'De cultuur der dingen lijkt onstuitbaar'

Indringende vragen van Auke van der Woud

Abstract

Naar Groningen reisden we, om Auke van der Woud (1947) te spreken. Aanleiding: zijn  boek De nieuwe mens – de culturele revolutie rond 1900 (2015). Een mooie gelegenheid om de man achter een ondertussen imposant oeuvre te portretteren.  We ontmoetten hem in de gebouwen van de Protestantse Theologische Universiteit aldaar.  Een rustige, bescheiden man, die ogenschijnlijk terloops zijn opmerkingen maakt, met zo nu en dan een  lichte twinkeling in de ogen.(...)
ij het grotere publiek werd hij bekend met Een nieuwe wereld – het ontstaan van het moderne Nederland (2006). Een fascinerend boek dat laat zien wat er na 1850 aan veranderingen op gang komt, en wat dat teweegbrengt niet alleen in de fysieke ruimte maar ook in het zelf-verstaan van mensen, een proces dat tot op de dag van vandaag doorgaat. Het boek beleefde vele drukken en Van der Woud ontving er prijzen voor. Daarna verscheen Koninkrijk vol sloppen  - achterbuurten en vuil in de negentiende eeuw (2010).  Vele mensen leefden in de steden letterlijk weggestopt, slechts door spleten, scheuren en stegen verbonden met de gebaande wegen en straten. Predikanten, ingenieurs, artsen die er kwamen, vielen flauw van de stank. Tegelijk werden deze achterbuurten ‘volksbuurten’; hier was nog sprake van gemeenschapszin en die raakte in de steeds sneller wordende wereld op de achtergrond. Na de Tweede Wereldoorlog verdween de stank geleidelijk. Toen pas eindigde de negentiende eeuw, meent Van der Woud.(...)
oe vriendelijk Van der Woud ook mag zijn, hij durft wel harde noten te kraken. In De nieuwe mens laat hij zien dat het traditionele beeld van het einde van de negentiende eeuw als hoogtepunt van burgerlijke cultuur op z’n minst eenzijdig is. Jan Bank en Maarten van Buuren schreven een vuistdik werk onder de titel 1900 – Hoogtij van burgerlijke cultuur  (2000) Volgens Van der Woud is de cultuur van de gegoede burgerij niet het enige waarover verteld moet worden. Hij hanteert een breder cultuurbegrip, hij zoekt naar de eigenschappen van de moderne massacultuur, en hij  pleit daarbij voor een onderlinge uitwisseling van resultaten van sociale en cultuurgeschiedenis. En, merkt hij daarbij fijntjes op, Nederland is groter dan alleen de Randstad.

