Tussen recht doen en waarheidsvinding
De recensie is jubelend. In juni 1915 bespreekt de New York Tribune de tweede roman van een jonge schrijver. Het verhaal speelt in een weinig bekende migrantengemeenschap. In hun kolonie tussen de Grote Meren, het verre achterland van New York, heersen middeleeuwse toestanden.
Een groep migranten mist alle aansluiting bij de moderniteit en zit gevangen in de kluisters van een achterlijke religie. Ze volgen blindelings een buitenlandse haatprediker en ‘extreme fanatici’ onder hen dromen van de stichting van een eigen heilstaat. ‘Moedig’ is de jonge schrijver die zich aan dit milieu heeft weten te ontworstelen en de inktzwarte kanten van de massa-immigratie aan de orde durft stellen.
Twee vormen van journalistiek
En zo houdt deze republikeinsgezinde Amerikaanse krant van een eeuw geleden, u raadt het al, óns een spiegel voor. De migranten zijn namelijk Nederlandse kolonisten in Michigan, hun achterlijke religie is het calvinisme en de buitenlandse haatprediker (‘theocratic demagogue’) is niemand anders dan onze eigen Abraham Kuyper (1837-1920), niet lang daarvoor nog premier van alle Nederlanders.[1]
In zijn hoogtijdagen, de jaren rond 1900, reikt Kuypers wetenschappelijke, kerkelijke en politieke invloed inderdaad tot ver buiten Nederland. Hij is de eerste Nederlandse premier die zich internationaal profileert, die met de Duitse keizer en andere Europese vorsten dineert, en eigenlijk altijd wel in het nieuws is.
Maar het langst is hij actief in een rol waar het hier om gaat: die van journalist, de meest vooraanstaande van het land zelfs. In die rol schrijft hij voor zijn eigen krant en voor andere Nederlandse bladen, zelfs in Franse en Amerikaanse. En inderdaad: zijn boeken en zijn weekblad De Heraut worden ook in migrantenkringen grif gelezen.
In de genoemde roman, Bram of the Five Corners, besluit de hoofdpersoon – ‘Bram’ verwijst onmiskenbaar naar Kuyper – ook journalist te worden. Niet toevallig is de schrijver, Arnold Mulder (1885-1959), de gereformeerde Hirsi Ali die zich aan dit verstikkende milieu heeft weten te ontworstelen, zelf ook die weg gegaan. Net als Hirsi Ali is hij de zoon van een geestelijke, en aanvankelijk is Mulder bestemd voor het predikantschap.[2]
Bij zijn romanfiguur is het ‘het blinde en bittere verzet tegen de vooruitgang’ (het staat er echt) dat hem doet besluiten van zijn roeping af te zien en voor de journalistiek te kiezen. Zo kan hij dagelijks de zegeningen van wetenschap en vooruitgang prediken voor ‘duizenden, in plaats van eens per week voor een paar honderd mensen die in het duister leven en weigeren tot het licht te worden geleid’.
Een moedige realist, prijst de recensent de jonge schrijver: zo ontzaglijk is de taak voor wie wat verlichting wil brengen in het leven van deze immigranten met hun ‘al lang verloren strijd van onwetende vroomheid tegen de wetenschap’.
De grap is natuurlijk dat Kuyper zelf deze stap al veel eerder heeft gezet. En dat hij wetenschap en journalistiek niet ziet als afweermiddel, maar als aanvalswapen. Waar Mulder droomt met journalistieke middelen wat licht te werpen in de religieuze duisternis, daar is Kuypers ideaal een overtreffende trap. Bij hem gaat de moderne journalistiek om niets meer of minder dan de slag om de publieke opinie, de ziel van de natie, de vorming van de hele samenleving.
Twee verwante, maar ook tegengestelde ideeën over de moderne journalistiek staan hier dus tegenover elkaar. Noem het liberale versus betrokken journalistiek. Daar wil ik een paar gedachten aan wijden.
Calvinisme
Hoewel begonnen als predikant en lang actief als theoloog, smeedt Kuyper al vroeg plannen voor een eigen dagblad. Ze monden in 1872 uit in De Standaard, de krant waarmee hij inderdaad een grote invloed op het publieke debat zal uitoefenen. Meer dan een halve eeuw lang, van 1869 tot zijn dood in 1920, is hij als journalist actief, langer dan in enige andere publieke functie. Ook bij hem is het de drang om duizenden te verlichten in plaats van enkel een kerkelijke gemeente. Alleen pakt zijn boodschap wat anders uit dan die van zijn Amerikaanse tegenvoeter.
