Sterft, gij oude vormen?

Gerardus van der Leeuw en de liturgie van het dagelijks leven in coronatijd

Waarschijnlijk hebben we sinds de Tweede Wereldoorlog niet zo’n doorbreking van dagelijkse routines en rituelen meegemaakt als tijdens de coronapandemie. Werken, wonen, maar ook religie en cultuur: het kreeg allemaal te maken met een totale disruptie. Alles moest opnieuw worden uitgevonden. Het is nog te vroeg om te zeggen wat de pandemie precies aan onze samenleving veranderd heeft, maar de crisis is wel een bijzonder interessant massapsychologisch experiment gebleken. Sociaal psychologen die gedrag moesten verklaren, bijvoorbeeld met betrekking tot het naleven van voorschriften, draaien overuren.

Corona wordt ook wel opgevat als een contrastvloeistof, die laat zien wat echt essentiële activiteiten zijn in onze samenleving, en waar we feitelijk buiten kunnen. In dat soort analyses overheerst het korte-termijnperspectief: blijkbaar hebben we vooral iets aan leraren, verplegers, schoonmakers, en andere contactberoepen. Andere dingen kunnen wel online. Met name het enorme veld van cultuur en religie lijdt onder deze oppervlakkige visie. Samenkomsten – van concert tot filmbezoek, van voetbalwedstrijd tot kerkdienst – worden naar het computerscherm verwezen. Er is weinig gehoor voor musici, supporters en predikanten die zeggen dat de beleving van cultuur en religie toch wel verloren gaat als er alleen nog digitaal van genoten kan worden. Gemeenten aan de conservatieve kant van de protestantse kerken stuiten vooral op onbegrip voor het feit dat zij ten koste van alles in het kerkgebouw willen samenkomen.

In het licht van de volksgezondheid is het logisch dat de protestantse kerken ook accepteren dat de richtlijnen moeten worden nageleefd, al blijft het ‘behelpen’, aldus PKN-scriba René de Reuver. [1] Dat heeft desondanks tot grote creativiteit geleid. Al snel ontdekten theatergezelschappen, musici en organisatoren van conferenties, net als kerkenraden, dat online niet hetzelfde is als analoog; de aandachtsspanne is anders, en vanzelfsprekende onderdelen van de liturgie van dergelijke activiteiten functioneren niet of moeilijk: hoe kun je vanuit de huiskamer participeren in een kerkdienst? Hoe breng je een toneelstuk over als de acteurs niet dicht bij elkaar mogen komen?    

Corona toont het belang van de liturgie van het dagelijkse, culturele en religieuze leven. Door de coronacrisis moeten we op zoek naar nieuwe vormen. Naar die nieuwe vormen zijn we sowieso op zoek, getuige het alomtegenwoordige crisisdenken. Je kunt de krant niet openslaan of het gaat over een crisis: de coronacrisis wordt als voorafschaduwing gezien van de veel grotere ecologische en klimaatcrisis; een crisis van de democratie, die draait om populisme, filterbubbels en wantrouwen in instituties; tenslotte een van de globalisering, die leidt tot angst en onzekerheid, en die het verlangen oproept naar zekerheid, duidelijke vormen en houvast, bijvoorbeeld op economisch gebied.

Volksverheffing
Dit soort beschouwingen, waarin verschillende crises met elkaar worden verknoopt, doen denken aan de periode tussen de wereldoorlogen. Intellectuelen in het interbellum zoals Johan Huizinga verbonden de economische crisis van de jaren dertig met een morele en een cultuurcrisis. Een andere Nederlander van internationale faam, die op visionaire wijze zijn eigen tijd analyseerde, is de Groningse godsdienstwetenschapper en theoloog Gerard van der Leeuw (1890-1950). Deze erudiete geleerde zocht naar een antwoord op de vraag wat het fenomeen religie nu bepaalt, en hoe moderne en klassieke vormen van godsdienst van elkaar verschillen. Als egyptoloog, en kenner van de klassieke Griekse godsdienst, paste hij een hermeneutische methode toe. Daarmee probeerde hij zich in te leven in de betekenis van een specifieke godsdienst voor de mensen die hem praktiseren. Van der Leeuw was een veelzijdig en immens productief geleerde, die naast wetenschappelijk doorwrochte studies deed aan volksverheffing: zijn populaire boekjes over de Matthäus Passion en de farao Echnathon werden in de jaren dertig meermaals herdrukt.

