Wegen tot het transcendente

Abstract

Film staat bekend als de zevende kunstvorm, maar het is wel een kunstvorm die in esthetisch opzicht nogal ambivalent is. De meeste filmliefhebbers houden namelijk helemaal niet van films als kunst, oftewel kunstfilms ('arthouse'). Dat is maar traag en saai. Zo las ik een jaar of vijf geleden in het Nederlands Dagblad een filmrecensie die me altijd is bijgebleven. Het was een bespreking van de veelbekroonde film La Grande Belezza van regisseur Paolo Sorrentino, onder meer winnaar van de prijs voor Beste Film van het Jaar 2013 van de verzamelde Nederlandse Filmrecensenten. De Nederlandse filmrecensenten minus de recensent van het Nederlands Dagblad dan, want die vond er niets aan. ‘La Grande Belezza (De Grote Schoonheid) is een arthousefilm’,  aldus deze recensent. ‘Hij is lang, bijna 2,5 uur, en je hebt geen idee waar hij over gaat.’

Het is een imago dat aan alle arthouse kleeft: moeilijk, lang en heel erg traag. Vaak ligt dit echter niet zozeer aan de films zelf, maar aan het verwachtingspatroon dat je hebt als je een bioscoopzaal instapt (of Netflix aanzet). De meeste filmliefhebbers verwachten van een film dat-ie een verhaal  heeft (liefst goed te volgen) en er fatsoenlijk uitziet. Als er geen al te grote gaten zitten in de chronologie, de film een 'normaal' tempo heeft en een duidelijk afgerond einde, vinden we het al snel goed. Cinema met een grote C – film als zevende kunstvorm –staat daar bijna diametraal tegenover. Cinema gaat over een kunstzinnige verwerking van dat 'gewone leven' door middel van de esthetische vorm. Daarmee moet een kunstfilm of een arthousefilm met andere criteria beoordeeld worden want deze dient een ander doel dan de grote blockbusters.

Een prachtig boek dat al aan het begin van de jaren zeventig aandacht besteedde aan dit specifieke karakter van kunstfilms, en bovendien een fundamentele verbinding maakte met spiritualiteit, is het monumentale Transcendental Style in Film van de Amerikaanse scenarist, regisseur en filmcriticus Paul Schrader (1946), bekend als scenarist van onder meer Taxi Driver (Martin Scorsese, 1976) en The Last Temptation of the Christ (Martin Scorsese, 1988). Dit boek markeerde zo'n beetje het begin van het wetenschapsveld film & religie/theologie.

Deze zomer is dit boek opnieuw uitgebracht met een compleet nieuwe introductie waarin Schrader niet alleen bespreekt hoe zijn 'transcendentale stijl' de afgelopen vijfenveertig jaar heeft gefunctioneerd maar waarin hij ook verder gaat en een verbinding maakt met 'slow cinema' – en  dus kort gezegd uitlegt waarom 'traag' niet 'saai' is maar juist in zekere zin spiritueel. Het verklaart voor mij waarom de Nederlandse filmpers (en ook ikzelf, eerlijk gezegd) zo gecharmeerd was van La Grande Belezza, terwijl de recensent van het Nederlands Dagblad, die de film waarschijnlijk beoordeelde vanuit criteria van de commerciëlere Hollywoodfilm, deze alleen maar zag als 'leeg en saai'.  

Dit artikel komt een jaar na publicatie beschikbaar. Neem een abonnement als je het hele artikel nu al wil lezen.