Het vloeibare instituut

Van de ene ‘ervaring’ naar de andere, zonder duidelijk doel

Abstract

De begrippen ‘vloeibare moderniteit’ en ‘vloeibare samenleving’ danken we aan de Pools-Britse socioloog Zygmunt Bauman (1925-2017). Hij en vakgenoten geven ons inzicht in onze samenleving. Maar wat is de betekenis van hun studies voor kerk en theologie? Hoe komen sociologie en theologie aan één gesprekstafel?

In 2016 promoveerde Harmen van Wijnen op een onderzoek naar geloofssocialisatie en kerkelijke betrokkenheid van adolescenten. Hij deed veldonderzoek, interpreteerde de uitkomsten daarvan met gedachtegoed van de Franse socioloog Michel Maffesoli (1944) en stelde op grond daarvan een ingrijpende ecclesiologische wijziging voor. In mijn eigen woorden: Van Wijnen vindt dat we een meer vloeibare opvatting van de kerk moeten krijgen. Maar eigenlijk is dit geen gelukkige uitdrukking, want het woord ‘vloeibaar’ is een typisch Baumanniaans woord. En Maffesoli staat erom bekend dat hij met maar weinig andere sociologen goed bevriend is.

Heel recent (Wapenveld, juni 2019) verbreedde Van Wijnen zijn pleidooi en vroeg hij ruimte voor een meer vloeibare mensleer in de theologie en de aanvaarding van het vloeibare mens-zijn in de kerkelijke praktijk. Van Wijnen beroept zich daarvoor op Bauman en introduceert dus een tweede socioloog aan zijn gesprekstafel. Daarmee is het tot dan toe wat gezellige gesprek opeens een stuk spannender geworden. Bauman draagt namelijk argumenten aan om de krasse these uit Van Wijnens dissertatie te relativeren. Van Wijnen laat zo mooi zien dat het gesprek van sociologie met theologie iets heeft van tasten en zoeken, niet van lijnrecht redeneren.

Van Wijnens dissertatie is ingegeven door zorg over de al jaren dalende betrokkenheid van adolescenten bij de kerk. Ze hebben weinig met het instituut kerk en de kerkdiensten. Ook lopen ze niet warm voor het kerkelijk jongerenwerk. ‘Met vrienden praten over het geloof, daar heb ik meer aan dan aan de kerkdienst op zondag’ en ‘Heel wat mensen hier zijn zo opgevoed, maar ze weten niet waarom ze geloven’ – zo luiden enkele opmerkingen uit het veldonderzoek van Van Wijnen. Het goedbedoelde kerkelijk jeugdwerk is erop gericht geweest de jongeren als individu te benaderen om ze bij de kerk te betrekken. Juist op dat punt wil Van Wijnen verandering zien. Want jongeren organiseren zelf kleine groepsverbanden, meestal buiten het officiële jeugdwerk om. Daar ervaren ze verbinding en daar voeren ze geloofsgesprekken.

Dit artikel komt een jaar na publicatie beschikbaar. Neem een abonnement als je het hele artikel nu al wil lezen.