Op en achter de zegekar

Lewis en Hooykaas over Francis Bacon en de wetenschappelijke revolutie

Abstract

Waar is wetenschapsgeschiedenis goed voor? Aan het begin van het recente interview met Floris Cohen in Wapenveld, december 2019, stond een kort ant­woord: ‘Je verbreedt je kijk op de wereld’. Erg concreet is dat natuurlijk niet. Een concreet antwoord zou vervat moe­ten zijn in het werk van Cohen en andere wetenschapshistorici. Maar dat is dan weer te veel van het goede. Voor een zin­volle tussen­weg, een ant­woord op die vraag dat niet te abstract is maar ook niet te uit­voerig, moeten we het misschien hebben van een paar ge­schikte onderwerpen – histori­sche episodes die op tref­fende wijze illustreren wat weten­schap is door te laten zien wat weten­schap ooit was of hoe zij begon.

Eén onderwerp dient zich dan aan via een intrigerend verschil van mening tus­sen twee grote geleerden en tijdgenoten die allebei ortho­dox-gelovig christen waren: de lite­ra­tuur­his­toricus C. S. Lewis (1898-1963) en de wetenschaps­histo­ri­cus Reijer Hooy­kaas (1906-1994), gewaar­deerde leermeester van Cohen. Dat meningsverschil betreft de rol van de Engelse schrij­ver en staats­man Francis Bacon (1561-1626) als aanjager van de weten­schappe­lijke re­volutie van de zeven­tiende eeuw. Kort gezegd: voor Hooykaas is Bacon een held, voor Lewis een antiheld. In hoeverre had één of elk of geen van beiden gelijk? Bij het antwoord op deze vraag krijgen we als bonus een prachtig voor­beeld van het nut van weten­schapsgeschie­de­nis. We krijgen een beeld van de her­komst en het karakter van de vroeg­moderne weten­schap dat bijna ont­hut­send verhelderend is voor haar laatmoderne erf­genaam.

In de literatuur over Bacon vielen mij (nieuwkomer op dit uitgestrekte ter­rein) al vlug drie din­gen op. Ten eerste zegt ieder­een dat Bacon, strikt genomen, aan de vooruit­gang van de weten­schap vrijwel niets heeft bijge­dra­gen. Lewis schreef als litera­tuurhistoricus dat Bacon op zijn best was ‘niet als ontdekker van waarheid maar als ontmaskeraar van denkfou­ten’. Ik heb lang niet alles van Bacon ge­le­zen, maar deze indruk kreeg ik ook. Vooral zijn be­roemde analyse van vier hoofdvormen van menselijke dwaling – de vier ‘idolen’ van ons den­ken – is, vrees ik, terecht beroemd en van tijdloos belang.

Ten tweede zijn des­kun­digen het er­over eens dat zijn werk waar­schijnlijk gewoon in de vergetelheid zou zijn ge­raakt als Bacon niet zo’n goede schrijver was geweest. Ook dat kan ik gelo­ven. Hij is een goede schrij­ver. Ten derde zouden de ideeën van Bacon door de eeuwen heen zowel ste­vig ver­zet als groot en­thou­siasme heb­ben gewekt, met vaak weinig daartussen. Dat is nuttig om te weten. We hoeven ons op deze ma­nier niet over­matig te verbazen over het meningsverschil tus­sen Lewis en Hooy­kaas.

Dit artikel komt een jaar na publicatie beschikbaar. Neem een abonnement als je het hele artikel nu al wil lezen.