Verlangen naar geborgenheid

Een christelijk-sociale reflectie op maatschappelijk onbehagen

Bewakingscamera’s en intelligente deurbellen rukken op in de Nederlandse woonwijk. En tegelijk laten onderzoeken zien dat inbraken helemaal niet toenemen. Er is meer aan de hand. Onderhuids  sluimert er maatschappelijk onbehagen dat iets te maken heeft met secularisering en de ik-gerichtheid in de samenleving. De christelijke traditie biedt een hoopvol alternatief. Staan we aan de vooravond van een sociale omwenteling?

In 2021 ontving het beveiligingsbedrijf Verisure de Loden Leeuw voor het meest irritante televisiespotje. Er bestaan verschillende varianten van dezelfde reclameboodschap. Telkens zeggen een man en vrouw tegen elkaar dat ze zo lekker slapen nu ze een alarmsysteem en bewakingscamera hebben. Bang voor inbrekers zijn ze niet meer. Verisure informeert ook graag over de vele duizenden inbraken in provincies. Wat het bedrijf er niet bij vertelt, is dat het aantal geregistreerde inbraken al jaren daalt.[1]

Dit komt deels door een beter slot op de deur. Veiligheidsmaatregelen werken, maar waarom toch het verlangen naar meer: nog geavanceerder bewakingscamera’s en alarmsystemen? Voor de hand liggende verklaringen zijn dat mensen zenuwachtig worden gemaakt over de kans op inbraak en dat slimme verkooptrucs tot het aanschaffen van veiligheidsproducten aanzetten. Toch is er meer aan de hand. Onder de hedendaagse hang naar veiligheid liggen ambigue emoties van onbehagen, onzekerheid en verlies van controle, die verder gaan dan angst voor inbraken. Criminaliteit is wel een brandpunt voor dit type gevoelens. Aan inbrekers kan tenminste iets worden gedaan door de juiste maatregelen te nemen.

De hypothese van dit artikel[2] is dat de voortdurende roep om veiligheid in Nederland meer te maken heeft met een gebrek aan vertrouwen in de morele kwaliteit en richting van onze samenleving dan met harde cijfers. Grote groepen mensen snakken naar de geborgenheid van gemeenschappen en omzien naar elkaar. De existentiële dimensie van dit verlangen maakt van maatschappelijk onbehagen een ‘sociale kwestie’, een term die Abraham Kuyper op het eerste Christelijk-Sociaal Congres in 1891 muntte. Hij doelde hiermee op de onhoudbaarheid van een tegenwoordige toestand die verklaard kan worden uit ‘een fout in de grondslag zelf van ons maatschappelijk samenleven’. Bij Abraham Kuyper draaide het om de slechte omstandigheden waarin arbeiders leefden en werkten.[3] Gevoelens van onbehagen en, samenhangend, onzekerheid en onveiligheid zijn de sociale kwestie van onze tijd. Ook op deze sociale kwestie moet ‘architectonische maatschappijkritiek’ worden geleverd. Er is meer aandacht nodig voor de spirituele en morele lagen van samenleven. De overheid heeft hierbij de taak recht te doen en rechtvaardige verhoudingen na te streven. Christelijk-sociaal denken biedt aanknopingspunten.  

Een gevoel van onbehagen
Ondanks serieuze zorgen over georganiseerde misdaad en nieuwe vormen van digitale criminaliteit gaat het goed met aangiften van traditionele delicten, waaronder inbraak. Tegelijk lijkt het aantal tv-programma’s en nieuwsberichten over criminaliteit te stijgen. We leven in een angstige samenleving.  Toch spreken criminologen in binnen- en buitenland over een crime drop. Waarom de criminaliteit daalt, is niet helemaal duidelijk. Zoals gezegd werkt een degelijk slot op de deur. Daarnaast is het aantal drugsverslaafden dat delicten pleegt afgenomen, en veel jongeren zitten liever thuis achter hun smartphone of spelcomputer dan dat zij op straat rottigheid uithalen. Al die politieke en maatschappelijke aandacht voor veiligheid is dus niet vanzelfsprekend. Dat geldt zowel voor criminaliteit als voor verkeersveiligheid, en ook grote rampen komen gelukkig sporadisch voor. Ieder slachtoffer is er een te veel, maar door de bank genomen is Nederland best veilig.Samenleving in moreel verval? Een illusie

