Theocratisch beginsel verdient doordenking in komende eeuw

De overheid kan niet zonder de bezielende leiding van de kerk. Maar ook omgekeerd: de kerk dient haar profetische stem te verheffen op het terrein van het publieke leven. Deze oer-gereformeerde theocratische gedachte heb ik in mijn proefschrift Onverkort of gekortwiekt? willen verwoorden . Ik heb daarmee iets uitgedrukt waarmee ik van huis uit ben opgegroeid - Groen van Prinsterer nam een prominente plaats bij ons in - en waarvan ik het belang in het publieke leven steeds meer tegengekomen ben. Ik stuitte steeds meer op het belang van een bijbels ethos voor het maatschappelijk leven en op de noodzaak van een inhoudelijke politieke levensvisie op de lange termijn.

In mijn proefschrift heb ik de verhouding tussen overheid en godsdienst belicht vanuit artikel 36 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis (NGB). Ik heb mij met name gericht op de zogeheten 21 woorden die het weren en het uitroeien van afgoderij en valse godsdienst betreffen. De studie behandelt de politiek-filosofische en theologische context van de vroegmoderne staat ten tijde van de Reformatie en schetst de spanning tussen een theocratisch beoogde inrichting van de maatschappij en de roep om godsdienstige en politieke tolerantie. Deze theocratische traditie neemt haar aanvang vanaf Luther en Calvijn en kent via christelijke historici, theologen en politici uitlopers naar de negentiende en twintigste eeuw, zoals blijkt bij personen als G. Groen van Prinsterer, Ph.J. Hoedemaker, A.A. van Ruler en de kleinere christelijke partijen.

De in de NGB geformuleerde taak voor de overheid om zorg te dragen voor christelijke normen en waarden wordt momenteel strijdig gezien met de principes van een democratisch en godsdienstig plurale samenleving. Ik heb in mijn proefschrift gepleit voor bezinning op de religieuze taak van de overheid en acht die niet in strijd met de principes van een democratische en godsdienstig veelkleurige samenleving. Wel loopt de spanning tussen theocratie en democratie als een rode draad door mijn boek. De actualisering van artikel 36 in een tijd van secularisatie en godsdienstig pluralisme is naar mijn inzicht gelegen in een hernieuwde oriëntatie op de Bijbel als heilzame norm voor het maatschappelijk leven.

Mij werd gevraagd om in het kort te reageren op de reacties die mijn proefschrift opriepen in de pers. Ik zal ze niet afzonderlijk behandelen - daarvoor is de ruimte mij te beperkt - maar ik zal mij richten op het hoofdbezwaar tegen mijn stelling dat het theocratisch gedachtegoed ook voor deze tijd nog actueel is. Vele reacties kwamen hierop neer: artikel 36 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis is niet meer aan de orde en achterhaald, ja, het is zelfs gevaarlijk, om deze godsdienstige taak aan de overheid toe te vertrouwen. Voor dromers en idealisten is artikel 36 nog aardig en die zullen er in nostalgische zin 'plezier' aan beleven, maar voor degenen die met de politieke en maatschappelijke 'feiten' rekenen, heeft artikel 36 geen (enkele) relevantie.

Ik begrijp zulke argumentatie eigenlijk maar slecht. Stel je voor dat je elk beginsel of elke normatieve richtlijn opgeeft vanwege de weerbarstige werkelijkheid, of het nu je gezin, je werk of de politiek betreft. Het leven zou een chaos en anarchie worden. Laat ik vooraf zeggen dat ik wel aanvoel welke gedachtegang hieraan ten grondslag ligt. Feit is dat we in onze plurale samenleving te maken hebben met de grondwettelijk geaccepteerde vrijheid van godsdienst en de democratie als besluitvormingsproces. Maar wanneer we deze feiten tot onbetwistbaar uitgangspunt nemen en niet in staat zijn om deze feiten vanuit het geloof kritisch te beoordelen, staat de legitimiteit van elke bevlogen visie op lange termijn op het spel. We beleven een tijd waarin de politiek ont-ideologiseerd wordt en het beleid van de overheid enkel gericht is op korte-termijndenken, technische, economische en financiële doelmatigheid. Vooral de recente plannen van de regering op het terrein van abortus, euthanasie en het homohuwelijk laten zien dat 'neutraal' nooit bestaat.

