Werken als wedstrijd

Waarom flexwetten hun doel voorbij schieten

Abstract

De flexibilisering van het arbeidscontract is geen onbedoeld bijverschijnsel van onze arbeidsmarkt, maar een logisch gevolg van een consistente managementformule, gebaseerd op een competitief mensbeeld. Die formule, afkomstig uit het bedrijfsleven, is vanaf circa 1990 diep en zonder al te veel protest binnengedrongen in dienstverlenende instellingen. Dit gebeurde met name in Nederland, dat zich in Europa verrassend opwerkte tot kampioen flexwerk. Werknemers zouden de zeggenschap moeten heroveren over de criteria voor de kwaliteit van hun werk. En hun werkplek moet niet langer als een strijdperk van competitieve individuen worden gezien.

In 1999 haalt ‘flexwerk’ als nieuwkomer het Woordenboek van neologismen. De gestadige krimp van het aantal vaste dienstverbanden is dan al enige tijd in gang. Deze trend tekende zich af vanaf de economische crisis van begin jaren tachtig, toen het uitzendwerk plotseling een hoge vlucht nam. In de voorafgaande periode, na het verrijzen van de verzorgingsstaat  vanaf de Tweede Wereldoorlog, vormde het vaste dienstverband decennialang de maatschappelijke norm. Afgezien van conjuncturele schommelingen was het in Nederland tot 1990 gebruikelijk dat rond de 90% van de werknemers aan één werkgever gebonden was via een vast dienstverband. Met een verwijzing naar de globalisering en liberalisering van de economie werd de beschermde positie van werknemers stapje voor stapje aangetast.

Vanaf het jaar 2000 stijgt naast het uitzendwerk ook het aantal tijdelijke contracten; banen met een onzekere maar in ieder geval beperkte duur. Naast personeel met tijdelijke ‘gewone’ banen gaat het om oproepkrachten, werknemers met nul-urencontracten, seizoensarbeiders, zzp’ers en stagiaires. Lager opgeleiden, vrouwen, mensen met een migratie-achtergrond en jongeren hebben vaker zo een tijdelijke baan. Hoewel de flextrend door conjuncturele schommelingen wordt beïnvloed, zet deze zich ook in tijden van hoogconjunctuur onverminderd door. Flexwerkers stromen niet meer automatisch door naar een vast contract. De ‘onvaste’ baan lijkt structureel geworden.

De trend doet zich ook voor in omringende landen. Een rapport van de Europese Unie uit 2004 concludeerde dat in bijna alle lidstaten de precaire werkgelegenheid de afgelopen twintig jaar was toegenomen.[1] Maar de Nederlandse arbeidsmarkt spant al jaren de kroon. Ook in 2018 ging Nederland aan kop met 40% tijdelijke krachten, zo blijkt uit gegevens van Eurostat, CBS en TNO. Het percentage flexwerkers in Europa (EU-28) lag in 2018 op gemiddeld 22%, bijna de helft dus van het Nederlandse percentage van 40%. Dat is nog meer dan in Griekenland met haar karakteristieke hoge aantal zzp’ers in de landbouw. Alleen in Polen en Spanje is het aandeel flexwerkers groter.


Dit artikel komt een jaar na publicatie beschikbaar. Neem een abonnement als je het hele artikel nu al wil lezen.