   Juist vanwege de hoge mate van veiligheid in ons land is het mogelijk dat mensen het laatste restje onveiligheid niet kunnen verdragen. Hoe beter het gaat, hoe heftiger de reactie als er onverhoopt iets misloopt of dreigt te lopen. Daar zit een kern van waarheid in, maar dit gevoel van onveiligheid kent meerdere facetten.  Wetenschappelijk onderzoek toont aan dat mensen zich over het algemeen veilig voelen in hun eigen buurt. Angstgevoelens en onveiligheidsbeleving hebben vooral betrekking op de morele staat van onze samenleving.[4] Opvallend genoeg blijkt uit grootschalig onderzoek ook dat percepties over een samenleving in moreel verval op ‘een illusie’ berusten. Er is geen empirisch bewijs dat omgangsvormen drastisch zijn verslechterd. Slavernij en wreedheid werden in het verleden meer getolereerd.[5] Het lijkt erop dat achter het maatschappelijk onbehagen over veiligheid en fatsoen vooral emoties van verlies en onzekerheid schuilen.

De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid stelt onbehagen, onzekerheid en gebrek aan persoonlijke controle voor als een vervloeiende inktvlek.[6] Onbehagen over dat het slecht gaat met de samenleving hangt sterk samen met individuele omstandigheden. Tegenwoordig gaat het vaak specifiek over afnemende bestaanszekerheid: het minder vanzelfsprekend zijn van voldoende stabiliteit in inkomen, huisvesting, onderwijs, zorg en andere basale behoeften. Over het algemeen scoren mensen met een lagere opleiding of een lager huishoudinkomen relatief vaak hoog op onbehagen en onzekerheid. Zij ervaren een afnemende controle of grip op het leven en hebben het idee dat zij niet langer meetellen in de maatschappij.[7] Het zijn precies dit type kwetsbare groepen waarover Abraham Kuyper zich eind negentiende eeuw druk maakte in zijn kritiek op het ondeugdelijke fundament van de moderne samenleving. 

Afnemend basisvertrouwen
Nederland staat internationaal nog altijd bekend als high-trust society, maar dat vertrouwen staat de laatste tijd stevig onder druk.  In een treffende scène uit de hitserie De Luizenmoeder stelt juf Ank dat mensen zich niet langer onderdeel voelen van een groter geheel, waardoor zij vertrouwen hebben in een goede afloop en in elkaar. Met haar opmerking wijst juf Ank op de ondermijning van basisvertrouwen: het gevoel dat je als mens gezien en gehoord wordt. Als het goed is, krijgt een kind dit type vertrouwen van de ouders of opvoeders mee. Tegelijk is basisvertrouwen op het macroniveau van de samenleving een belangrijke factor. Als het gevoel gedragen te zijn door een gemeenschap, door iets groters en hogers dan jijzelf, wegvalt, heeft dat negatieve consequenties. Want op een goed moment, zegt juf Ank, hebben we ‘allemaal de onweerstaanbare drang om elkaar […] de hersens in te slaan’. Zeker bij groepen die zich gemarginaliseerd voelen ontstaan emoties van afkeer, woede en wraak.[8] En daarmee zijn we weer terug bij het thema veiligheid.

