Thuis in de wereld

Een fundamentele reflectie op architectuur

Abstract

De meeste studenten die ik in Delft bij Bouwkunde tegenkom weten al van jongs af aan dat ze architect willen worden. Al dan niet geïnspireerd door een architect in de familie of in de buurt zijn ze gegrepen door het idee gebouwen te kunnen vormgeven. Zelf had ik als kind een heel ander toekomstbeeld. Ik ben de decaan van mijn middelbare school dankbaar dat hij me wees op het vak ‘stedenbouwkunde’.

Stedenbouw werd het inderdaad, samen met architectuur. Het een kan niet zonder het ander en het onderscheid tussen beide vakgebieden moet wat mij betreft eerder afgezwakt dan aangescherpt worden. Spijt heb ik van die keuze nooit gehad, maar ik had wel een kleine crisis en het schrijven van een dissertatie nodig om het belang van architectuur te begrijpen.

Crisis is misschien niet het goede woord, maar net als bij veel andere studenten kwam halverwege mijn studie ook bij mij de vraag op of wat ik studeerde wel zin had in het perspectief van de eeuwigheid, de eindigheid en de wereldproblemen. Moest ik niet iets zinnigs gaan doen in Afrika, of iets missionairs in Nederland? Die vragen werden zeker versterkt door het specifieke Nederlandse architectuurklimaat aan het einde van de jaren negentig en het begin van het nieuwe millennium. Het conceptuele denken dat in die tijd populair was, leidde tot opvallende gebouwen. Het kon zo spectaculair, innovatief en inventief niet bedacht worden, of het werd gebouwd. Er was geld, er was de drang naar vernieuwing, er was de behoefte om op te vallen en er was de computer, waarmee alles wat bedacht ook berekend en getekend kon worden.

Dat trok de aandacht. Wereldwijd waren de ogen op Nederland gericht. Architectuur was fun geworden en de bekendste architecten reisden als popsterren de wereld over. In Delft leerden we conceptueel te denken en te tekenen, maar nauwelijks nog rekenen, laat staan te reflecteren op wat we nu eigenlijk aan het doen waren. Juist dat begon bij mij te knagen. Want waar deden we het eigenlijk voor? Fun zonder fundament, en bovendien een wereldje op zichzelf. Voor de architect is de architectuur immers een vanzelfsprekendheid, maar voor ieder ander buiten de wereld van de architectuur vooral een vraagteken. Sterker nog: architectuur is, zo schrijft de bekende Britse filosoof Alain de Botton, ‘nooit helemaal onverdacht geweest’. ‘Er zijn,’ vervolgt hij, ‘altijd vraagtekens geplaatst bij de relevantie, de morele waarde en de kosten van architectuur. Het geeft te denken dat veel van de intelligentste mensen op aarde nooit iets op hebben gehad met ontwerpen en inrichten, en van mening waren dat slechts onstoffelijke en onzichtbare zaken voldoening brachten.’ Kortom, als student architectuur stelde ik steeds vaker de zingevingsvraag: doet architectuur er eigenlijk toe? Is architectuur niet een first world problem in een wereld in brand?


Dit artikel komt een jaar na publicatie beschikbaar. Neem een abonnement als je het hele artikel nu al wil lezen.