‘Het morele is niet alleen constructie’

Hans Boutellier over het seculiere experiment in radicale tijden

Abstract

Hans Boutellier (1953) schreef in 2015 zijn bekende Het seculiere experiment. ‘Als er niemand meer in God gelooft, dan wordt het een zooitje, jongen.’ Met dat zinnetje van zijn vader opent hij zijn boek. Een zinnetje dat blijft hangen. Boutellier is directeur van het Verweij-Jonker Instituut in Utrecht, gevestigd in een fraai grachtenpand aan de Kromme Nieuwegracht in Utrecht. Vroeger was er de Crediet & Effectenbank in gevestigd. De kluisjes in de kelder – zo constateren we tijdens een rondleiding – getuigen er nog van. Boutellier bestiert dit instituut, dat onafhankelijk onderzoek doet naar actuele maatschappelijke vraagstukken als veiligheid en armoede. Naast deze drukke baan is Boutellier ook als hoogleraar Veiligheid en Veerkracht verbonden aan de VU. Op 10 oktober jl. ging hij met emeritaat. Wapenveld sprak met hem op een heerlijke zomeravond eind augustus, onder het genot van lekkere broodjes.

Boutellier schreef zijn boek in de uitnodigende ambiance van het Koninklijk Nederlands Instituut in Rome. Hij reisde er, in zijn eentje, vanuit Nederland op de fiets naartoe. De aantekeningen die hij tijdens zijn fietstocht naar Rome maakte, verwerkte hij in een persoonlijk essay dat digitaal op de site van uitgever Boom te lezen valt. De gemankeerde nieuwmensch, luidt de titel. De ambiguïteit die deze titel uitdrukt, maakt de lezing van Boutellier spannend. Hij brengt zichzelf in het spel en laat voelen dat er ook wat op het spel staat. Zo schrijft hij: ‘De gemankeerde nieuwmensch doet het zonder God, zonder geloof, zonder waarheid, zonder zin, alleen tussen hemel en aarde, en af en toe vertellen we een verhaaltje tegen elkaar. Dat is wat ons rest: verhaaltjes vertellen en soms geloven dat ze waar zijn. Hoe beter je dat kan, des te meer gemoedsrust je hebt.’

Boutellier typeert zichzelf als een rationeel mens, zonder religieuze aanleg. ‘Men heeft de mond vol van de religieuze ervaring, maar die ken ik gewoon niet. Zoals de Duitse filosoof Habermas gezegd heeft: ik ben religieus onmuzikaal. Ik heb eerder last van de areligieuze ervaring, een soort weerzin tegen het Grote Geloven – niks transcendentie. Gewoon hier en nu. Zoals vandaag, de gehele dag in een schitterend landschap. Natuur.’

De samenleving is na de sixties niet ingestort, dat is waar. We rooien het best aardig met elkaar. Maar hoe spreken we elkaar aan als het echt spannend wordt (en dat lijkt het te worden)? Dat is de vraag die Boutellier bezighoudt. ‘Maatschappelijk gesproken missen we God eigenlijk helemaal niet. De criminaliteit is weer onder controle, de seksualiteit blijkt behoorlijk goed onderling te regelen (wederzijdse instemming is genoeg), het gezag is ondermijnd, maar niet verdwenen. Vanuit concrete praktijken dient zich altijd weer een gezagsvolle bedoeling aan. We stemmen af wat het beste is. Maar het is niet onproblematisch. We hebben niet echt een tegenwicht tegen het radicale kapitalisme en het radicale fundamentalisme. Want dat zijn twee uiterste consequenties van het ontbreken van een moreel ijkpunt. We hebben iets nodig waar we verhalen omheen kunnen vertellen of iets waar we elkaar op kunnen bevragen: “Waar geloof jij in?” Die  vraag leidt nu tot niks.’

Dit artikel komt een jaar na publicatie beschikbaar. Neem een abonnement als je het hele artikel nu al wil lezen.