Merk hierbij nogmaals op dat de term ‘veiligheid’ meerdere betekenissen kent. Meestal gaat het in het publieke debat om veiligheid in juridische zin: het ‘voorkomen van schade en verlies’ en het ‘vrij zijn van gevaar’. We moet elkaar op een goed moment inderdaad niet de hersens inslaan. Tegen dit gevaar kunnen eenvoudig maatregelen worden getroffen. Neem de beveiligingsproducten van Verisure. Daarnaast zijn huisregels en gedragsregels in een café of supermarkt populair. Die regels geven aan hoe mensen zich behoren te gedragen. Al berust de klacht over moreel verval in historisch perspectief op een mythe, toch is het niet altijd vanzelfsprekend wat fatsoenlijke omgangsvormen zijn. Waar juf Ank over spreekt heeft bovendien te maken met een diepere laag van veiligheid die door de gepercipieerde verruwing van omgangsvormen heen sijpelt. Veiligheid draait niet slechts om bescherming tegen elkaar, maar ook om bescherming door elkaar. Mensen willen zich onderdeel weten van beschaafde sociale verbanden. Met deze existentiële laag is momenteel iets grondig mis. Dat zien we terug in een gebrekkig basisvertrouwen en sluimerend maatschappelijk onbehagen.

Sociologen wijzen op verschillende ontwikkelingen die aan deze situatie hebben bijgedragen. Door individualisering zijn mensen meer als ‘ik’ dan als ‘wij’ in de samenleving komen te staan. Dat zorgt voor veel vrijheid, maar ook voor veel veiligheidsmaatregelen die deze vrijheid in het gareel moeten houden. Als mensen allemaal hun eigen gang mogen gaan, moet immers worden voorkomen dat zij elkaar niet constant voor de voeten lopen of schaden. Voorts gaat technologische vooruitgang niet altijd met verbetering gepaard. Denk aan de opkomst van sociale media die onbehagen, onveiligheid en angst alsmaar aanwakkeren. Instagram, X en Facebook creëren bubbels van gelijkgestemden van waaruit haatberichten naar andersdenkenden worden gestuurd.

Daarnaast menen veel burgers dat politici geen visie meer hebben en dat er te veel macht naar de Europese Unie gaat. Ook heeft globalisering van de wereld een dorp gemaakt dat niet iedereen als knus ervaart. De wereld en het leven lijken steeds sneller te gaan – veranderingen die mensen niet allemaal even goed kunnen bijhouden. Terwijl een relatief kleine bevoorrechte kaste, David Goodhart noemt hen anywheres (‘overal-mensen’), gemakkelijk op de golfen van globaliseringsprocessen meesurft, bestaat er een grote groep somewheres (‘ergens-mensen’) die hier moeite mee heeft.[9] Zij hechten aan worteling, familie, natie en conservatieve waarden, waardoor vreemde invloeden snel bedreigend kunnen zijn. Populistische partijen spelen handig op dergelijke sentimenten in en vergaren een grotere aanhang nu de kloof tussen ‘winnaars’ en ‘verliezers’ zich verder verdiept.

Secularisering en securitisering
Op dit punt aangekomen is het interessant om wat langer stil te staan bij een door sociologen minder besproken ontwikkeling die de opkomst van maatschappelijk onbehagen kan verklaren: het verband tussen secularisering en existentiële veiligheid. Secularisering in smalle zin heeft betrekking op ontkerkelijking – een ontwikkeling die in Nederland gemakkelijk aan te tonen is. Meer dan vijftig procent van de bevolking geeft aan niet langer bij een religieuze gezindte te horen. Maar secularisering omvat meer dan het aantal mensen dat de kerk of God de rug heeft toegekeerd. Het betekent ook dat ijkpunten van de westerse beschaving aan het wankelen zijn gebracht. Volgens de Pools-Britse filosoof Zygmunt Bauman leven we in een ‘vloeibare moderniteit’[10]: een moderniteit zonder richting, zonder inspirerende ideologieën, zonder aansprekende ideeën en zonder morele horizon. Aanhoudende verwarring en onzekerheid zijn ons deel.