Ik heb in mijn studie benadrukt dat artikel 36 een geloofsartikel is en daarom wel rekent met, maar niet opgaat in de werkelijkheid. Het is een zaak van het geloof om rekening te houden met de werkelijkheid - je belijdt immers altijd in een bepaalde situatie -, maar het is niet geoorloofd om je eigen geloofsvisie door die werkelijkheid te laten bepalen. Kijk je alleen naar het geloof, dan ben je misschien een groot idealist, reken je echter alleen met de werkelijkheid, dan ben je een pragmaticus. Deze spanning heb ik in mijn proefschrift aan de orde willen stellen.

Geschiedenis

Die geloofsvisie op de werkelijkheid waarvan ik ben uitgegaan, heeft ook gevolgen voor de vraag hoe we tegenover de geschiedenis staan. Iemand die zich niet door het geloof laat inspireren, heeft geen oog voor Gods wonderen in de geschiedenis. Dat geldt ook voor de verhouding tussen kerk en staat. Een seculier historicus die geen recht doet aan het eigen karakter van de kerk heeft ook weinig begrip voor de normatieve gebondenheid van de overheid aan schriftuurlijke beginselen. Ik erken dat er in het verleden vaak spanningen en conflicten geweest zijn - ik heb die ook zeker in mijn proefschrift genoemd - maar de werkelijkheid laat ook in bepaalde situaties een onderlinge samenstemming tussen kerk en staat in de Republiek zien. Vele studies over stedelijke samenlevingen in de Republiek die de laatste tijd zijn verschenen, wijzen in die richting. Die zogenaamde 'theocratische momenten' hebben het nodige misverstand opgeroepen. Overigens is het wel een erg karige beoordeling van het christelijke verleden: alsof we het bestaan van zelfs momenten niet meer erkennen. Of herkennen we ze niet omdat het orgaan ervoor ontbreekt?

We moeten altijd alert zijn op eenzijdige beoordeling van de geschiedenis. Feiten moeten als feiten erkend worden; van bijkleuring of romantisering mag nooit sprake zijn. Toch scherpt het geloof het oog voor feiten die een wetenschapper niet direct ziet. Een christen-historicus moet de feiten ook duiden en interpreteren. Dat heb ik ook gedaan in mijn proefschrift. En dan blijkt dat er in de geschiedenis ook sprake is geweest van een samenleving die door christelijke beginselen is gestempeld en waaraan kerk en overheid ieder hun bijdrage hebben geleverd. De overheid was dan niet een instantie die slechts cliché-matig haar verbondenheid met de christelijke religie verwoordde, maar ook daaruit leefde.

Ongedeelde kerk

Een ander belangrijk punt waar ik in mijn proefschrift op gewezen heb, is het kerkbegrip waar artikel 36 van uit gaat. Ik denk dat een blad als Wapenveld, dat toch altijd iets heeft van heimwee naar het hervormd-theocratisch denken (Van Ruler, Haitjema, Kromsigt), dat toch moet waarderen. Terecht hebben Hoedemaker en Kromsigt gewezen op de funeste staatkundige gevolgen van Afscheiding en Doleantie. Wie zich afsplitst van de vaderlandse kerk, de kerk van de natie, splitst zich ook af van het geheel en het organisme van de natie, en maakt artikel 36 in politieke zin krachteloos. Het is niet voor niets dat in de traditie van de Afscheiding de gedachte van een vrije kerk in een vrije staat ingang gevonden heeft. Van Ruler heeft de ingreep van de synode van de Gereformeerde Kerken in 1905 betiteld als een verminking, een doorsnijden van de band tussen kerk en volk, die volgens hem met geen evangelisatie meer goed te maken is. Diezelfde geluiden heeft ook Kersten herhaald geuit.

Ik heb daarom betoogd dat wie artikel 36 serieus neemt, moet uitgaan van een ongedeelde kerk die zich richt op het gehele volk. Onlangs is dit door P. de Vries in zijn proefschrift over Owen nog eens duidelijk gesteld. Een van zijn stellingen luidde: 'Artikel 36 van de NGB doet niet alleen een appèl op de overheid om de ware religie te beschermen. Zij gaat ook uit van één ongedeelde, nationale, gereformeerde kerk.' Hoedemaker heeft herhaaldelijk tegenover Kuyper betoogd dat zijn staatkundige dwalingen terug te voeren zijn op een verkeerd kerkbegrip. Niet voor niets begon Kuyper zijn kritiek op artikel 36 nadat hij eerst zijn aanvallen richtte op de volkskerk.