Hij was een van de voormannen van de liturgische beweging in de Hervormde Kerk in het interbellum. Die bepleitte een herwaardering van symbolen, esthetiek en lichamelijkheid, die in de Nederlandse protestantse kerken was weggezakt. Van der Leeuw vond dat het sacrament – en het avondmaal als sacrament bij uitstek – weer centraal moest komen te staan in de kerkdienst, meer dan de prediking. Het sacrament was iets dat iedereen gemeenschappelijk had; hij was dan ook betrokken bij Kerkopbouw, een club die een binnenkerkelijke doorbraak en oecumenische toenadering tot de katholieke kerk voorstond.

Vanaf begin jaren dertig bemoeide Van der Leeuw zich bovendien met bredere maatschappelijke discussies. Hij ontwikkelde zich tot criticus van de verzuiling, de ‘hokjes- en schotjesgeest’, die sinds de schoolstrijd het maatschappelijk-politieke leven in Nederland in de greep had. Een vergelijking met de door sociale media gecreëerde echokamers ligt voor de hand: deze bubbels zorgden voor een militante houding jegens andersdenkenden. Van der Leeuw ontwikkelde zich al vroeg tot criticus van deze versplintering. In het naoorlogse kabinet van herstel en vernieuwing diende hij korte tijd als minister van Onderwijs. Als voorman van de ‘doorbraak’ bepleitte hij afschaffing van het verzuilde omroepbestel en een actieve taak voor de overheid in het bij het gewone volk brengen van cultuur en kunst. De confessionele partijen smoorden dit in de kiem. De predikant als volksverheffer binnen en buiten de kerk

Van der Leeuws brede oecumenische blik wortelt in zijn vergelijkende godsdienstwetenschap, waardoor hij veel oog heeft voor het gemeenschappelijke tussen godsdiensten. Weliswaar is het christendom voor hem de apotheose; toch ziet hij de eigen waarde van eerdere, ‘primitieve’ vormen van godsdienst. Die ‘primitieve mentaliteit’, die antropologen ook bij andere premoderne culturen meenden op te merken, vormt zelfs de kern van zijn analyse – en van zijn kritiek op het moderne christendom. Dat moet naast de rationele vormen de primitieve, ‘mystieke participatie’ in rituelen en gemeenschap herontdekken; hij is daarbij sterk beïnvloed door de Franse filosoof en antropoloog Lucien Lévy-Bruhl (1857-1939). Cultus en cultuur zijn voor hem verschillende activiteiten, maar via ‘wegen en grenzen’ wel met elkaar verbonden. Van der Leeuw was geen gereformeerde van het type ‘wel in maar niet van de wereld’. Hij was in de negentiende-eeuwse ethische theologie geworteld, die het adagium ‘voor heel de kerk en heel de wereld’ huldigde: het had geen zin om kerk en cultuur kunstmatig te scheiden.

De taal van de ziel
Een jaar geleden startten we met onze themaserie over wat we noemden ‘Liturgisch bewustzijn’. Een thema waarover nog veel te reflecteren valt, en daarom gaan we in dit nummer nog even voort op het ingeslagen spoor. In het intro-artikel, een jaar geleden, noemde ik de naam van Gerardus van der Leeuw al. Hij zou bij uitstek iemand kunnen zijn, meldde ik toen, die ons wijzer kan maken met betrekking tot de vraag welke winst er nog te boeken valt als we eens ongeremd aandacht geven aan de mens als bezitter van een ziel – een ziel die misschien nog het meest in beweging komt wanneer ze geraakt wordt door een eigensoortige vorm van taal.

Taal, wellicht, zoals die uitgedrukt wordt in muziek, zang, rituelen. Ook als je kritisch bent op een (laten we zeggen) ritualistische benadering van geloof en liturgie – deze taal is immers niet zomaar, ongebroken, zonder meer geschikt om contact te maken met God zelf (dat zou magie zijn) – ook dan kan aandacht voor de ziel en voor de taal van de ziel wel degelijk helpen om te doordenken wat er dan precies gebeurt wanneer iemand zich aangesproken weet door God zelf. Misschien (ik denk het) leren we zo zelfs welke taal een gerichtheid op God zelf kan bevorderen, of: zo weinig mogelijk in de weg staan.

Wim de Jong laat in dit essay zien hoe Gerardus van der Leeuw bij zijn gedachten hierover de grote schare op het oog had, en niet slechts de verheven, stille elite-gelovige. In dit nummer laten we het ‘plus’, of het ‘tegoed’ van deze invloedrijke Nederlandse geleerde eens even ongeremd schitteren. Dat dit tegoed ook weer discussie losmaakt, zal dan in een volgend nummer van Wapenveld wel blijken.