Deze wankeling van het ‘maatschappelijk gebouw’, om bij Kuyper te blijven, wakkert wederzijds wantrouwen aan. Zoals aangestipt moet in het vrijgevochten Nederland iedereen kunnen doen wat hij wil, tenzij je daardoor iemand schade berokkent. Een collectief idee over wat goed burgerschap is, wordt snel weggewuifd als fatsoensrakkerij. Wat overblijft, zegt Hans Boutellier, is een dunne ‘negatieve publieke moraal’ die benadrukt wat mensen niet willen: slachtoffer worden van wangedrag, pijn en vernedering.[11] Onveiligheid en lijden moeten worden voorkomen. Deze houding draagt eraan bij dat mensen elkaar vanuit wantrouwen gaan benaderen. Als de ander altijd een potentieel gevaar vormt, is dat weinig vertrouwenwekkend.Bewakingscamera's lossen het onbehagen niet op

De neiging om maatschappelijke problemen in toenemende mate door een veiligheidsbril te zien wordt met een lelijk woord ‘securitisering’ genoemd. Deze securitisering is het spiegelbeeld van secularisering. Securitisering (een obsessief streven naar veiligheid) en secularisering (de teloorgang van God en van grote verbindende verhalen) zijn communicerende vaten. Hoe minder mensen zich onderdeel voelen van een groter en richtinggevend geheel, hoe meer zij zich bezighouden met het uitbannen van allerlei risico’s.[12] De welhaast religieuze trekken van hedendaags veiligheidsdenken gelden zowel het altaar dat we voor een gulzige controlestaat hebben opgericht als voor onze devotie inzake cijfers en voorspellers. Net als het bestaan van God berusten zulke statistieken eerder op vermoedens en waarschijnlijkheden dan op waterdicht bewijs. Toch klampen mensen zich steeds steviger vast aan computermodellen en algoritmen. Maar risicocalculaties, verzekeringen en bewakingscamera’s lossen het onderliggende onbehagen niet op. Sterker nog, de enorme zucht naar controle en risicobeheersing heeft bijgedragen aan tragedies zoals de toeslagenaffaire. Het is tijd om anders te gaan kijken.

Een christelijk-sociaal perspectief
De christelijke traditie biedt aanknopingspunten voor een alternatief perspectief op onveiligheid en onbehagen. Daarvoor springen we terug naar de zestiende eeuw, de tijd van de Reformatie. In die tijd maakte Maarten Luther zijn onderscheid tussen securitas en certitudo.[13] De term securitas duidt op iets als ‘zonder zorg zijn’ en de ‘afwezigheid van pijn’. Hier gaat het om aardse veiligheid en zekerheid, peace of mind en psychologische rust. In juridische zin zijn die vrede en rust ook gebaseerd op staatsmacht: de veiligheid die de overheid haar burgers biedt. In dit verband ging het eerder al om veiligheid in negatieve zin. Het geweldsmonopolie verwijst naar beschermd zijn tegen iets of iemand.

De middeleeuwse kerkvader Augustinus sloeg securitas, een door wereldse machthebbers gegarandeerde vorm van veiligheid, niet erg hoog aan. Volgens hem zijn we uiteindelijk alleen veilig bij God. Een voortdurende hunkering naar zekerheid en veiligheid draagt volgens Augustinus bij aan een te grote afhankelijkheid van instituties en systemen die bescherming moeten bieden. Een mens zonder zorg is echter een wensgedachte die nooit kan worden vervuld. Niemand is ooit helemaal veilig. Mensen zijn kwetsbare wezens en het kwaad blijft in de wereld en in ieder van ons bestaan. Ook onderstrepen Augustinus en Luther dat mensen van tevoren nooit honderd procent zeker weten of zij door God gered zullen worden. Het is enkel hopen op genade. 

Daarom hechten christelijke denkers veel waarde aan de notie van certitudo, geloofszekerheid die gepaard gaat met het basisvertrouwen dat ieder mens door zijn of haar Schepper geliefd is en bemind wordt. Het is dus niet vreemd dat ‘vertrouwen’ en ‘geloof’ in de Bijbel haast synoniem zijn. Geloven is je vertrouwen stellen op God. Je verlaat je op – of vertrouwt je toe aan – iets dat jouwzelf overstijgt. Zo krijgt veiligheid een positieve connotatie: het bevorderen van relatie, van verbondenheid en van geborgenheid. Jezus gebruikt het beeld van schapen en een herder. Schapen vertrouwen op de herder, omdat zij zich veilig en geborgen voelen bij hem. En de veiligheid die Jezus belooft gaat veel verder dan het aardse hier en nu.

