Op gespannen voet met de natuur
De Amerikaanse schrijfster Marilynne Robinson werd voor het grote publiek bekend met haar bekroonde romans over twee predikantengezinnen in het fictieve plaatsje Gilead. Minder bekend is haar academische non-fictie. Daarin richt zij als publiek opererende intellectueel haar pijlen op wat zij het moderne denken noemt. Ze maakt zich zorgen over de gevolgen voor onze omgang met elkaar en met onze leefomgeving als we vergeten hoe uitzonderlijk het menselijk bestaan is.
Het moderne denken is bij Robinson een verzamelterm voor de stroming van denkers als Malthus, Darwin, Freud, Nietzsche, Marx en hun pleitbezorgers in de twintigste eeuw. Zij vertegenwoordigen een opvatting van wat het is om een mens te zijn en op deze planeet te verblijven. Volgens Robinson heeft die opvatting niet alleen bedenkelijke gronden maar ook bedenkelijke gevolgen. Over die gronden van het moderne denken meer in mijn laatste publicatie Van waarde zijn.[1] Hier wil ik ingaan op haar zorgen over de gevolgen van het moderne denken voor onze omgang met elkaar en met onze leefomgeving. Deze rode draad door haar cultuurhistorische en cultuurfilosofische werk blijkt met andere woorden een cultuur-ethiek.
Vriendschap is een illusie
Wat wil het geval? Kenmerkend voor moderne denkers, zegt Robinson, is dat ze de beweegredenen die de cultuurgeschiedenis van de mensheid beschrijft, bezingt en beklaagt, terugbrengen tot een dieperliggende, natuurlijke dynamiek. Daarna gaan de wegen uiteen. De een meent dat die dynamiek neerkomt op een drang tot overleven en voortleven, de ander dat die neerkomt op een drang tot lustbevrediging, weer een ander op een drang naar macht, en nog weer een ander op een drang naar bezit. Niettemin is het beeld dat de gedragsmotieven die zichtbaar worden in de wereldliteratuur, de wetenschappen en de geschiedschrijving, in poëzie en mythen en sagen, ja, in journalistiek, toneel en films, eigenlijk worden voortgestuwd door driften die we delen met de andere dieren. Ons wikken en wegen over onze verhouding tot elkaar en onze plaats in deze kosmos, beschreven en beproefd door godsdienst, theologie en filosofie, komen uiteindelijk neer op vrome woorden voor verhulde instincten tot zelfzucht en zelfbehoud. De natuurlijke gang van zaken – en daarmee wat het is een mens te zijn – is terug te brengen tot de wedijver om voedsel, onderdak en partners, zo is de gedachte. Vriendschap is een illusie.
De zogenaamde ontdekkingen die moderne denkers met zelfverklaard wetenschappelijk gezag presenteren, hebben volgens Robinson destructieve repercussies voor het antieke, christelijke en humanistische beeld dat mensen een innerlijk hebben, een bewustzijn, een geestesleven. Menselijk gedrag, zo is de gedachte, komt net als dat van alle andere diersoorten voort uit instincten die tot de natuurlijke gang van zaken behoren. De bespiegelingen, keuzes en gedragingen die we voorheen tot het toneel van de menselijke geest rekenden, alles wat we over onszelf meenden te weten, alles wat we van het bestaan meenden te kunnen maken, dat alles is uitkomst van de natuurlijke impulsen die nodig waren om ons te evolueren. Niet wijzelf denken, willen of voelen, maar de natuur doet ons denken, voelen en willen. Dit is wat het brein van nature doet. Het geeft deze impulsen een stem. En wij zijn ons brein.
Tegenwoordigheid van geest
Zo kunnen we zeggen dat het moderne denken de werking van de menselijke geest wil ‘ontmaskeren’ en daarmee, dat is hier het punt, de specifieke uitwerking van de geest die we moreel besef noemen. Moderne denkers wantrouwen de gedachte dat onze omstandigheden en vooruitzichten werkelijk onderworpen zijn aan hogere doelen, aan een of andere normativiteit, laat staan aan ethische codes. Als de geest of de ziel een onpersoonlijk doorgeefluik is voor zelfzucht en zelfbehoud, dan is ook de werking van die ‘morele module’ van ons bewustzijn – ons geweten – een verhulde vorm van streven naar macht, bezit, lustbevrediging, overleven. Moeder Theresa dacht misschien dat zij iets nobels deed, maar nee, zij werd slechts door haar driften misleid. Of zij misleidde zichzelf.
