Politicide

De moord op de politiek in de Franse filosofie
Luuk van Middelaar

Tijdens mijn studie filosofie maakte ik – hoe kan het anders – ook kennis met het werk van Sartre [1]. Het bekende en beklemmende thema van ‘de vrije mens in de contingente situatie’, die als in de wereld geworpen enkeling grondeloze keuzes moet maken – dat blijft je wel bij. Tegelijk vroeg ik me af wat een dergelijke filosofie nu politiek te betekenen zou hebben. Daar immers is een mens geen geïsoleerd kiezend individu, maar is hij samen met anderen. Vervolgens ontdek je dan dat Sartre zich politiek diepgaand verbonden heeft met het marxisme-leninisme. En je vraagt je dan vervolgens nog even af hoe iemand absolute vrijheid en dictatuur, die in de moderne tijd vaak in elkaars nabijheid verkeerden waarbij de een vaak omsloeg in de ander, ditmaal tegelijkertijd in één borst verenigt. Daar bleef het wat mij betreft bij. Voor de politieke filosofie was er in Parijs niet veel interessants te halen.

Luuk van Middelaar heeft juist in deze omstandigheid het onderwerp van een fascinerend boek gezien. Hoe komt het toch – zo luidt de intrigerende vraag die Van Middelaar zichzelf stelde – dat juist in Frankrijk, waar ooit de Franse Revolutie plaatsvond, en men op bloedige wijze afscheid nam van het ‘Ancien Régime’ en zo (althans in theorie) het volk aan de macht kwam, dat juist hier geen intellectueel te vinden is, die kan uitleggen wat democratie inhoudt en dit ook inhoudelijk kan verdedigen? Waarom zijn de Franse intellectuelen – op slechts enkele uitzonderingen na – met zoveel passie gevallen voor totalitaire ideologieën dan wel gevlucht in een mystieke passiviteit? Heel saillant in dit verband is wel dat ‘totalitarisme’ in Frankrijk tot 1975, toen Solzjenitsyns ‘Gulag Archipel’ verscheen, nog als een positief woord gold. En juist het totalitaire draagt altijd de belofte in zich van het einde van de politiek, van de uiteindelijke overwinning van alle tegenstellingen en het vormen van de uiteindelijke eenheid, waarin ieder zich ‘mag’ voegen. De mysticus laat de politiek links liggen en de linkse ideoloog verlangt naar haar einde. ‘Politicide’, moord op de politiek, noemt van Middelaar dit.

Politicide behoort tot de zeldzame boeken waarin in een uiterst pakkende stijl een overzicht geboden wordt dat zich in je eigen hoofd vaak maar heel moeizaam, langzaam en met grote lacunes begint af te zetten. De 25-jarige (!) Van Middelaar heeft hiermee een majeure prestatie geleverd. Plotseling zie je hoe allerlei lijnen lopen. De twijfelachtige rol van de Nietzscheaanse Hegel-interpreet Kojève wordt belicht, die in de jaren ’30 een complete generatie van vrijwel alle later toonaangevende Franse filosofen onder zijn gehoor had en hen aan de hand van een door hemzelf stevig gemodelleerde Hegel invoerde in de geheimen van de wereldgeschiedenis. Thema’s als strijd, geweld, dood, bloed, verlangen, prestige, meester-knechtverhoudingen en de uiteindelijke verzoening van alles in een post-histoire, een einde van de geschiedenis dat weldra bereikt zal worden. Dit thema komen we in de jaren ’90 nog tegen bij een van de vele mensen, die zich door Kojève lieten inspireren, de Amerikaan Fukuyama, auteur van The End of History and the Last Man.

Met Kojève als vertrekpunt schetst Van Middelaar een drietal episodes in de ‘moord op de politiek’. De eerste episode ‘het carrousel van revolutionair engagement’ wordt getekend door de strijd tussen Sartre en Camus. In de tweede episode ‘de strijd op het strand’ speelt het neo-nietzscheanisme de hoofdrol met figuren als Foucault en Deleuze. De derde episode ‘ratten in een ruïne’ schetst de ontgoocheling na Solzjenitsyn en de nieuwe pogingen tot moralisering van de politiek dan wel een hernieuwde mystieke vlucht uit de politiek (Lyotard, Ferry en Renaut).

Pas met de ontdekking van het oeuvre van Claude Lefort komt de echte aandacht voor het politieke in de Franse filosofie weer tot leven, althans in Van Middelaars reconstructie. De ex-trotskist Lefort is de eerste die een echt politiek-theoretische analyse van de democratie levert en laat zien hoe deze werkt en ook kan werken, namelijk door de plaats van de macht symbolisch in stand te houden en de suggestie te wekken van een eenheid, een door allen gedeelde identiteit, maar deze tegelijk nooit definitief in te vullen. Niemand – geen koning, geen Führer, geen Grote Broer – mag nog langer het alleenrecht hebben op belichaming van de gemeenschap. De gemeenschap is wezenlijk pluraal. Op het hoogtepunt van de democratie, de verkiezingsdag, gaat ieder heel stilletjes zijn of haar eigen stemhokje in en maakt daar een individuele keuze. Daarom is een ‘einde van de politiek’, waar we allen een zullen zijn en alle conflicten verzoend, voor Lefort onzin. Het is zo juist de Franse ‘politicide’ die bij Lefort ten onder gaat – lang leve de politiek.

Het boek van Van Middelaar heeft zijn zwakkere kanten. Sommige oordelen en inzichten worden wel eens heel snel uitgesproken, zonder dat de argumentatie ervoor ook maar bij lange na voldoende draagkracht heeft. Dit neemt niet weg dat het een erg belangwekkend boek is, dat laat zien dat sinds het ‘ni Dieu, ni maître’ van de Franse Revolutie tot aan de twintigste eeuwse drama’s van de Holocaust en de Gulag-archipel in feite steeds een zelfde thema-cluster aan de orde is. Steeds weer stuiten denkers op de mogelijkheid van een intrinsieke relatie tussen de ‘dood van God’, de ‘dood van de mens’ en het ‘einde van de politiek’. De indringende discussies, die zich al diep in de negentiende eeuw afspeelden in Frankrijk en waaraan hier te lande een Groen van Prinsterer zijn bijdrage leverde, worden nog steeds voortgezet en ze hebben door de twintigste eeuwse ervaringen een geheel nieuwe impuls gekregen. De uitkomst is nog lang niet beslist.

  1. Van Gennep, Amsterdam 1999, 253 blz., f39,90