Namens de redactie, Edward van ’t Slot


In zijn populaire boekje Balans van het christendom maakt Van der Leeuw de stand op van tweeduizend jaar christendom anno 1940, vlak voor de bezetting. Hier blijkt hoezeer voor hem nieuwe vormen in de kerk – liturgische vernieuwing – en in de bredere cultuur met elkaar verbonden zijn. De predikant ziet hij als een volksverheffer binnen de kerk, maar ook daarbuiten. Tot het eind van de middeleeuwen, aldus Van der Leeuw, was het christendom een gesloten, statische wereld geweest, waarin al het aardse naar het hemelse verwees. Daarna trad er een groot vermageringsproces in werking, onder invloed van Verlichting en Romantiek.

Ook het achttiende-eeuwse piëtisme, hoe vroom ook, ziet hij als uiting van modern individualisme, dat meer draait om het persoonlijk zielenheil dan om het hemelse. De positivistische ‘vermagering’ eindigt in het nihilisme dat hij ziet bij Kierkegaard en Nietzsche – voor de eerste resulteert dit in de sprong naar het geloof, voor de laatste in het met de hamer verbrijzelen van alles wat eraan herinnert.

In de twintigste eeuw ziet Van der Leeuw juist de opkomst van nieuwe religies, die de vacante plek van het primitieve, mystieke en onderbewuste uitbuiten – met het nationaalsocialisme als gevaarlijkste manifestatie: ‘Het vermageringsproces liet de mensheid zonder goden. De christenheid werd mensheid, de mensheid kudde. Nu zoekt de kudde herders: zij zoekt en vindt goden en halfgoden: bloed, land, volk, staat, leider.’ [2] Niet vreemd voor een cultuur waar er weinig meer overblijft behalve het spel: handelen met een doel dat ‘op zichzelf ook een geheel ander kan zijn’. Met afgrijzen memoreert hij hoe in de zomer van 1939 lange tijd de wereldgebeurtenissen minder aandacht kregen dan de Tour de France. [3]

Heel het lichaam
In dergelijke bespiegelingen, vol afkeer van een wereld waarin amusement steeds belangrijker wordt, toont zich de vooroorlogse elitaire cultuurpessimist, waar we nu vooral om kunnen gniffelen. Maar Van der Leeuw wijst spel en dans niet af: in zijn liturgische vernieuwing spelen deze zelfs een cruciale rol. De liturgie, het gebeuren tijdens de kerkdienst, draait juist om de dans, de beweging tussen God en mens. Het ritueel is ook een hogere vorm van spelen. Essentieel verschil voor hem met ‘lege’ vormen van entertainment is dat er een gedachte achter de rituelen zit – alles in de dienst moet draaien om het sacrament, het heiligen van en mystieke participeren hierin.

In zijn sneren naar de manier waarop het Nederlands protestantisme de liturgie heeft gereduceerd tot ‘een paar liedjes bij de preek’ uit zich de diepe overtuiging dat het in de religie gaat om heel het lichaam, dat deel moet hebben aan het mysterie, dat in de dienst present moet worden gemaakt. Iemand die zegt dat het in coronatijd niet uitmaakt of we lijfelijk kunnen participeren, omdat het immers om de ‘boodschap’ gaat, zou door Van der Leeuw onmiddellijk als ‘spiritualist’ worden gebrandmerkt.

Hij ziet de oecumenische en de liturgische beweging als uitingen van een nieuw kerkelijk besef. Hoe kan er tegen de ‘ontbinding’ in kerk en cultuur een revitalisering plaatsvinden van het christendom? Hij denkt dat de ontmoeting met God in de kerkdienst daarvoor het aangrijpingspunt is, als een ‘heilige werkelijkheid’, waar men de sacramenten aan elkaar kan bedienen. Nieuwe vormen zijn daarin essentieel, omdat de liturgie een levend organisme moet zijn. Een in oude vormen, of in verachting voor de vorm, gestrand christendom kan nooit een weg naar voren bieden.