Gaat dat niet te snel, vraagt Robinson. Is altruïsme nooit wat het lijkt? Misschien als we ons alleen baseren op beschrijvingen van dierlijk gedrag. Maar we mogen toch ook kennis nemen van menselijk gedrag zoals dat in andere bronnen uit de cultuurgeschiedenis van de mensheid is vastgelegd? Dan hebben we ook duidelijke blijken van bespiegelingen en gedragingen die niet goed als typisch dierlijk of natuurlijk uit te leggen zijn, maar wel goed als typisch menselijk. In Van waarde zijn verzamel ik de tegenwerpingen die Robinson inbrengt tegen de repercussies van dit moderne denken op de ervaring van moraal. Het geweten is juist gegeven met het mens-zijn, goed en kwaad is gegeven met de werkelijkheid zoals wij die kennen.Robinsons denken is tegendraads denken
De – of in ieder geval een cruciale – rode draad in het denken van Robinson gaat zodoende in tegen de verschraling van het denken over wie wij als mensen zijn. Haar denken is tegendraads denken. Zij verzet zich nadrukkelijk tegen het zelfverklaarde wetenschappelijke gezag van moderne theorieën over de oorsprong en de aanleg van de menselijke soort. Zij verzet zich tegen de geringschatting van het uitzonderlijke gegeven van de menselijke geest en de morele ervaring. Tegelijk verzet zij zich op geen enkele manier tegen wetenschap als zodanig, en ook niet tegen de gedachte van evolutie op zich. Ze wil best aannemen dat wetenschappelijk onderzoek heeft laten zien dat de kosmos al miljarden jaren bestaat, de aarde miljoenen jaren, en de menselijke soort honderdduizend jaar of meer. Daarmee is wel onze vraag hoe zij dit verenigt met haar pleidooi voor eerherstel van het geweten.
Bonum Privatio Mali Est
Interessant genoeg geeft zij in haar werk van weinig begrippen een omschrijving, maar wel van het begrip ethiek.
‘Wanneer we iemand ethisch noemen, bedoelen we dat haar leven en gedrag trouw is aan een begrip van goed en kwaad, en dat zij dat begrip ook zal honoreren als dat haar het nodige kost. [...] Evenzo noemen we het onethisch wanneer zij zich in haar gedrag niet laat leiden door het streven te beantwoorden aan een maatstaf van goed of kwaad.’[2]
De ethische of morele ervaring heeft twee facetten. Dat zijn ten eerste de innerlijkheid en ten tweede de eigensoortigheid van de morele ervaring. Het eerste facet wil zeggen dat echt moreel de keuze is die je zelf maakt, niet de keuze die een ander je opdringt of dwingt te maken. Het tweede facet houdt in dat echt moreel de keuze is die je als bindend ervaart, hoe ondoorgrondelijk die ervaring ook is: een als gerechtvaardigd en niet aflatend ervaren appèl om je aan deze of gene maatstaf te houden. Ethiek kan vele vormen en gradaties aannemen, maar we kunnen allemaal onmiddellijk onderscheid zien tussen een meningsverschil over verfijningen van maatstaven en de veronachtzaming van een maatstaf. Ethiek, zo zegt zij, is een verbond met jezelf.
Wat is nu die maatstaf, dat begrip van goed en kwaad? Anders gezegd, wat is de kern van de morele ervaring? In mijn ogen heeft Robinson hierop een origineel perspectief. Stel dat de menselijke soort zich over lange tijd heeft ontwikkeld, laten we zeggen, als een soort primaat. Dan is de natuurlijke gang van zaken voor mensachtigen om een ander zijn partner, zijn voedsel of zijn onderdak af te willen pakken, teneinde zelf (of met zijn groep) te overleven en voort te leven. Dat is wat er in de natuur gebeurt. Men leefde, met andere woorden, met wedijver en geweld. Maar ooit, zegt zij, heeft zich in de ontwikkeling van onze soort ontegenzeggelijk een verandering voorgedaan die gegeven was met de mogelijkheden die in onze oorsprong en aanleg gelegen waren. Die verandering hield in dat – voor het gemak gezegd – wij een ‘innerlijke ruimte’ ontwikkelden waarin zich een bewustzijn vormde van onze plaats in de natuurlijke gang van zaken en onze plaats ten opzichte van de natuurlijke gang van zaken. Dat besef van distantie tot de natuurlijke gang van zaken deed ons de mogelijkheid inzien ook anders te kunnen handelen, om af te zien van gedrag dat ons door onze natuur wordt ingegeven (anders zou het niet echt distantie zijn).
