Redactioneel

In de verhitte debatten over kunstmatige intelligentie kun je op je klompen aanvoelen dat we nog niet helder hebben wat er nu echt aan de hand is. Zoals wel vaker bij discussies over technologie zijn de standpunten nogal voorspelbaar. Sommigen bejubelen nieuwe technologie, terwijl anderen er al snel een toren van Babel in zien. Je zou willen dat we taal vinden om wat bedachtzamer met de uitdagingen van onze cultuur om te gaan.

In deze Wapenveld doet de techniekfilosofe Martijntje Smits een voorstel. Ze heeft in haar proefschrift een zogeheten monstertheorie uitgewerkt om te begrijpen wat nieuwe technologie met ons doet. Monsters zijn ambivalenties in onze cultuur; bijvoorbeeld dingen die zowel natuur als cultuur zijn. Smits heeft in haar proefschrift gewerkt aan de casus van plastic afval. Plastic hoort bij de categorie van de materialen die kunnen worden omgevormd tot voorwerpen. Maar tegelijk zijn het ook geen echte materialen zoals hout en steen omdat ze zijn gefabriceerd. Deze ongemakkelijke plek van plastic in onze symbolische orde verklaart waarom we plastic afval ervaren als probleem. ‘Er bestaat zoiets als een door de cultuur bemiddelde waarneming van milieuproblemen.’ In het interview met Smits wordt duidelijk dat deze monstertheorie ook nieuw licht werpt op onze jaarserie ‘In de schaduw van catastrofes’.

Een van de aanbevelingen van Smits is deze: dat wij net als in oude culturen gebeurde eerst eens rustig om onze monsters heen lopen. En ze niet meteen dienen te gaan vereren of uitdrijven. We moeten durven vragen naar de ideologieën die ons onbewust in de greep houden. Bij Smits loopt dat uit op een pleidooi voor de commons, de gedeelde schapenweide, die door het kapitalisme werd tenietgedaan.

Ook de naam van de filosoof Hannah Arendt valt in het interview. Ze bepleit het belang van politiek handelen. ‘Arendt maakt onderscheid tussen handelen en maken, waarbij het handelen pas ten volle toont wie we als mens zijn. Tegenwoordig is politiek ook een vorm van maken geworden. In dat maken zit het utopische. Maar handelen duidt erop dat we altijd opnieuw kunnen beginnen. We kunnen ontsnappen aan de megamachine.’

Daarmee zijn we als vanzelf aangekomen bij het cadeau dat Rabobank-topman Dirk Duijzer bij zijn pensionering aanbood aan zijn collega’s: de vertaling van het proefschrift van Hannah Arendt over het liefdesbegrip bij Augustinus. Arendt beluistert bij deze kerkvader en filosoof een poging de naaste niet als middel maar als doel in zichzelf te zien. Later zal ze haar proefschrift doorontwikkelen en betogen dat menselijk samenzijn nooit louter functioneel mag worden opgevat, terwijl dat gevaar wel dreigt in een technocratisch bestuur. 

In dit nummer plaatsen we drie bijdragen die laten zien dat het christelijk geloof juist in een onaangepaste en tegendraadse vorm van grote waarde is. Allereerst zijn er de twee bekende onruststokers in de christelijke traditie: de Fransman Blaise Pascal en de Deen Søren Kierkegaard.

Dit jaar is het 400e geboortejaar van Pascal, de geniale wis- en natuurkundige. Hij is vooral bekend geworden door zijn Pensées, een opsomming van aforismen en losse paragrafen. Bart Jan Spruyt laat ons aanvoelen hoe Pascal in zijn afkeer voor systematiek ons ongenadig bij de kladden pakt. André Groenendijk schrijft in navolging van Kierkegaard over ons moderne zelf. Daar zijn we op gesteld; we koesteren wie we zelf zijn, maar juist deze houding kan ons ook eenzaam maken. Menno van der Beek vertaalde voor Wapenveld een artikel over Septologie van Jon Fosse. Fosse pakt de uitdaging op om het christelijk geloof consequent te denken vanuit gemis en rouw. Pascal, Kierkegaard en Fosse zijn getuigen van een christelijk geloof dat de onrust van de ziel niet te boven komt.

In dit nummer van Wapenveld verwelkomen we een nieuwe columnist: Maria Groen-Blokhuis. Haar debuut smaak naar meer!