Hij belandde hierover in een legendarische polemiek met de hervormde theoloog Oepke Noordmans (1871-1956), die vreesde dat de kern van de dienst – het prediken van het Woord Gods – verloren zou gaan wanneer esthetiek meer op de voorgrond zou treden, en het centrum weer, zoals Van der Leeuw wilde, gelegd werd in het avondmaal als kern van de cultus. De nadruk op de incarnatie mocht niet ten koste gaan van de prediking van het verlossende Kruis. Zoals hoogleraar liturgiek Marcel Barnard deze controverse treffend samenvat, ging het er in de kern om wat de rol van de predikant was: voor Van der Leeuw was de predikant primair priester, voor Noordmans primair profeet. [4]Het is niet altijd bal; niet iedere kerkdienst is inspirerend
Noordmans vreesde dat wanneer de hele dienst uit zou gaan van één groot principe, dat van de incarnatie van God in Jezus, dit uiteindelijk allemaal wel erg open en algemeen kon worden opgevat, en dat het ritueel de inhoud zou gaan verdringen. De inhoud hoeft echter niet achter de vorm te verdwijnen, zo denkt Van der Leeuw. Ritueel is nooit alleen het ritueel – het gaat altijd om de gedachte die eronder zit. Die komt pas tot uiting als de liturgie weer tot levende vorm wordt gewekt.

Om innerlijk te kunnen veranderen, is meedoen bovendien belangrijker dan met eindeloze woorden te worden bewerkt, zoals de calvinistische traditie eigen is. Hij bepleit daarmee niet om te gaan shoppen in liturgische tradities, met als resultaat een allegaartje van gebeden en formules uit de vroege kerk tot elementen uit de katholieke mis. Wel roept hij op tot herstel van aspecten van de cultus die te lang verwaarloosd zijn, zoals esthetiek, lichamelijkheid, en participatie.

Als het goed is moet een tentoonstelling, een concert of kerkdienst, iets bewerkstelligen. Anders wordt het een soort betekenisloos kietelen. Voor de gereformeerde is het doel heiliging – de mens moet worden getransformeerd door wat er in de kerk, maar ook in het museum of in de ontmoeting gebeurt. De inzet van Van der Leeuw is aan de ene kant hoger en aan de andere kant lager dan dat: in zowel de cultuur in den brede als in de cultus moet het esthetische niveau omhoog. Dat kan leiden tot verheffing, maar ook simpelweg tot mystieke participatie. Nadat we een tentoonstelling hebben bezocht, kunnen we niet altijd uitleggen hoe de kunstwerken die we daar zagen onze blik op de wereld hebben veranderd; een kerkdienst is soms ook gewoon prettig om aan deel te nemen, gemeenschap te ervaren en te participeren in een soms eeuwenoud ritueel. 

Tussen deze beide visies valt overigens heel goed een verbinding te leggen. Het calvinistische idee dat je van een kerkdienst in ieder geval iets moet hebben geleerd, of als het kan volledig ‘gesticht’ thuiskomt – dat kan ook van een bezoek aan de Kunsthal – leidt  ertoe dat we de lat hoger leggen. Maar het is niet altijd bal – en niet iedere kerkdienst kan zo inspirerend zijn. De waarde zit hem dan vooral in de herhaling van het ritueel. Op een ongemerkte manier biedt die wel een bodem waardoor een volgende ontmoeting wél betekenisvol is. Dit zou je kunnen vergelijken met het dagelijkse gesprek met een vriend, die tijdens de lockdown steeds even langskomt: er is niet altijd zoveel te melden, maar de band verdiept zich toch, en de wat prozaïschere ontmoetingen zijn het cement voor de meer betekenisvolle.

De verrassing kan dus, ironisch genoeg, ook komen op het moment dat je dingen altijd op dezelfde manier doet. De vaste vormen kunnen twee kanten hebben: die van de sleur, van gedachteloze conventie; ze kunnen ook door de rust die ze bieden de ruimte geven voor meer betekenis. Iets vergelijkbaars gebeurt als we een boek herlezen, nóg een keer kijken naar dezelfde film. Net als in Van der Leeuws godsdienstwetenschap valt dit op te vatten als het opschorten van het oordeel: fenomenologie is in de eerste plaats de verschijnselen op je laten inwerken. Alleen als je de betekenis niet te snel binnen wilt halen, maar verdieping toestaat door beter te kijken, openbaart die zich. Zo is het met teksten, maar ook met rituelen.

