Als je drinkt, denk aan de bron

Spirituele vorming, overdacht vanuit de levensfilosofie van Nietzsche

Abstract

We leven in een tijd van toenemende versnelling en economisering en daaruit resulterende exploitatie van mens en aarde. Vragen deze tendensen niet om een tegenwicht in de vorm van een verdiepte geestelijke of spirituele vorming? Een van de eersten die zich op dit vraagstuk radicaal hebben bezonnen was Friedrich Nietzsche. Als jong hoogleraar klassieke talen hield hij begin 1872 aan de Universiteit van Bazel een reeks van vijf voordrachten onder de titel Über die Zukunft unserer Bildungsanstalten. Hij overdenkt daarin de neergang van de ‘Bildung’ in zijn dagen, zoals hij die aan het gymnasium en de universiteit ervaart.

Hoewel hij over de mogelijkheid van verandering pessimistisch is en zijn concrete voorstellen beperkt blijven, geeft hij wel een elementaire richtlijn als hij in de tweede voordracht betoogt dat alle vorming daarmee begint ‘dat men in staat is het levende als levend te behandelen. Je zou dit de categorische imperatief kunnen noemen van de revolutie in de filosofie, die inzet tegen het eind van de 19e eeuw en zich ontplooit in de vorm van het project van een radicale fenomenologie van het leven.

Gemeenschappelijk aan het denken van een Nietzsche en Dilthey, Bergson en Husserl is de bezorgdheid over het verval van de filosofie en het verlangen haar te vernieuwen door het geheel van het leven in de beschouwing te betrekken. Naast de aandacht voor miskende bouwstenen van het leven, is het besef van het omvattende van het geheel essentieel. Want de interesse verplaatst zich van het objectiveerbare naar het onvatbare en van het maakbare naar het gegevene. Ik zal in dit essay de richtlijn van Nietzsche tot leidraad nemen voor een basale bezinning op de aard van de spirituele vorming waar onze tijd om vraagt en mij daarbij op deze wending concentreren. Een fenomeen als levend behandelen, betekent dat niet in diepste zin het gevende ervan in acht nemen?

Nietzsches richtlijn gaf mij het volgende beginsel in. Terwijl de teneur van de maakbaarheid  ons ertoe brengt het leven nog slechts als materiaal voor zelfverwerkelijking te beschouwen, vraagt een spirituele vorming onze aandacht voor het gevende in de bouwstenen en de spanningsboog van het leven. Niet voor niets gaat in de wijsgerige herbezinning de aandacht naar fenomenen uit die de traditie hooguit als middel van het intellect beschouwde, terwijl ze wezenlijk meer zijn dan dat: lichaam, taal en tijd. Neem het raadsel van de tijd. We zeggen wel: ik zal tijd voor je maken. Daar is praktisch gezien niets mis mee, maar we doen er de tijd geen recht mee. Tijd maken wil zeggen: tijd inruimen. We kunnen alles uit de tijd wegdenken, zegt Kant, maar de tijd zelf wegdenken, dat lukt niet. Tijd is een gegevenheid waar we ons niet alleen naar te voegen hebben, maar waar wij ons ook op kunnen verlaten. De tijd geeft daadwerkelijk in de zin dat hij van binnenuit heel ons bestaan, elke bestaansverhouding, pas mogelijk maakt.

Van dit engagement met het gegevene dat we zijn en niet louter hebben, getuigt ook Nietzsche in zijn lezingen. Hij komt namelijk tot zijn richtlijn: in staat zijn het levende als levend te behandelen, in het kader van een kritische bezinning op het taalonderwijs, op de beoefening van het – wat taal betreft – gegevene bij uitstek: de moedertaal. Wel gaat het grootste deel van zijn aandacht nog pas uit naar de wijze waarop de leerling veeleer wordt vervormd dan gevormd. Ik zal dan ook eerst een indruk geven van zijn cultuurkritiek en aansluitend de herkomst aanstippen van het woord ‘Bildung’, om daarna het belang in de vorming van de dimensie van ‘gegevenheid’ te belichten.

Dit artikel komt een jaar na publicatie beschikbaar. Neem een abonnement als je het hele artikel nu al wil lezen.