Bij Kuyper draait alles om het moderne pluralisme, dat mogelijk gemaakt wordt door de nieuwe burgerrechten – en in dat pluralisme zoekt hij zijn kracht. Hij gaat op zoek naar macht en invloed namens een bevolkingsgroep die hij haast uit het niets weet te scheppen, dankzij een frontaal media-offensief. Zijn halve eeuw wordt bepaald door de gestage doorwerking van de grondwetsherziening van 1848, waarin de fundamentele burgerrechten centraal staan die we nog altijd als ‘normaal’ beschouwen. En Kuyper is de man die de nieuwe orde omarmt en naar zich toe weet te halen.Kuyper begrijp je beter als een radicale vernieuwer
Wie hem alleen als ‘back to religion’ ziet, als conservatief en retro, heeft dat niet goed begrepen. Kuyper begrijp je beter als een radicale vernieuwer, iemand die de moderniteit belichaamt en maximaal benut. Zelf is Kuyper van meet af aan een uitgesproken democraat – voorvechter van algemeen kiesrecht en van niets zo doordrongen als van de urgentie van de sociale kwestie – als nog geen enkele liberaal dat aandurft. Aanvankelijk betitelt hij zijn democratische pluralisme als ‘christelijk liberalisme’, naar het voorbeeld van zijn politieke held, de Britse liberale leider William Gladstone.
Totdat hij in 1873 op het calvinisme stuit. Hij put daarvoor uit de nationale en internationale gereformeerde traditie – wat hem onder meer naar Amerika voert – om die vervolgens radicaal nieuw leven in te blazen. Calvinisme wordt bij Kuyper geen zompig religieus eiland, maar een moderne politieke en maatschappelijke beweging, niet oud, maar nieuw, niet passief, maar in een bijna leninistische zin actief.
Zijn doel is niets minder dan een ommezwaai op nationaal niveau (en internationaal, maar aan Engeland en Amerika kan hij hooguit een beetje morrelen). Die wil hij bevechten met democratische en journalistieke middelen, met gebruik van de nieuwe burgerrechten én dus volmondige erkenning van de rechten van anderen, ook joden, atheïsten en socialisten. Met deelname aan alle nationale organisaties waaraan hij maar kan deelnemen, om ze van binnenuit te bestoken met een eigen geluid.
Doorbraak van de massamedia
Niets heeft Kuyper daarom zo beziggehouden als juist de journalistiek. Vriend en vijand roemt hem als de ‘grootste’ Nederlandse journalist ooit en de onbetwiste leider. Waarom vond Kuyper journalistiek dan zo belangrijk? En was het wel journalistiek wat hij deed, of eigenlijk gewoon propaganda?
Om te beginnen: jawel, het ging hem echt om de dagelijkse journalistieke praktijk. Al bij de opening van de Vrije Universiteit in 1880 – eerder dan wie ook, zelfs internationaal – pleitte hij voor een universitaire studie journalistiek. En noemde hij journalistiek een ‘macht in de natie’, een autonome professie met een zelfstandige rol in de samenleving.
Journalistiek is het slagveld waarop de publieke meningsvorming zich afspeelt en moet daarom vrij en onafhankelijk zijn. De moderne journalistiek vormt het hart van het publieke debat. In Kuypers theorie – die hij ontvouwde in een vijftigtal essays, als enige voor de Tweede Wereldoorlog en als een witte raaf in een wereld van pragmatici – is journalistiek een autonome kring die zichzelf bestuurt en waarin andere machten niets te zoeken hebben. Maar ook in zijn theoretische essays vertrekt hij consequent vanuit de dagelijkse praktijk: bij nieuwsgaring en selectie, bij hoe je een krant maakt.[3]
Hoewel Kuyper zijn eigen dagblad opricht – en zijn volgelingen over het hele land in zijn spoor richtingenbladen scheppen – ziet hij de journalistiek als één professie. Anders dan de mythe van de verzuiling ons wil doen geloven, richt hij dan ook geen eigen zuil op: hij zou wel gek zijn. Hij is als bestuurslid actief in de eerste Nederlandse journalistenvereniging, de NJK, en vormt die als voorzitter (1898-1901) welbewust om tot een vakorganisatie. Wat zoveel wil zeggen als: de werkgevers en hoofdredacteuren eruit, journalisten hebben zelf hun vak vorm en richting te geven. Een gezonde journalistieke sector is autonoom, vindt Kuyper, en zo kijkt hij ook internationaal naar de journalistiek. Niet toevallig oriënteert hij zich ook qua journalistieke ontwikkelingen ver buiten de Nederlandse grenzen.