Verfrissend
Liturgische vernieuwing is een problematisch gegeven, omdat we altijd heen en weer worden geslingerd: niets zo conservatief als de liturgie, zegt Van der Leeuw. We hebben stabiele rituelen nodig om betekenis te geven, te structureren, ankerpunten in ons leven te hebben – anders gaat alles stromen, en is identiteit niet meer mogelijk. Juist omdat wij en de wereld om ons heen aldoor veranderen, hebben we behoefte aan dingen die we steeds hetzelfde doen. De doop is een ritueel dat onder andere zijn kracht ontleent aan het feit dat we het al twee millennia doen: we voegen ons in een stroom. Het van generatie op generatie gebruiken van hetzelfde doopformulier heeft daardoor enerzijds iets moois en verdiepends. Maar tegelijkertijd kan creativiteit, door een ander formulier te gebruiken, de ervaring ook verdiepen, en voorkomen dat de ervaring betekenisloos wordt.

Op een vergelijkbare manier zagen veel mensen corona als een verfrissende doorbreking van de liturgie van het dagelijks leven, van de afstompende rituelen die dreigden te verworden tot een litanie. We worden erdoor stilgezet bij de vraag waarom we de dingen eigenlijk zo doen als we ze doen. Voor anderen was en is corona juist de volkomen uitwissing van tijd en structuur: een eindeloze tweede pinksterdag. De vrees is daar juist dat de oude vormen niet terugkomen, met het verlies van een gekoesterde gemeenschap, bijvoorbeeld op kantoor, tot gevolg. 

Van der Leeuw formuleerde zijn visie van ‘eenheid des levens’ in een tijd waarin het christendom nog dominant was in de Nederlandse samenleving. Al rond zijn dood in 1950 tekende zich echter af wat hij reeds voorvoelde. De naoorlogse jeugd kreeg steeds meer belangstelling voor sportverenigingen en de verfoeide jazzbars, in plaats van voor volksdans en religieuze jeugdbewegingen. Vanaf begin jaren zestig brak de liturgische vernieuwing echt door. Het is de vraag hoe Van der Leeuw daar tegenaan had gekeken: in katholiek Nederland ging het erg hard. Door de beatmis en het strippen van de santenkraam bleef er steeds minder van het mysterie over. Cabaretier Herman Finkers merkte op dat in zijn jeugd een mis op gegeven moment leek op een les maatschappijleer. In 2017 organiseerde hij onder veel belangstelling een klassieke gregoriaanse mis met alles erop en eraan, uitgezonden op de nationale televisie. De premier deels als predikant en volksopvoeder

Vermoedelijk zou Van der Leeuw ook dubbele gedachten hebben bij de liturgische vernieuwing in protestants Nederland, waar het samenstellen van de liturgie soms wel erg postmodern aandoet. Meer nog zou hij constateren dat het ‘hoogliturgische’ gek genoeg een wel erg elitaire bedoening is geworden. De nieuwe vormen, die tot doel hebben de dienst esthetisch op te tillen, hebben als effect dat het gemene volk er niet altijd meer de aansluiting bij kan vinden. Als sociaal-democratische verheffer vond hij dat het hele volk erbij moet worden betrokken – nu is het liturgische een elitaire subcultuur geworden, die bovendien moeilijk op volgende generaties over te dragen valt. De primitieve mentaliteit, met zijn directe mystieke betrokkenheid op het geheel, zien we eerder terug in evenementen als The Passion. Als Bach-adept zou hij daar misschien van gruwen, maar bij nadere beschouwing ook zien hoe hier, ondanks het geseculariseerde karakter ervan, toch iets van mystieke participatie te ontwaren valt.

Het meest actueel is evenwel het aspect van volksverheffing in brede zin. Programma’s als De wereld draait door hebben het idee van culturele verheffing weer helemaal salonfähig gemaakt; de angst voor bevoogding hebben we definitief achter ons gelaten. Honderd jaar na het begin van zijn loopbaan ziet onze samenleving zich bovendien gesteld voor hetzelfde probleem als Van der Leeuw: hoe houden we de samenleving bij elkaar, in een tijd van online subculturen, filterbubbels en ‘fabeltjesfuiken’? Welke gezamenlijke rituelen passen daarbij? In dat licht blijft zijn werk, wanneer het stof van acht decennia eraf wordt geblazen, onverminderd relevant.

Rituele persconferenties
Barnard constateert een ritualisering van onze cultuur: er zijn eindeloze feesten en festivals met ruime belangstelling, waar soms (semi)religieuze rituelen en liturgieën een rol in spelen. [5] In de liturgieloosheid van de coronapandemie is ‘pretpark Nederland’ weggevallen. In de plaats hiervan kwamen – waarschijnlijk tijdelijk – de rituele persconferenties, die ook volgens een vaste liturgie verlopen. De minister-president opereert hierin ook deels als predikant en volksopvoeder. Je zou kunnen zeggen dat dit, door het wegvallen van de subculturele liturgietjes, een tijdelijk herstel is van ‘de eenheid des levens’ waar Van der Leeuw het over heeft – een vorm van gezamenlijkheid in de bestrijding van een nationale crisis, die ongekend is in een tijdperk van individualisering.