Nieuw sociaal verbond
Beatrice de Graaf schrijft dat Karel de Grote als bestuurder ook in zijn tijd werd geconfronteerd met rampen, oorlogen en pandemieën. In reactie hierop riep hij zijn onderdanen op tot gezang, gebed en het doen van goede werken. Daarna pas nam hij ‘veiligheids- en voorzorgsmaatregelen die ons wat praktischer in de oren klinken’.[14] Natuurlijk zou het volkomen naïef zijn wanneer de overheid geen veiligheidsmaatregelen meer zou nemen en de politie zou opheffen. Zoals in Romeinen 13 staat, draagt de overheid ‘het zwaard niet tevergeefs’. De overheid moet het kwade bestrijden, recht verschaffen, bestaanszekerheid garanderen en een schild voor de zwakkeren zijn. Deze manier van denken geeft echter geen volledig antwoord op maatschappelijk onbehagen en bestaansonzekerheid die samenhangen met afnemend basisvertrouwen en een erosie van sociale (ver)binding. Ook in een seculiere samenleving moeten politiek en bestuur voldoende oog hebben voor de existentiële dimensies van het bestaan.Er moet worden samengewerkt, omdat mensen kwetsbaar zijn

Niet toevallig is er onlangs veel aandacht ontstaan voor de stroming van het personalisme, dat individuen als sociale en spirituele wezens opvat die alleen tot hun recht kunnen komen binnen gemeenschappen van werk, gezin, buurt en kerk (zie ook Maurits Potappel in Wapenveld 73/4). De samenleving bestaat niet slechts bij gratie van juridische contracten en zakelijke gedragsregels, maar ook bij een moreel en spiritueel verbond. Er moet worden samengewerkt, omdat mensen kwetsbaar zijn, naar geborgenheid verlangen en willen bijdragen aan het collectieve goed(e).[15] Nederland heeft, zogezegd, nood aan een nieuw sociaal verbond[16] dat wordt gevormd door een grote verscheidenheid aan gemeenschappen. Gelukkig zijn er in ons land nog altijd veel vrijwilligers en verenigingen actief en komen nieuwe initiatieven als broodfondsen en energiecoöperaties op, maar deze vitale verbanden moeten wel worden onderhouden en versterkt. Daar ligt een uitdaging.

Zo bezien genereert onbehagen over een tanend middenveld niet enkel destructieve krachten van afkeer, woede en wraak. Onbehagen stimuleert ook positieve inzet: het telkens weer creëren van mogelijkheden van burgers om hun capaciteiten te benutten en dromen te realiseren binnen het overkoepelende maatschappelijke systeem. Naast een rechtvaardige overheid is hiervoor gemeenschapsvorming nodig die begint bij persoonlijke contacten, soms letterlijk op straat. Maar, zoals Trineke Palm terecht stelt, ‘een goede gemeenschap overstijgt de eigenliefde’.[17] Leden horen niet alleen voor elkaar te zorgen en hun eigen deelbelangen na te streven. Zij zijn onderdeel van het bonum commune, het algemeen belang. Florerende cirkels van vrijwilligers, verenigingsleden en kerkgangers kunnen niet zonder nationale en zelfs internationale oriëntatie.

De worteling en geborgenheid die deze lokale gemeenschappen bieden vormen het hart van een ‘gedeeld wij’, van wederzijdse relaties tussen burgers. Moraal is het samenbindende cement en we hoeven niet eens heel erg ons best te doen om dat te zien. Mensen kunnen concurrenten zijn, maar kunnen ook – en minstens net zo veel – samenwerken.[18] We hebben elkaar nodig, waarbij omzien naar de zwakkeren en kwetsbaren een bijzondere opdracht is. Bovendien creëert denken vanuit een ‘gedeeld wij’ het basisvertrouwen dat nodig is om mensen op allerlei manieren te laten meedoen ten gunste van elkaar, met als startpunt wat bindt, niet wat verdeelt. Een ‘wij’ draait in essentie om een manier van denken, een mentaliteit en een handelswijze gericht op herstel van verbinding. Verschillende politieke partijen hebben bestaanszekerheid en gemeenschapsdenken weer nadrukkelijk op de agenda gezet. Staan we aan de vooravond van een sociale omwenteling? Laten we in ieder geval hopen dat na woorden ook daden volgen. 