De doorbraak van de moderne massamedia is een hoofdthema op de wereldtentoonstellingen rond 1900, en natuurlijk is Kuyper daar regelmatig te vinden. Vrijwel alle wereldtentoonstellingen hebben een ‘maison de la presse’, een internationaal perscentrum. Ook die van Amsterdam in 1883, waar in het perspaviljoen journalisten uit het hele land elkaar voor het eerst ontmoeten en de NJK oprichten.
Op de legendarische wereldtentoonstelling van Parijs,1900 – waar de uitvinding van de film centraal staat – treedt Kuyper op als ambassadeur van de Nederlandse journalistiek. Bij de opening zit hij in een loge vlakbij de Franse president, in wiens cortège hij zich die dagen bevindt.
Worldview
In 1901 vormt hij zijn kabinet en geeft hij als ‘journalist-minister’ tientallen interviews aan Nederlandse en vooral buitenlandse journalisten. Kuyper is niet alleen de eerste premier, de eerste vaste leider van een kabinet, hij is ook de eerste die zo uitdrukkelijk de journalistiek bedient.
Tal van journalisten, vooral buitenlandse correspondenten, ontvangt hij in Den Haag en allemaal wandelen ze terug naar hun hotel met het verhaal dat de Nederlandse premier de journalistiek liefheeft. In die jaren tref je hem als modern politicus aan op de voorpagina’s van de grote kranten van Parijs tot New York – een nogal ander beeld dan die recensent in 1915 van hem heeft.
Kuyper had weinig belangstelling voor religie als enkel een cultureel fenomeen (‘Godsdienst is een menschelijk verschijnsel; een sentiment van het mystieke dat in den mensch steekt’, zei hij als premier in de Kamer).[4] Zoals betoogd in inmiddels een aardig aantal dissertaties, waaronder een paar Amerikaanse, was Kuyper daarentegen de uitvinder van ‘worldview’, het besef dat ons wereldbeeld vooraf gaat aan onze rede en daarmee aan al onze strevingen en ook aan onze wetenschap.[5]Voor Kuyper hing journalistiek nauw samen met zijn pluralisme.
Dat is ook de kern van zijn bijdrage aan de journalistiek. Kuyper is zich ervan bewust dat neutrale journalistiek niet bestaat. Met name in de artikelenserie ‘Het Vrije Woord’ (1895) legde hij de fundamenten van een journalistieke theorie waarin alles draait om onafhankelijke meningsvorming. Journalistiek is voor hem een publiek debat tussen verschillende stromingen die verschillende beginselen voorstaan. Journalistiek is dus de slag om de publieke opinie – de andere nieuwe ‘macht in de natie’ die hij onderscheidt naast die van de journalistiek en daarmee als een Siamese tweeling verbonden.
Opmerkelijk is daarbij zijn beschouwing over de interactie tussen publiek en journalistiek. In een aantal cruciale passages in Het Vrije Woord geeft Kuyper zich rekenschap van die wederzijdse afhankelijkheid. Journalistiek en publiek staan in dezelfde maalstroom van ideeën en het publiek is evenzeer actor geworden in de moderne samenleving. Journalistiek bestaat bij de gratie van de waarden die ze deelt met haar publiek, betoogt Kuyper.
Voor Kuyper hing journalistiek nauw samen met zijn pluralisme. Goede journalistiek gaf uitdrukking aan leidende beginselen, die op hun beurt de uitdrukking waren van een plurale samenleving. Journalistiek en pluralisme waren dus onlosmakelijk verbonden.Â
Het vrije geweten
De onherroepelijke keuzes die journalisten maken hangen samen met die verbondenheid tussen pluralisme en journalistiek, betoogt Kuyper in Het Vrije Woord. De menselijke waarneming is namelijk niet waardenvrij: ‘In alle waarneming mengt zich een subjectief element, en dat subjectieve element maakt partijdig, en tegenover zo partijdige voorstelling heeft de wederpartij behoefte aan een tegen-voorstelling.’ Zelfs al biedt een krant enkel een nieuwsselectie, dan nog is elke keus subjectief. Journalisten zijn onherroepelijk bevooroordeeld: ze kunnen niet anders.