Actualiteit

Waar ligt de actualiteit van artikel 36? Ik zie de actualiteit van dit geloofsartikel vooral in het opnieuw stellen van de waarheidsvraag in de politiek. Dat komt de verdieping van de politieke vragen ten goede. Ik meen dat de binding van de overheid alleen aan recht, orde en gerechtigheid een verarming van haar taak is, die uitloopt op een steeds verdere verzakelijking van de politiek. De overheid heeft een godsdienstige oriëntering nodig en kan niet zonder een inhoudelijke visie op het doel van een samenleving op lange termijn. We mogen de overheid nooit allergisch scheiden van godsdienstige normen die ontleend zijn aan de Bijbel. Groen van Prinsterer heeft ervoor gewaarschuwd dat regeren niet mag ontaarden in administreren. Waarlijk regeren moet volgens hem geschieden vanuit vaste beginselen, oftewel: volgens de geboden en beloften van het Evangelie.

De eis van Gods Woord moeten we in alles vasthouden. Het 'alzo zegt de Heere' moet in de politiek blijven klinken, al is de taal en de vormgeving waarin we het doen erg belangrijk geworden. Maar wat waar is, is ook waar voor alle mensen. Anders eindigen we in een waarheidsrelativisme. We kunnen niet zeggen: jij geloof dit, ik geloof dat, laten we elkaar maar respecteren en iedereen in zijn of haar waarde laten. Dat strijdt met de pretentie van het christendom de exclusieve waarheid voor te staan. De mens is zondaar, en er is maar één redding, dat is het geloof in Jezus Christus. Die boodschap moet het gehele volk gepredikt worden en daaraan moet ook de overheid op haar manier een bijdrage leveren.

Maar kan dat nog? Ik weet wel dat dit voor de huidige overheid grote problemen zou oproepen. Maar juist omdat neutraal niet neutraal meer is, moeten we met des te meer vrijmoedigheid 'agressie op de neutrale staat' (Van Ruler) plegen. We moeten ons niet schamen voor het laten meespelen van het geloofsperspectief in het beoordelen van de taak van de overheid en het regeringsbeleid. Kromsigt zei terecht: 'Want ongeloof is het altijd, dat ons het ideaal doet loslaten en dat ons maakt tot "praktische" mensen.' Wie de klem van het Woord niet meer op de overheid wil leggen - landelijk of plaatselijk - ondergraaft het bestaansrecht van de christelijke politieke partij.

In de politieke besluitvorming op gemeentelijk, provinciaal en landelijk niveau is het van belang om de overheid blijvend te wijzen op de levensbeschouwing waaruit ze politiek bedrijft. Neutraal bestaat niet, ook 'paars' gaat uit van een levensbeschouwing, in dit geval van een humanistisch en niet-christelijk gedachtegoed, waarbij centraal staan de menselijke vrijheid, de mondigheid en het zelfbeschikkingsrecht. Het feit dat christelijk Nederland de laatste maanden (opnieuw) opgeschrikt werd door kabinetsvoorstellen ten aanzien van abortus en euthanasie; voorstellen die ten diepste gedragen worden door het geloof in de menselijke autonomie, los van Gods heilzame geboden, moet ons de vraag naar een heilzaam publiek ethos doen stellen. Zonder geloof in God vaart niemand wel! Ook de overheid niet, van welke politieke kleur dan ook. Laten we in het zo nodige publieke debat over de koers van de samenleving elkaars uitgangspunten niet verhelen en als christenen eerlijk onze normen en waarden, zoals ze geënt zijn op de Bijbel, inbrengen. Met deze intentie heb ik mijn proefschrift geschreven: om het theocratisch beginsel ook voor de komende eeuw vruchtbaar te maken.

  1. Ondertitel: Artikel 36 van de Nederlandse geloofsbelijdenis en de spanning tussen overheid en religie. Een systematisch-historische interpretatie van een 'omstreden' geloofsartikel, Uitg. Groen en Zoon, Heerenveen 1999, 619 blz., F49,95.