Met het innerlijke besef van onze plaats ten opzichte van de natuurlijke gang van zaken konden we ons ook bewust zijn van onszelf en onze verhouding tot anderen. En daarmee ook van de gevolgen van ons handelen voor de mogelijkheden van anderen om te overleven en voort te leven. Met andere woorden, we konden ons voortaan realiseren dat ons gedrag niet vrijblijvend is voor anderen.Geen diersoort dan de mens ziet nadelige gevolgen gedrag
Welnu, zegt Robinson, als dit zo is, daarmee werd het mogelijk voor mensen om zich te realiseren dat de gevolgen van ons handelen voor anderen schade kunnen zijn. Dit lijkt volgens haar de primaire morele ervaring te zijn. Geen diersoort dan de mens, zegt zij, is in staat – voor zover we weten – om de gevolgen van het eigen gedrag te gaan zien als nadelig of wreed voor anderen. En geen andere diersoort is in staat om bewust van het eigen voordeel af te zien op grond van het besef dat nadeel voor anderen verkeerd kan zijn, kwaad kan doen. Precies dat kwalitatieve verschil tussen mens en dier, het vermogen om te kunnen zeggen ‘this should not to be’ en daar dan vervolgens naar te willen handelen, noemt Robinson humaniteit.
Leven en laten leven
Dat het besef zich aandient anderen schade of nadeel te kunnen berokkenen, lijkt misschien een mysterie (wat overigens voor veel dingen geldt). Maar in plaats van het om die reden van de hand te wijzen, kunnen we er beter van uitgaan dat de mogelijkheden van bewustzijn, moreel appèl en humaniteit kennelijk gegeven waren met het allereerste oerbegin van de gehele kosmos waaruit ze zich ontwikkeld hebben.[3] We zijn als mensen niet sec aangelegd op deze kosmische stand van zaken, maar we zijn er op aangelegd omdat we er deel van uitmaken, omdat we van dezelfde ‘stuff’ zijn gemaakt. We kunnen niet over het mysterie van de morele ervaring spreken los van de morele architectuur van de werkelijkheid zelf, zegt Robinson. Dat laat ons niet snel bij het wereldbeeld van het moderne denken uitkomen maar eerder bij een ouder vocabulaire.
Als de ervaring schade te kunnen doen en zich te willen intomen (bijvoorbeeld, wanneer iemand zegt ‘help mij’, ‘doe mij geen kwaad’, of ‘dood mij niet’) de primaire morele ervaring lijkt, dan is de ervaring toe te kunnen voegen aan het netto-voordeel of welzijn of gelukkig leven van anderen een (of: de) secundaire morele ervaring. In de natuurlijke gang van zaken ervaren we niet rechtstreeks de waarde of de waardigheid van anderen. We leiden die kennelijk af uit de ervaring dat we ook anders kunnen en willen dan voor onszelf kiezen (namelijk, die waardigheid van medemensen respecteren). Robinson keert de traditionele notie om dat het kwaad de afwezigheid van het goede is: het goede is de afwezigheid van het kwade.
Omdat iets van de natuurlijke gang van zaken nog altijd in ons zit, houden we altijd – en scheppen zelfs – een behoefte aan ethische codes. We moeten er nogal eens aan worden herinnerd dat de waardigheid van anderen van je vraagt iets van je eigen belang op te geven of op te offeren, om vrijgevig, mild en genadig te zijn. Sinds mensenheugenis zijn het met name de godsdiensten die ons eraan herinneren dat het zaliger is te geven dan te ontvangen, dat er geen grotere liefde is dan je leven over te hebben voor je vrienden. Het moderne denken keurt in feite de natuurlijke gang van zaken goed, dat wil zeggen, dat het pathologisch gedrag zoals volharding in wedijver, geweld en wreedheid normaliseert. Het is geen toeval dat het moderne denken zich zo vaak tegen de godsdienstige inbedding van ethiek keert.
De stem van het geweten
Robinson noemt het een nuchtere kijk op het bestaan om rekening te houden met elke uiting, innerlijk en uiterlijk, modern en premodern, van ons bewustzijn en het vermogen ons daarmee te concentreren op de bedoelingen en de gevolgen van ons handelen. Dit vermogen om ons te concentreren op het morele, deze werking van de geest die ons onder de juiste omstandigheden kennis van het morele geeft, noemt zij het geweten.[4] ‘Het geweten is de innerlijke ervaring, afweging en bespiegeling van goed en kwaad, van verantwoordelijkheid en schade, van schaamte en schuld, van eerbied en mededogen’.[5] Het geweten neemt kennis van het appèl dat op ons gedaan wordt door de kwetsbaarheid en waardigheid van anderen en door de bronnen van onze cultuurgeschiedenis over dat appèl.
