Hokjes, vakjes

De invloed van psychiatrische classificaties

Abstract

Ik ben te gast op een brainstormbijeenkomst van een nieuw op te richten GGZ-instelling voor jongeren. Mijn groepje houdt zich bezig met het thema ‘ervaringsdeskundigheid’. Eén van de deelnemers is een leuke, jonge vrouw die bezig is met een opleiding tot ervaringsdeskundige. De uren hiervoor zijn we druk bezig geweest met belijden dat alles anders moet in de GGZ: het is tijd voor circulariteit, voor normalisering en voor een systemische, holistische aanpak waarin gelijkwaardigheid tussen patiënten en hulpverleners centraal staat. Tijd voor een nieuwe taal ook, waarin niet meer gesproken wordt over patiënten maar over (en dan wordt het lastiger) deelnemers, fellows of misschien wel huisgenoten.

Ik probeer me te focussen op het gesprek, maar merk dat ik mijn psychiaterbril maar moeilijk af kan zetten. Ik vraag me af wat de diagnose is van de ervaringsdeskundige. Ze is goed verzorgd, helder van bewustzijn, kan zich goed concentreren en is afgestemd op de anderen in het gesprek. Ze oogt opgewekt, heeft haar impulsen onder controle en de inhoud van haar denken is verre van waanachtig. Ook van bijwerkingen van medicatie geen spoor. Zou ze een bipolaire stoornis hebben maar inmiddels lange tijd stabiel zijn zonder medicatie? Of heeft ze in het verleden eenmalig een psychose doorgemaakt? Die vragen blijven me tot mijn eigen ergernis de hele sessie bezighouden, er is iets onopgelost zolang ik het antwoord niet weet. Zozeer zelfs, dat ik het uiteindelijk maar gewoon met haar bespreek.

Waarom is het voor mij zo belangrijk om te weten hoe er in psychiatrische termen over deze vrouw gedacht wordt? Wat zou ik daarmee precies te weten komen? Hoe verandert het mijn beeld van haar als ik ze ken? En hoe had ik haar gezien als ik niets had geweten van haar psychiatrische voorgeschiedenis? Ik beschouw mezelf als een psychiater die holistisch denkt, verder kijkt dan DSM-classificaties1 en goed in staat is 'de mens achter de patiënt' te zien. Maar vandaag blijkt maar weer hoezeer ik houvast haal uit die classificaties en hoe ze mijn blik en denken beïnvloeden. Wat voor dingen zijn psychiatrische classificaties eigenlijk? En hoe beïnvloeden ze ons denken?

Psychiatrische classificaties uit het DSM-5 handboek zoals depressie, ADHD en autisme zijn volledig ingeburgerd geraakt. Waar de DSM oorspronkelijk is ontwikkeld als handboek voor het uitvoeren van wetenschappelijk onderzoek, zijn de DSM-classificaties later overgenomen door psychiaters, psychologen en verzekeraars en inmiddels zodanig gepopulariseerd dat praktisch iedereen wel eens het woord ‘autist’ of ‘ADHD’er’ in de mond neemt. In dit proces is gaandeweg ook de betekenis van de classificaties veranderd. De makers van de DSM zijn helder over de status van de classificaties: ze zijn niets anders dan samenvattende beschrijvingen, en niet onbelangrijk, er wordt expliciet gewaarschuwd de classificaties niet als ‘oorzaak’ te gaan zien van hetgeen ze feitelijk beschrijven.   

Oftewel: een depressieve stoornis is geen oorzaak van somberheid maar een beschrijving. Evenzo is ADHD geen veroorzaker van drukte maar een beschrijving ervan. Dit geldt voor alle psychiatrische classificaties. Toch zeggen zowel zorgprofessionals als leken geregeld: ‘Ik heb ADHD, daarom ben ik zo druk’, of ‘Je anorexia maakt dat je jezelf altijd te dik vindt', of ‘Je depressie zorgt ervoor dat je niet van dingen kan genieten’.

Dit artikel komt een jaar na publicatie beschikbaar. Neem een abonnement als je het hele artikel nu al wil lezen.