letterlijk het gezamenlijk gebeden Onze Vader. Het is een rauw boek over dramatische verlieservaringen in levens van gewone gelovige mensen: een vader sterft aan kanker, zijn vrouw en drie opgroeiende pubers blijven achter. Na een aantal jaren treft hetzelfde noodlot van een gruwelijke kanker het gezin opnieuw. De auteur vertelt haar weg van geloof en ongeloof, verzet en overgave, van bidden en vloeken, en van het zwijgen van God. 
Blijven de geloofsleer en de roman in contact? Blijft Muis overeind bij het existentiële geweld dat uit het geleefde leven in de roman naar ons toe komt? Wordt de hoofdpersoon uit de roman recht gedaan in haar gevecht met God tegen God, door Muis, of zal haar aanklacht tegen de kerk van haar kindernevendienst ook de systematisch theoloog treffen? (...)

Muis schrijft pastorale dogmatiek. Zo typeert Noordmans de Institutie van Calvijn. Bij het lezen van het boek van Muis moest ik aan deze uitdrukking van Noordmans denken.  Muis wil gelovigen en belangstellende gesprekspartners, studenten en predikanten helpen christelijk te spreken over God in onze seculiere en levensbeschouwelijk pluralistische cultuur. Hij draagt het boek op aan zijn kinderen, en in hen aan de generatie van de dertigers, veertigers van nu, die wanneer zij zoeken te geloven dat doen in die overwegend seculiere context. Daar is elk spreken over God of over het bestaan van God vanuit een buitenperspectief bij voorbaat een verloren wedstrijd. Gelovig leven wordt geboren waar menselijk verlangen richting krijgt en tot verlangen wordt naar God, en waar vertrouwen gewekt is en gegeven wordt. Dat gebeurt in ultieme zin waar wij – kinderen, jongeren, zoekers en twijfelaars, verzekerden en aangevochtenen – bidden, en bij voorkeur hardop samen het Onze Vader bidden. Wie het Onze Vader bidt, stelt zichzelf, samen met anderen, in een gekwalificeerde relatie: met God als Vader, Koning en Schepper, met God als Iemand die reageert, die liefheeft, die handelt en in dat handelen zelf bewogen wordt. Hij is een God met eigenschappen of kenmerken. Die benoemen wij wanneer wij bidden. Wanneer wij het Onze Vader bidden, treden wij een ruimte binnen die gekwalificeerd wordt door de liefde, de heiligheid, de rechtvaardigheid en de macht van God, aldus Muis. Door samen met de gemeente, met de kerk van alle tijden en plaatsen, het Onze Vader te bidden, voeg ik mijzelf in die werkelijkheid van de eeuwige God, die tegelijk een eeuwig heden is. (...)

Die (roman) is daarom zo aansprekend omdat de ervaringen zeer voorstelbaar-herkenbaar zijn: het verlies van de vader wanneer de kinderen nog nauwelijks in de puberteit zijn, en een tweede drama van dezelfde aard in het gezin enkele jaren later. Sommige mensen treft het noodlot, c.q. kanker, wel heel kwaadaardig. Het doorgaande thema van het boek is vertrouwen, bidden, roepen en het zwijgen van God. Ik noteer drie dingen in relatie tot het boek van Muis:

Ten eerste is het boek een expliciete aanklacht tegen een kerkelijke praktijk, waarin met name in de preken en de gebeden van (ons) dominees bovengenoemde spanning niet uitgehouden wordt. Op het moment dat de hoofdpersoon in de roman totaal ontredderd is, en zij roept, bidt en vloekt tegen een God die zwijgt, dan uit zij haar woede over de gebeden van de dominees en over de verhalen over God in de kindernevendiensten.  Daarin figureerde een tandeloze ‘God’ die eigenlijk net zo machteloos is als wij mensen, ja een God die wíj moeten helpen in plaats van dat Hij ons helpt. Het volgende citaat spreekt voor zichzelf. De auteur citeert uit de voorbeden uit de kerk van haar puberjaren, een gemeente in de mainstreamkerk van de tachtiger jaren: ‘“Goede God, er zijn veel zieken die zwaar te lijden hebben, breng mensen aan hun bed die een goed woord voor ze hebben”.’ Ze vervolgt: ‘Ik was niet helemaal achterlijk in die tijd. Ik wist dat die voorbede, als je die helemaal uitformuleerde, zo ging: “Goede God, er zijn veel zieken die zwaar te lijden hebben, we bidden u natuurlijk niet om het onmogelijke. U doet meestal toch niets en we moeten de wonderverhalen van Jezus nu ook weer niet te letterlijk nemen, dus geeft u tenminste vriendelijke mensen die de zieken opzoeken – dat is toch een aanbod dat u niet kunt afslaan, en niemand zal ons nu kunnen verwijten dat we hoop verspreiden waar geen hoop is – wij maken het wel voor u in orde. U hebt ons nodig. Want wij kunnen wat doen en u niet.”’  Zij besluit: ‘God werd steeds kleiner’

Dit artikel komt een jaar na publicatie beschikbaar. Neem een abonnement als je het hele artikel nu al wil lezen.