Merk op dat niet alleen het bewustzijn maar ook het geweten gelaagd is, complex. Het omvat de ingeving dat je anders kunt handelen dan de natuurlijke gang van zaken je ingeeft, dat is, anders dan schade doen. Het omvat de ervaring dat je de innerlijke vrijheid hebt om je door het verschil tussen de natuurlijke gang van zaken en de nadelige gevolgen ervan te laten leiden tot keuzes en handelingen (of niet). Het omvat het vermogen om niet (alleen) het eigen belang maar (ook) het belang van anderen in overweging te nemen en voorrang te geven, en dat als humaan te herkennen. Het omvat de bereidheid om anderen te respecteren als in zichzelf waardevol, en ethische codes en systemen te gehoorzamen die ons daaraan herinneren. Natuurlijk, het hele menszijn is gecompliceerd, ‘mingled thing that it is’. Omdat wij ons bewust kunnen verhouden tot ons bewustzijn, wijst Robinson ook op de mogelijkheid van dubbelzinnigheid en dubbelhartigheid in ons wikken en wegen over goed en kwaad. Voor deze innerlijke roerselen voldoet volgens haar het aloude woord ‘ziel’ heel goed.
De juiste omstandigheden
Zodoende is humaniteit allerminst vanzelfsprekend. Robinson wijst er op dat moreel besef met name wordt gevormd in de kring van familie en huishouden. Dat wil zeggen, mensen groeien in principe op in netwerken van relaties die niet gebaseerd zijn op resultaat, ruil of verdienste. In deze onvoorwaardelijke relaties worden trouw, verantwoordelijkheid, morele identiteit, steun en troost zonder wederdienst, een ethos van zorgzaamheid gekoesterd. Als het bevorderen van geluk, van humaniteit, ergens wordt ontwikkeld, dan daar. Merk ook op, zegt ze, hoe belangrijk een dergelijk ethos is voor het leven in de bredere gemeenschappen waarin deze kleinere gemeenschappen zijn ingebed. Hoe kan de democratie gevoed worden en overleven als we anderen geen stem gunnen, als we geen respect opbrengen voor hun waardigheid, en geduld hebben met (wat wij percipiëren als) hun complexiteit? In tegendeel, publieke instanties als overheden kunnen de vorming van een dergelijk ethos helemaal niet overnemen. Daarom is het in onze tijd zo schrijnend dat overheden vaak alle ruimte geven aan economische ondernemingen en overwegingen die families en hun gemeenschappen het vaak juist zo lastig maken compassie, empathie en altruïsme te oefenen.Het bestaan is het toneel van de schepping.
Deze bredere gemeenschappen oefenen dit veelal vanuit hun historische en culturele identiteiten, vaak ingebed in godsdienstige tradities. Het moderne denken ziet het leven niet als heel bijzonder en de mogelijkheid van moreel bewustzijn en humaniteit niet als gegeven met de kosmische orde zelf. Oudere tradities verwoorden doorgaans mensbeelden en wereldbeelden waarin het bestaan, het menselijk leven en het er voor elkaar zijn juist wel uitzonderlijk is. Ze herinneren ons aan de ervaring van ontzag voor de waarde van menselijk leven en aan het mysterie van de orde van het al. Het is duidelijk dat theologische taal hieraan uitdrukking geeft. De nuchtere kijk van Robinson sluit hier nauw bij aan: zij ziet de werkelijkheid als gegeven en geschapen, het bestaan als toneel van schepping, voorzienigheid en glorie, en Christus die reeds bij de schepping aanwezig is als toonbeeld van passie voor de soortgenoten die het meest te vrezen hebben van ons gedrag overeenkomstig de natuurlijke gang van zaken. Reden genoeg om eerherstel te bepleiten voor een kijk op het menszijn waarin de menselijke geest weer centraal staat. Zonder geest geen besef dat het zeer veel uitmaakt wie wij zijn, waar wij leven, en waarvoor wij leven.
Dr. B. Cusveller is lector zorg en zingeving aan Hogeschool Viaa. Onlangs verscheen: Van waarde zijn, kennismaking met het denken van Marilynne Robinson.
- Naar aanleiding van Bart Cusveller, Van waarde zijn. Kennismaking met het denken van Marilynne Robinson, Amsterdam: Buijten & Schipperheijn, 2024.
- M. Robinson, The Death of Adam. Essays on Modern Thought, New York: Picador, 1998, 2005, p. 159 (vertalingen BC).
- Robinson legt hier een intrigerend verband met de eerste verzen van het Evangelie volgens Johannes: als Christus de verpersoonlijking is van menselijkheid, dan is menselijkheid een intrinsiek kenmerk van de schepping van het al, want zonder Christus is niets gemaakt dat gemaakt is (GT, 209, 213).
- Hier schuilt een toepassing van Alvin Plantinga's ‘Calvin/Aquinas-model’ dat onze cognitieve vermogens ons (in dit geval: morele) kennis bezorgen, indien ze gebaseerd zijn op een goed ontwerp dat het gericht is op het produceren van kennis en naar behoren werken in de geëigende omstandigheden. Zie bijv. R. van Woudenberg en B. Cusveller (red.), De kennistheorie van Alvin Plantinga, Zoetermeer: Boekencentrum, 1998.
- M. Robinson, What Are We Doing Here? Essays, New York: Picador, 2018, p. 1.