Terug naar de basisvragen

De Nieuwe Bijbelvertaling in perspectief

Abstract

Twintig jaar geleden legden we na het werk aan de Nieuwe Bijbelvertaling (NBV) de pen neer. Ik had er als hebraïcus van 1993 tot 2002 aan gewerkt. Na die tijd heb ik de NBV gebruikt en gebruikt zien worden. Voor Wycliffe/SIL ben ik betrokken bij vertaalprojecten in verschillende werelddelen, en ik heb geprobeerd bij te blijven in de vertaalwetenschap. Met die ervaring terugkijkend op de NBV plaats ik haar nu in een breder perspectief en neem ik dingen waar die ik niet zag toen ik deel uitmaakte van het NBV-team. Toen het Nederlands Bijbelgenootschap (NBG) aan oud-vertalers vroeg om suggesties voor de revisie te doen, heb ik tientallen bladzijden ingestuurd…

Tijdens mijn sollicitatie bij het NBG kreeg ik een groen boekje toegestuurd met daarin de uitgangspunten voor de nieuwe bijbelvertaling. Daarin stond dat de Bijbel vertaald moest worden ‘volgens de principes en inzichten van de vertaalwetenschap’. Het was helder wat daarmee bedoeld werd. Wat de vertaalwetenschap had opgeleverd aan ervaringen en richtlijnen voor begrijpelijk, trouw en natuurlijk vertalen, moest toegepast worden op het vertalen van de Bijbel. Er konden en mochten voor bijbelvertalen geen aparte regels bestaan.

Die zin uit het groene boekje was typerend voor de linguïstische vertaalwetenschap die de toon aangaf tot halverwege de jaren ’80. Vertalen werd gezien als een taalkundige operatie waarbij betekenis zo adequaat en natuurlijk mogelijk moest worden overgebracht naar de doeltaal. Natuurlijk was er vaak geen een-op-een equivalent mogelijk. Dan moest de betekenis eerst worden gedecodeerd, ontleed in componenten en vervolgens gerecodeerd. Veel van deze inzichten waren voor het bijbelvertalen vruchtbaar gemaakt door Eugene Nida. Zijn bedoeling was dat de boodschap op de hoorders van nu hetzelfde effect zou hebben als op de oorspronkelijke ontvangers. Toen deze dynamisch-equivalente methode tot excessen leidde – Nieuwe Testamenten driemaal zo dik als het origineel – werd ze toegespitst en omgedoopt tot functioneel-equivalent.

Uit de opvatting van vertalen als een taalkundige operatie vloeide logischerwijs de stelling voort dat ‘vertalen aan de theologie voorafgaat’. We kunnen het ons haast niet meer voorstellen, maar deze optimistische visie werd breed gedeeld. Mijn SIL-collega Terry Schram vertelde mij dat hij in de jaren ’60 in Utrecht wilde promoveren op het Oude Testament om zich beter toe te rusten voor het vertalen van de Bijbel. Niemand minder dan Cameron Townsend (‘Uncle Cam’, de oprichter van Wycliffe/SIL) vond dat overbodig: ‘Linguistics will do the trick.’ Terry deed het trouwens toch.

In het eerste jaar deed het NBV-team ervaring op en werkte de uitgangspunten om tot concreet toepasbare vertaalprincipes. Dat gebeurde onder leiding van vertaalwetenschappers die nog in de linguïstische traditie stonden. Een tekst moest worden vertaald naar een tekst, en alle inhoudelijke en formele aspecten (register, stijl, lexicon) moesten functioneel worden weergegeven. Voor wie we dit deden, was van minder belang. Doelgroep was een vies woord. De hoop was dat door deze benadering onvruchtbare tegenstellingen uit het verleden konden worden overstegen. In wezen was deze benadering een reductie van Nida’s werk, omdat hij de socio-culturele inbedding van zowel de hoorders als de vertaler uitdrukkelijk thematiseerde en wij als NBV’ers die wegfilterden. In sommige opzichten was Nida zijn tijd vooruit.

Dit artikel komt een jaar na publicatie beschikbaar. Neem een abonnement als je het hele artikel nu al wil lezen.