Die vooroordelen of ‘tendens’ zijn echter niet willekeurig, maar vloeien voort uit een ‘hoger motief’. En daarmee zijn we terug bij Kuypers beginselen, ofwel fundamentele ideeën. Die vormen in zijn theorie het vertrekpunt van de verschillende stromingen en daarmee van de journalistieke organen die deze stromingen vertegenwoordigen. Niet gedeelde belangen sturen de journalistiek, maar gedeelde waarden en idealen. En om die wederzijdse betrokkenheid van publiek en journalistiek is het Kuyper te doen. Alleen betrokken journalisten kunnen woorden geven ‘aan wat in het hart van zulk een groep omgaat’.
In Kuypers theoretische beschouwingen vallen dus de trekken van een ‘advocacy model’ (Michael Schudson)[vi] te ontwaren dat tegenwoordig wordt weergegeven met ‘betrokken journalistiek’ (Taco Rijssemus).[vii] Tegelijk is Kuyper explicieter in zijn keuzes. Meer dan bij Rijssemus heeft de betrokkenheid voor Kuyper een aanwijsbare basis. Die ligt voor hem in de universele notie van het menselijk geweten. Het geweten, ‘de laatste schuilplaats van de vrije man, het innerlijkste van zijn persoonlijkheid’, vormt de directe verbinding van het hart met de ‘orde van een hogere wereld’.
Het geweten verwijst naar een ‘zedelijke wereldorde’, ontleent hij al in 1871 dankbaar aan de humanist Allard Pierson (1831– 1896), die hij ondanks hun religieuze verschillen als een geestverwant beschouwt. En dankzij die ethisch-morele wereldorde is ons denken en handelen allesbehalve neutraal, laat staan objectief. Geen objectieve, maar betrokken journalistiek was daarom het ideaal van Kuyper.
De objectieve school
En daarmee valt eindelijk het andere woord. Objectieve journalistiek en ‘objectief’ het nieuws brengen zijn misschien wel de meest gebezigde woorden van de afgelopen eeuw.
Het is ook geen onzin. Zoals de auteurs van de meest gebruikte journalistieke gids op aarde – van journalisten, voor journalisten – stellen: objectiviteit slaat natuurlijk niet op de inhoud, maar op het proces, op het journalistieke ambacht. De Amerikaanse journalisten Bill Kovach en Thom Rosenstiel laten in hun bestseller The Elements of Journalism zien, hoe in de VS al vanaf de jaren ’20 – en in Europa na de Tweede Wereldoorlog – de objectieve school opgang maakte.[8] Met ‘objectief’ doelden journalisten dan op de elementaire onderzoeksdeugden die je van wetenschappers kon leren: kritisch en onafhankelijk bronnenonderzoek, je feiten op orde, gewoon het nieuws brengen en dat consequent scheiden van opinie. Ook oefenden ze zich in het onderscheid tussen neutraliteit – die ook volgens hen niet bestaat – en onpartijdigheid en onafhankelijkheid, wat uitdrukkelijk wel journalistieke deugden zijn.Zakelijke boodschapper van het harde nieuws, en verder niets.
Gaandeweg de eeuw ontwikkelde zich daaruit een journalistiek die meer doet denken aan het ideaal van Bram of the Five Corners: liberale journalistiek, progressieve ook, journalistiek die pretendeerde de werkelijkheid te doorgronden en haar publiek met dat inzicht op te voeden. Meer en meer kwam de nadruk te liggen op strikt feitelijk nieuws, met nog wel steeds oog voor de kritische functie, die van ‘waakhond van de democratie’.
Maar haast onvermijdelijk ontstond daarmee ook een verzakelijking, waardoor ‘objectieve journalistiek’ steeds meer synoniem werd met afstandelijkheid. Het publiek krijgt het nieuws en de feiten netjes voorgeschoteld, en daarmee basta, verder zoeken ze het maar uit. Liberale en progressieve journalistiek werd seculiere journalistiek: niet langer idealistisch, maar slechts de zakelijke boodschapper van het harde nieuws, en verder niets.
De ziekte van de objectiviteit
Rond de eeuwwisseling verhieven steeds meer journalisten daartegen hun stem. In de toch al niet vrolijk gestemde bundel over de neergang van de Amerikaanse journalistiek, Will the Last Reporter Please Turn out the Lights uit 2011, staat een gepassioneerde bijdrage van de Amerikaanse buitenlandcorrespondent Chris Hedge. Zijn titel laat weinig te raden over: The Disease of Objectivity. Naar objectiviteit strevende journalistiek is letterlijk ziek, betoogt hij, ‘a moral disease’.[9]
Het tijdperk van de objectieve journalistiek is uitgelopen op haar tegendeel: een kille vorm van journalistiek die enkel nog de machten van deze wereld bedient. Wat zichzelf presenteert als objectieve journalistiek, laat de waaromvragen achterwege en bevestigt telkens de gevestigde belangen, ook als die meer kwaad dan goed aanrichten. Objectieve, afstandelijke journalistiek heeft een gapende morele leegte geschapen en laat het grote publiek in de kou staan, het ergst op de plaatsen waar mensen lijden onder onrecht en geweld.