Dr. R. van Steden is universitair hoofddocent Bestuurswetenschappen en Politicologie aan de VU en senior onderzoeker bij het Nederlands Studiecentrum Criminaliteit en Rechtshandhaving.

  1. www.cbs.nl/nl-nl/longread/rapportages/2022/veiligheidsmonitor-2021
  2. Dit artikel is gebaseerd op een lezing die ik op 18 maart 2023 te Utrecht uitsprak bij de presentatie van mijn boek Het onbehagen van juf Ank op het jaarcongres van de Stichting voor Christelijke Filosofie.
  3. Erik Borgman, Vertrouwen in de scheppende kracht van de liefde: architectonische kritiek als antwoord op de angst, Christen Democratische Verkenningen, 1, 2015, p. 100-107.
  4. Remco Spithoven, Keeping trouble at a safe distance: unravelling the significance of the ‘fear of crime’, Den Haag: Eleven, 2019.
  5. Adam M. Mastroianni & Daniel T. Gilbert. The illusion of moral decline, Nature, 618, 2023, p. 782-799.
  6. Will Tielemeijer & Anne-Greet Keizer, Onzekerheid, maatschappelijk onbehagen en persoonlijke controle: een conceptuele en empirische analyse, Den Haag: WRR, 2023.
  7. Marnix Eysink Smeets, Onrust begrijpen begint bij anders kijken: een veiligheidspyscholgisch perspectief op maatschappelijke onrust, Utrecht: CCV, 2022.
  8. Andrés Rodríguez-Pose, The revenge of the places that don’t matter (and what to do about it), Cambridge Journal of Regions, Economy and Society, 11, 2018, p. 189-209.
  9. David Goodhart, The road to somewhere: the new tribes shaping British politics, Londen: Penguin, 2017.
  10. Zygmunt Bauman, Liquid modernity, Cambridge: Polity Press, 2000.
  11. Hans Boutellier, Solidariteit en slachtofferschap: de morele bekentenis van criminaliteit in een postmoderne cultuur, Nijmegen: SUN, 1993.
  12. Peter L. Bernstein, Against the Gods: the remarkable story of risk, New York: John Wiley & Sons, 1996.
  13. Andrea Schrimm-Heins, ‘Gewissheit und Sicherheit: Geschichte und Bedeutungswandel der Begriffe certitudo und securitas’ Teil I). Archiv für Begriffsgeschichte, 34, p. 123-213, 1991; Andrea Schrimm-Heins, ‘Gewissheit und Sicherheit: Geschichte und Bedeutungswandel der Begriffe certitudo und securitas (Teil II). Archiv für Begriffsgeschichte, 35, 1992, p. 115-213.
  14. Beatrice de Graaf, Waar zijn we bang voor?: een religieus-theologische benadering van veiligheid, Amsterdam/ Groningen: PThU, 2014.
  15. Roel Kuiper, Moreel kapitaal: de verbindingskracht van de samenleving, Amsterdam: Buijten & Schipperheijn, 2009.
  16. Uiteraard met een knipoog naar de politieke partij van Pieter Omzigt, Nieuw Sociaal Contract, die alleen naar de juridische relatie tussen overheid en burger verwijst.
  17. Trineke Palm, Echt gemeenschapsdenken is ook loslaten van het ‘ik’ en van wat we hebben, Opinie in Trouw, 20 september 2023.
  18. Jonathan Sacks, Moraal: waarom we haar nodig hebben en hoe we elkaar kunnen vinden, Utrecht: Kok, 2020.