‘Ik heb vanaf bovengenoemd begin van mijn studie een andere manier van kijken op de geschiedenis van de negentiende en de twintigste eeuw ontwikkeld en die valt niet samen met de mainstreambenadering. Daarin is de cultuurgeschiedenis te zeer losgeraakt van de sociale geschiedenis. En is de Randstedelijke cultuur – vooral dat wat er in Amsterdam gebeurt – de norm. Van de rest van Nederland weten we weinig. Lokale historici schrijven niet het grote verhaal. Cultuur is meer dan wat de kunstbijlagen van de NRC laten zien. Cultuur is veel meer dan kunst, theater en films: ze  gaat over waarden en normen. Daarom is voor cultuurgeschiedenis ook een meer antropologische interesse nodig. Ik zoek de verbinding.  Namelijk hoe mensen met elkaar leven, met de waarden en normen en daaronder en daarachter het metafysische.’(...)
Van der Woud vertelt het verhaal van de mode en de warenhuizen met hun enorme etalages: een volstrekt nieuw en in alle opzichten ‘modern’ verschijnsel, waar de mensen zich aan vergaapten en mee vermaakten. Steeds in korte hoofdstukken van vier à vijf pagina’s, daarmee als het ware in zijn manier van schrijven en ordenen de overgang illustrerend.  Aan de hand van deze verhalen laat Van der Woud zien welke culturele revolutie zich rond 1900 voltrok in de Nederlandse samenleving. Een ‘cultuur der dingen’, een cultuur met oog voor het lichaam, voor het zien en ervaren, komt op, neemt ruimte in, en dringt de tot dan toe dominante en alleen-heersende cultuur van de geest terug. Van der Woud stelt deze ‘cultuur van de dingen’ tegenover de zogeheten ‘hogere cultuur’ van de elite, die veel sterker beïnvloed was door het  primaat van de geest ten opzichte van het lichaam, het woord ten opzichte van het beeld.  De ‘cultuur van de dingen’ is echter in de loop van de twintigste eeuw alomtegenwoordig en allesbeheersend geworden. Van der Woud: ‘De cultuur van de tweede helft van de twintigste eeuw is uitgesproken materialistisch. Het economische domineert. De NRC kent elke dag een bijlage economie, maar helaas geen katern sociologie.’(...)
Van der Woud voelt een onrust over een modernisering, die veel goeds oplevert maar tegelijk een vorm van materialisme laat zien – de cultuur der dingen – die in de geschiedenis zijn weerga niet kent.   ‘De ik-cultuur wordt nu mondiaal. We lopen tegen problemen aan, dat weet iedereen die erover nadenkt. Het acceptatievermogen van de natuur houdt een keer op. Ik zie niet zomaar verandering optreden. De massa bewandelt immers niet vrijwillig een weg terug. Alleen bij een catastrofe. Dan is er iets van een terug bij af, zoals je kon zien vlak na de Tweede Wereldoorlog. Even was er de terugkeer naar het geestelijke, naar het oude ideaal van de verheffing, maar na de wederopbouw gingen in de sixties de sluizen weer open. Toenemende welvaart liet de ‘cultuur der dingen’ weer groeien, en schoof  het ideële naar de achtergrond.
De massa leert moeilijk. In de moderniteit is de ‘cultuur der dingen’ dominant. De oude cultuur was een woordcultuur. Haar vertegenwoordigers hebben gezag, geven richting aan, de oude elite had een taak (of kende die zichzelf toe) bij de verheffing van het volk. Onze moderne massacultuur is een beeldcultuur, waarin het gaat om buitenkant, om indruk maken, niet om ideeën. De moderne massacultuur is per definitie richtingloos.'(...)
Van der Woud is gereformeerd opgegroeid, in wat hij een ‘fijn gezin’ noemt. ‘Ik denk met dankbaarheid aan mijn ouders terug en herken de beeldvorming over het gereformeerde in de boeken van Jan Wolkers en Maarten ’t Hart in het geheel niet.’ Maar tegelijk is ook hij een zoeker geworden. ‘Ik maak onderscheid tussen godsdienst als geïnstitutionaliseerde religie en het religieuze.  De kerken hebben het na de jaren zestig verloren. Honderd jaar lang  hadden ze via de verzuiling hun waarden en normen tot in de haarvaten van de samenleving weten te waarborgen. Deze strategie was succesvol, tot in het laatste kwart van de twintigste eeuw overgave volgde. De institutionele godsdienst is een gesloten cultuur, gefocust op orthodoxie, gehoorzaamheid en handhaving van regels, met een eeuwenoude angst voor het lichamelijke en vooral het seksuele. De moderne massacultuur is heterodox, kan alle kanten uit; vrijheid (en dus een zekere mate van ongehoorzaamheid) wordt gecultiveerd, met de prestaties van het lijf (topsport!) is een miljardenindustrie gemoeid. Het is geen wonder dat de kerkelijke instituties het moeilijk kregen. Met religie heb ik het over iets anders. Religie is meer open, je kunt het niet onder woorden brengen. Ik tenminste niet, zeker niet in een paar woorden.  Bepaalde ervaringen in het leven laten zich niet makkelijk onder woorden brengen.’

Dit artikel komt een jaar na publicatie beschikbaar. Neem een abonnement als je het hele artikel nu al wil lezen.