Objectieve journalistiek is voor Hedge synoniem geworden met ontspoorde, cynische journalistiek die het publiek al te lang in de kou heeft laten staan. De afstandelijkheid heeft zodoende vrij baan gemaakt voor nieuwe populistische vormen, die wel direct het publiek proberen aan te spreken, zoals in Amerika nieuwszender Fox News en in Nederland de commerciële zenders. Maar daarmee raken we van de regen in de drup. In dit nieuwe populisme tellen ook feiten niet meer en is alles geoorloofd om het publiek te misleiden. Die ontsporing is mogelijk gemaakt door ‘objectieve’ journalistiek, volgens Hedge.
Subjectiviteit
Aan de debetzijde pleitte Hedge voor een nieuwe betrokkenheid van journalisten. Voor een verslaggeving die zich baseert op commitment en recht doen, voor journalisten die betrokken durven zijn en zaken als onrecht en machtsmisbruik bij hun naam durven noemen. Die durven kiezen voor hun publiek en niet voor andere belangen.
Als inspirerend voorbeeld noemt hij de Britse correspondent Robert Fisk, met zijn gepassioneerde verhalen uit het Midden-Oosten voor The Independent en The Times. Objectiviteit heeft voor hem radicaal afgedaan, betrokkenheid en gerechtigheid is wat telt in de journalistiek. En daarmee zijn we terug bij de ‘profetische’ functie die ook volgens Kuyper de journalistiek al vanaf den beginne had.De vraag is natuurlijk: welke subjectiviteit?
Als in de afgelopen eeuw de toon is gezet door de objectieve journalistiek, dan zijn we nu in een tijd beland waarin van journalisten blijkbaar iets anders wordt gevraagd: meer betrokkenheid en meer persoonlijke inzet. Een goede journalist is subjectief, betoogde Rob Wijnberg al bij de oprichting van De Correspondent in 2012. De afstand tot het publiek moet worden gedicht, de eigen inzet moet omhoog. Objectief is uit, subjectief is in. De vraag is natuurlijk: welke subjectiviteit?
Een van de meest verrassende uitkomsten van mijn promotieonderzoek naar de journalistiek van Kuyper betrof de door hem ontwikkelde normatieve theorie, die dicht bij die van Wijnberg ligt.
Betrokken journalistiek
Wat we van Rob Wijnberg en Taco Rijssemus leren, is een vorm van betrokken journalistiek die je kunt zien als een correctie op – niet zozeer een tegenbeweging tegen – de objectieve school. De ‘objectieve’ methode, bronnen en feiten, kritisch onderzoek, de waakhondfunctie en maatschappelijke verantwoordelijkheid blijven recht overeind. En toch is er een correctie nodig, die van kille en afstandelijke journalistiek weer een maatschappelijk betrokken beroep maakt.
Internationaal is de paraplu waaronder deze warme, gecommitteerde vorm van journalistiek samenschoolt ‘betrokken journalistiek’ gaan heten, involved journalism. Eerder ‘involved’ dan ‘engaged’ – dat is toch te veel een activistisch idee, stammend uit een tijd waarin journalisten maatschappijkritisch ‘engagement’ als hoogste ideaal zagen. Progressieve, linkse journalistiek, het beeld dat – meestal ten onrechte – journalisten nog altijd met zich meedragen.
Waarin verschilt betrokken journalistiek? Op grond van het voorgaande valt wel een schets te geven van een idee dat nog in de kinderschoenen staat.[10]
De school van de objectieve journalistiek heeft lang de toon aangegeven. Waar ze verbonden dreigde te worden met noties als distantie en desinteresse, daar legt betrokken journalistiek alle nadruk op het subject. Tegelijk wil betrokken journalistiek niet minder objectief zijn in haar methoden en verantwoording, zoals kennistheoretisch onderbouwd in de enige Nederlandstalige dissertatie die tot dusver erover verscheen: De rekbare waarheid. Over de objectiviteit van betrokken journalistiek van Taco Rijssemus (2014). Betrokken journalistiek wil daarmee geen afbreuk doen aan de verworvenheden van de objectieve school, maar wel een verrijking bieden.Een journalist is dus nooit neutraal
De klemtoon op het subject heeft twee kanten. Allereerst is er de persoon van de journalist, die niet op afstand blijft staan toekijken maar ziel en zaligheid in de ring gooit, inclusief de eigen kijk op de werkelijkheid. ‘Een goede journalist is subjectief,’ is de stelling van Rob Wijnberg. Een journalist is dus nooit neutraal maar bekent openlijk kleur, inclusief eigen overtuigingen en levensbeschouwing, en is empathisch, vanuit een persoonlijke betrokkenheid op het onderwerp.