In kerkelijk Nederland heerst de angst dat mensen, wanneer de pandemie voorbij is, de kerk niet meer zullen weten te vinden, en het ‘vreemde sterven’ van het Nederlandse christendom erdoor zal worden versneld. Gesteld dat dit inderdaad gebeurt – en hetzelfde geldt overigens voor theater, bioscoop en voetbalstadion – dan kunnen we met die constatering twee kanten op. De ene, steil gereformeerde, visie zou zijn dat hiermee is aangetoond dat dit geen verlies is. Blijkbaar betrof het hier gewoontechristenen; of in termen van het concertgebouw, het waren geen échte operaliefhebbers, maar snobs die alleen aanwezig waren om te zien en gezien te worden; gelegenheidssupporters. Dat soort deelnemers ben je als culturele instelling, afgezien van het financiële aspect, liever kwijt dan rijk.

Van der Leeuw kijkt hier anders naar. Als mensen blijkbaar de rituelen in dit specifieke gebouw, met deze gemeenschap, deze gewaden en lichamelijke nabijheid, nodig hebben om kerk of cultuur te zijn, dan toont dat alleen maar meer aan hoe belangrijk de liturgie voor ons is – en dat de spiritualistische ‘boodschap’ alleen niet genoeg is. Kerken, voetbalclubs en bioscopen zullen moeten omzien naar een vernieuwing van hun liturgische repertoire, en nóg creatiever moeten worden, om mensen weer te lokken. Ook voetbalclubs moeten wellicht aan liturgische vernieuwing doen

Van der Leeuw zag daarbij goed dat alle middelen ‘kunnen meewerken ten goede’, om het eens bijbels te zeggen: de esthetiek, de inhoud van een stevige preek, het prachtige zingen en de gewaden, het kan allemaal worden ingezet. Ook dit geldt breder: wellicht zijn seizoenskaarten alleen nog te slijten wanneer voetbalclubs ook aan liturgische vernieuwing gaan doen, bijvoorbeeld doordat er meer gebeurt tijdens een wedstrijd dan de soms povere kwaliteit van wat er op de mat gelegd wordt. In de wereld van de klassieke muziek wordt er al langer geëxperimenteerd met nieuwe vormen om een jonger publiek te trekken, bijvoorbeeld door strijkkwartetten op Lowlands – die daar enthousiast worden ontvangen. Dit soort vergelijkingen tussen kerk en cultuur zijn voor Van der Leeuw niet te profaan: kerk en cultuur, kunst en religie, het staat allemaal met elkaar in verbinding.    

Voor hem was er wel een eigenheid aan het religieuze domein, en die was de notie dat God Mens is geworden in Christus. Hoe we daar ook tegenaan kijken, het betekent sowieso dat het essentieel is om goed te bedenken wat het eigene en bijzondere is aan wat een kerk of theater doet. Als een vorm uit een ander domein wordt gebruikt, moet dit altijd gebeuren vanuit een idee over wat we in eredienst, concert of toneelstuk aan het doen zijn, wat die activiteit wil delen of overbrengen: ‘in plaats van een voze sleur, en individualistische willekeur, trede de bewuste toepassing’.[6] De sleur is door corona wel effectief doorbroken. Maar als er iets opviel in de zomer van 2020, tussen de twee lockdowns in, dan was het hoezeer mensen genieten van rituelen en lijfelijk samenzijn, van een familiefeest tot een congres of kerkdienst. Die behoefte blijft.

Dr. W. de Jong is historicus en politiek filosoof. Hij is gespecialiseerd in burgerschap, democratie en onderwijs, waarover hij in 2020 het boek Civic education and contested democracy. Towards a pedagogic state in the Netherlands post 1945 publiceerde.

  1. https://www.protestantsekerk.nl/verdieping/pasen-pinksteren-corona-verwachtingstijd/.
  2. Balans van het christendom 1940, p. 66.
  3. A.w., 40.
  4. Marcel Barnard, De dans kan niet sterven. Gerardus van der Leeuw (1890-1950) herlezen (Zoetermeer: Meinema 2004) 86.
  5. Barnard, De dans kan niet sterven, p. 98.
  6. Gerardus van der Leeuw, Liturgiek, p. 13.