Wetenschap en levenswereld

Wetenschappelijke waarheden als ideeëngewaad

Abstract

Hoe verhouden zijn, waarheid en waarneming zich tot elkaar? In de canon van de filosofie is dit een belangrijke vraag. In eerste instantie lijkt deze vraag voor de hedendaagse wetenschappelijke praxis niet zo belangrijk. De wetenschap hanteert immers trouw haar methode en komt met haar objectieve waarneming tot een onbemiddelde opvatting van de waarheid van zijn.

De waarneming die we kennen in de (exacte) wetenschap is niet de subjectief-zintuiglijke waarneming van de existentiële mens, maar de zuivere waarneming van computergestuurde sensoren. Daarmee staat wetenschappelijke waarneming in essentie los van het subject. Ze lijkt voor de leek op haast magische wijze de meest complexe feiten aan het objectieve zijn te ontfutselen. De research-gestuurde wetenschap van vandaag de dag kan haar resultaten zelfs op bestelling voortbrengen. Een vaccin voor het coronavirus is geen toevallige ontdekking, maar op bestelling verkrijgbaar. De waarheid lijkt op bestelling verkrijgbaar, gefaciliteerd door een gemechaniseerde, geïndustrialiseerde en objectieve waarneming. Maar is dit het hele verhaal? Heeft de wetenschappelijke waarneming en methode dan echt de onbemiddelde toegang tot de waarheid het van het zijn zelf?

De vraag die we stelden, hoe waarheid, zijn en waarneming zich met elkaar verhouden, is in de geschiedenis van de filosofie al ontelbare malen aan de orde gekomen. Een voorbeeld van een antwoord vinden we in Berkeley’s werk De beginselen van de menselijke kennis uit 1710: ‘Wat namelijk wordt gesteld over het absolute bestaan van niet-denkende dingen zonder enige verhouding tot het waargenomen worden daarvan, lijkt me volkomen onbegrijpelijk. Hun zijn is waargenomen worden en het is niet mogelijk dat ze op enige wijze bestaan buiten de geesten, oftewel de dingen die ze waarnemen.’

Dit artikel komt een jaar na publicatie beschikbaar. Neem een abonnement als je het hele artikel nu al wil lezen.