Eigenheimer
Aan de andere kant, wat journalisten verslaan is niet een object, een voorwerp van nieuwsgierigheid, maar een subject, mensen van vlees en bloed. Betrokken journalistiek probeert mensen recht te doen en tegelijk in de waarheid te leven (Václav Havel). Waarheidsvinding blijft het grote gebod van alle goede journalistiek, maar recht doen is voor betrokken journalisten precies even belangrijk.Â
Het aardige is, voor mij dan, dat de grondslagen voor deze ‘betrokken journalistiek’ al ruim vóór 1900 door een bijzondere eigenheimer werden gelegd. Ik had niet voor mogelijk gehouden dat een negentiende-eeuwer – en dan nog uitgerekend hij, toch al extreem breed geprofileerd – zulke tijdloze inzichten over de nog maar net ontstane professie zou hebben geformuleerd.
Want let wel: Kuyper behoorde internationaal tot de eerste generatie journalisten überhaupt. Het laatste kwart van de negentiende eeuw was het tijdperk van ‘the Invention of Journalism’ tout court.[11]
Aan alle andere claims – er zijn er talloze – kan dus deze worden toegevoegd: dat Kuyper ook de grondlegger was van de huidige betrokken journalistiek.[12]Â
Dr. Johan Snel werkt als docent en onderzoeker aan de Christelijke Hogeschool Ede. In 2023 promoveerde hij aan de Vrije Universiteit op Abraham Kuyper, een leven in de journalistiek.
- ‘Views and reviews of current fiction’, New-York Tribune, 12 juni 1915, 10; recensie van Arnold Mulder, Bram of the Five Corners. Chicago: McClurg & Co, 1915. Alle aanhalingen zijn letterlijk.
- Over deze Arnold Mulder: James D. Bratt, ‘Dutch Reformed Theology and Renegade Authors’, Reformed Review 38: 2, januari 1985, p. 148-159.
- Tweeëntwintig essays van Kuyper over journalistiek, publieke opinie en vrijheid van meningsuiting verschenen vertaald, ingeleid en geannoteerd, in deel 12 van de serie ‘Abraham Kuyper Collected Works in Public Theology’, getiteld: On Charity and Justice, 2022.
- Handelingen der Tweede Kamer, 10 december 1904, 540.
- Het mooiste boek over Kuypers denken: James D. Bratt, Abraham Kuyper. Modern Calvinist, Christian Democrat, Grand Rapids, 2013. Over worldview: Peter S. Heslam, Creating a Christian Worldview. Abraham Kuyper’s Lectures on Calvinism, Grand Rapids, 1998.
- Michael Schudson, Journalism: Why It Matters, Cambridge, 2020.
- Taco Rijssemus, De rekbare waarheid. Over de objectiviteit van betrokken journalistiek, Amsterdam, 2014.
- Bill Kovach & Thom Rosenstiel, The Elements of Journalism. What Newspeople Should Know and the Public Should Expect, vierde herziene druk, 2021.
- Robert W. McChesney & Victor Pickard, Will the Last Reporter Please Turn out the Lights. The Collapse of Journalism and What Can Be Done to Fix It, New York, 2011. Zie ook: Johan Snel, Tien journalistieke idealen, Amsterdam, 2016.
- Het lectoraat Journalistiek van de Christelijke Hogeschool Ede is bezig met een bundel over ‘Betrokken journalistiek’, dat zowel theoretische essays als praktijkverhalen omvat.
- J.K. Chalaby, The Invention of Journalism, New York, 1998.
- N.a.v. Johan Snel, Abraham Kuyper, een leven in de journalistiek. Een alternatieve biografie, Amsterdam, 2023, als dissertatie (onder de titel: Abraham Kuyper, journalist onder journalisten) verdedigd aan de Vrije Universiteit Amsterdam op 2 november 2023.